Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/15.3
15.3 De kwalificatie van de doelstelling en de feitelijke omstandigheden van een instelling als religieus in de jurisprudentie
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457625:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gerechtshof ‘s-Gravenhage 28 juli 2010, NTFR 2010/2668.
Saillant is dat de deskundige die door belanghebbende naar voren is geschoven als hoogleraar een bijzondere leerstoel bekleedt die deels door de vrijmetselarij wordt bekostigd. Men kan zich afvragen of een dergelijke deskundige ten aanzien van dit onderwerp onafhankelijk kan zijn. Zie ook de annotatie van Molenaar bij Gerechtshof ’s-Gravenhage 28 juli 2010, NTFR 2010/2668.
Gerechtshof ‘s-Gravenhage 28 juli 2010, NTFR 2010/2668, r.o. 6.1.3.
Rb. Arnhem 17 juni 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BM8588, NTFR 2010/1683, m.nt. J. Zandee-Dingemanse, r.o. 4.
Rb. Noord-Holland 5 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:10428, r.o. 4.3.
Rb. Noord-Holland 5 december 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:10428, r.o. 4.4.1.
Rb. Noord-Holland 13 augustus 2013, NTFR 2014/359, r.o. 4.4.2.
Rb. Haarlem 30 mei 2007, nr. 05/06200, V-N 2008/13.5, r.o. 3.3.
Rb. Haarlem 30 mei 2007, nr. 05/06200, V-N 2008/13.5, r.o. 4.3.
Gerechtshof ’s-Gravenhage ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1418, r.o. 6.5.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 30 maart 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1418, r.o. 4.3. Zie voor m.i. autonome kwalificatie ook Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 7 juni 2013, NTFR 2013/1380, m.nt. D. Molenaar en Rb. Den Haag 17 maart 2010, NTFR 2010/1730.
HR 7 november 2003, BNB 2004/30, NTFR 2004/1886, r.o. 2.6.
Gerechtshof Amsterdam 11 januari 2002, nr. P00/1576 (ongepubliceerd).
Gerechtshof Amsterdam 17 oktober 2013, NTFR 2013/2068, r.o. 5.5.
HR 7 november 2003, BNB 2004/30, NTFR 2004/1886.
HR 12 december 2014 ECLI:NL:HR:2014:3565. Zie een bevestiging van dit arrest in HR 25 november ECLI:NL:HR:2016:2665.
HR 7 november 2003, BNB 2004/30, NTFR 2004/1886.
HR 12 december 2014 ECLI:NL:HR:2014:3565.
In het navolgende bespreek ik een aantal rechterlijke uitspraken waarin in het kader van de ANBI-status het begrip van godsdienst aan de orde was.
Ten eerste een uitspraak van het Hof Den Haag uit 2010 inzake de vrijmetselarij.1 Het hof overweegt hierin dat de vrijmetselarij naar eigen zeggen geen leer of ideologie verkondigt. Volgens het hof is deze constatering echter niet van belang omdat levensbeschouwing een rechtsbegrip is dat moet worden uitgelegd door de rechter zelf. Vervolgens kwalificeert het hof de vrijmetselarij als levensbeschouwing. Daarbij laat het zich leiden door het oordeel van een deskundige. Die definieert de vrijmetselarij als een religieus humanisme, de stroming in het humanisme die het bestaan erkent als een geheimenis, zonder zich te binden aan een specifieke geloofstraditie.2 Voor wat betreft de activiteiten van de vrijmetselarij leunt het hof ook op het advies van de bovengenoemde deskundige. Die stelt: ‘De vrijmetselarij geeft het heilige weer in het symbool “Opperbouwmeester des Heelals”. Alle werkzaamheden in de loge vinden plaats ter ere van dat symbool.’3 Naar aanleiding van het oordeel van de deskundige dat de vrijmetselarij uitsluitend activiteiten verricht die in het teken staan van het levensbeschouwelijke doel van de vrijmetselarij kwalificeert het hof deze activiteiten als activiteiten die bijdragen aan het algemeen belang.
Ten tweede een uitspraak van de Rechtbank Arnhem uit 2010 over een klooster. Hierin werd beoordeeld of een stichting die het gastenverblijf van een klooster exploiteerde als ANBI kon worden gekwalificeerd. De belastinginspecteur was van mening dat dit niet kon omdat er primair sprake was van het bedrijfsmatig uitoefenen van een onderneming. De rechter oordeelde echter dat de stichting wel een ANBI was omdat de exploitatie van het gastenverblijf geen doel op zich is, maar een middel voor de monniken om gastvrijheid te tonen. Volgens de rechtbank diende de doelstelling van het gastenverblijf ‘het in stand houden van een gastenhuis als een oord van geestelijke bezinning en tevens om besprekingen te houden omtrent godsdienstige en sociale problemen in beperkte kring’ het algemeen nut, omdat het ontvangen van gasten een verplichting is ‘die rechtstreeks voortvloeit uit de regels van Sint Benedictus volgens welke de monniken leven, welke regels zijn gebaseerd op het christelijke geloof.’ Ten aanzien van de feitelijke werkzaamheden overwoog de rechtbank dat ‘de werkzaamheden van de stichting primair het algemeen belang raken omdat de gastvrijheid, zoals die is neergelegd in de regels van St. Benedictus voorop staat’.4 De rechtbank had de regels van Sint Benedictus Nursia (480-547) geraadpleegd en onder andere op grond daarvan geconstateerd dat (zoals de stichting betoogt) de religieuze leer van de monniken inderdaad het ontvangen van gasten voorschrijft en dat de doelstelling en de activiteiten van de stichting hiermee in overeenstemming zijn. De rechter stelt dat het gastenverblijf is geslaagd in zijn bewijslast. We kunnen stellen dat de rechter in deze zaak een objectiverende kwalificatie hanteert omdat de rechter de doelstelling en de feitelijke werkzaamheden toetst aan een criterium dat buiten het rechtssubject ligt, namelijk een religieuze bron.
Ten derde een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland uit 2013 over de christelijke stichting L’Abri. In deze uitspraak is het objectiverende karakter van de kwalificatie iets minder sterk dan in de vorige twee uitspraken. De betrokken stichting had als doel het verkondigen van het Evangelie door ondersteuning en aanmoediging van zendelingen over de wereld. De stichting organiseerde voor een geringe kostenvergoeding onder andere themaweek-enden, lezingen en filmavonden. Onder de stichting valt een leefgemeenschap waarvan de leden in dienst zijn van de stichting. De belastingdienst meende dat de activiteiten van deze stichting in wezen gericht zijn op de particuliere belangen van de leden van de leefgemeenschap en de deelnemers. Daarom kwalificeerde de belastingdienst deze activiteiten dan ook niet als activiteiten van algemeen belang. De rechtbank achtte deze activiteiten echter wel van algemeen belang. De rechtbank baseerde haar oordeel op de vergelijking van de stichting met een kloosterorde. Net als in een kloosterorde wordt in L’Abri op gezamenlijke wijze het geloof beleefd en beleden. Ook de leden van een kloosterorde wonen, eten en recreëren gezamenlijk, naast dat ze religieuze activiteiten verrichten. De rechtbank overwoog verder dat de individuele belangen van de leefgemeenschap van L’Abri dienstbaar en ondergeschikt zijn aan die van de gasten.5 Via de bespreking van films, lezingen en bijeenkomsten geeft zij concreet uitvoering aan haar religieuze doelstelling.6 De belastingdienst baseerde zijn opvatting, dat hier slechts een particulier belang speelde, tevens op de constatering dat de gasten van L’Abri persoonlijk nut ontlenen aan de hun verleende diensten. Bijvoorbeeld door één op één gesprekken met vaste medewerkers. Volgens de rechtbank is dit standpunt van de belastingdienst onjuist. De rechtbank verwijt de belastingdienst dat hij onterecht ervan uit gaat dat het op individuele basis zoeken naar en invulling geven aan religie en verdieping, niet algemeen nuttig zou zijn en op collectieve basis naar dezelfde doelstelling streven (bijvoorbeeld in een kerkgenootschap) wel. De door de belastingdienst aangevoerde rechtvaardiging voor dit verschil, namelijk de riten of de instituties van een kerkelijke instelling, betreft volgens de rechtbank de vorm en niet de inhoud van de religie. De rechtbank stelt dat ook binnen een kerkelijke instelling plaats is voor studie en vorming, ook op individueel niveau. De belastingdienst heeft volgens de rechtbank dan ook niet duidelijk kunnen maken waarom de gelijksoortige activiteiten van L’Abri anders moeten worden geduid – namelijk als persoonlijk nut – dan de activiteiten van kerkelijke instellingen – namelijk als algemeen nut.7 Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank haar kwalificatie baseerde op criteria die liggen buiten het rechtssubject. De rechtbank vergelijkt L’Abri immers met een kloosterorde. Ook wordt ten aanzien van de particuliere belangen de vergelijking gemaakt met een kerkelijke instelling. Vanwege deze criteria kunnen we stellen dat hier een objectiverende kwalificatiewijze is toegepast.
Ten vierde een uitspraak afkomstig van de Rechtbank Haarlem uit 2007 over een kerkgenootschap dat in een fabrieksloods ‘kerkte’. Ook in deze zaak werd de vergelijking met traditionele kerken gezocht om de doelstelling en activiteiten te kwalificeren. De inspecteur was vanwege het uiterlijk van het kerkgebouw van oordeel dat het hier niet ging om een kerkelijke instelling. De rechter oordeelde echter dat het uiterlijk van de kerk niets afdeed aan haar doelstelling en de activiteiten van de stichting.8 De rechtbank overweegt:
‘Uit haar statuten blijkt dat de Stichting zich tot doel stelt het Christendom te (doen) belijden en te verspreiden onder de mensheid. De activiteiten die zij daartoe ontplooit blijkens haar huidige website, eisers toelichting en door haar uitgegeven schriftelijke uitnodigingen of folders, zijn ook geheel in overeenstemming met die doelstelling.’
En:
‘Dat de Stichting voorts “kerkt” in een gehuurd gebouw op een industrieterrein is geenszins ongebruikelijk, aangezien niet ieder kerkgenootschap beschikt over een eigen kerkgebouw met de uiterlijke kenmerken van dien.’9
In deze zaak maakt de rechter gebruik van een subjectiverende kwalificatiewijze omdat hij uitgaat van de uitingen van het genootschap zelf (statuten) om de doelstelling en de activiteiten te kwalificeren. Toch is dit niet helemaal juist omdat de rechter in zijn woordkeuze een objectief kader laat doorschemeren. Hij stelt immers dat het niet ongebruikelijk is om in een loods te kerken. Deze woordkeuze veronderstelt dat het vaker voorkomt en dat het daarom geen probleem is.
Ten vijfde een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag uit 2010 over een stichting die als doelstelling heeft het verspreiden van het Evangelie, en daartoe jaarlijks vakantiekampen organiseert voor kinderen. Hoewel het hof oordeelde dat de doelstelling uit het statuut ‘het verspreiden van het evangelie’ het algemeen nut diende, had deze instelling volgens het hof toch geen recht op een ANBI-status omdat de feitelijke werkzaamheden onvoldoende bij deze doelstelling aansloten. Het hof stelde dat de Bijbelstudie in de ochtenduren de enige activiteit was ‘die rechtstreeks dient om de boodschap van het Evangelie te verspreiden’.10 Het in de avond vertonen van christelijke speelfilms zou volgens het hof onvoldoende zijn om ‘de boodschap van het evangelie te verspreiden’. Het hof kwam dan ook tot de conclusie dat niet was voldaan aan het (toenmalige) vereiste van 50% algemeen belang (nu is dat 90%). Het hof lichtte verder niet toe welke criteria bepalen of een activiteit ‘het verspreiden van het evangelie’ dient. De belanghebbende voerde aan dat het organiseren van het kamp een middel was om dit doel te verwezenlijken. Het hof had hier geen boodschap aan. We kunnen de kwalificatie van het hof uitleggen als een autonome kwalificatie. Het hof beoordeelt op eigen inzicht wat wel en wat geen activiteiten zijn die dienen om de boodschap van het evangelie te verspreiden.11
Ten slotte de uitspraken over de Scientology Kerk. Naast de bovengenoemde uitspraak van de Hoge Raad in 2003 zijn hierover nog meer uitspraken geweest. Centraal stonden de activiteiten ‘auditing en training’. De leer van Scientology gaat onder andere ervan uit dat de mens bestaat uit een fysiek lichaam, een geest en een spiritueel wezen (de thetan). De thetan is onsterfelijk. Volgens ‘scientologen’ moet de mens zich door ‘auditing’ en ‘training’ losmaken van het stoffelijke universum en zijn spirituele trauma's.’12 Bij auditing gaat het erom dat het individu zijn spirituele obstakels onderzoekt en overwint (het wegnemen van persoonlijkheidsstoornissen) en zich verheft door een reeks van oplopende niveaus van geestelijke gewaarwording te doorlopen (verbeteren van de persoonlijkheid). De trainingen zijn gericht op verdieping van de kennis van Scientology en de opleiding tot ‘Auditor’. Voor zowel auditing als training wordt door de Scientology Kerk aan de deelnemers een fikse vergoeding gevraagd.
Ten aanzien van de vraag of ‘auditing en training’ in voldoende mate het algemeen belang dienen werd door het Gerechtshof Amsterdam in 200313 en in een andere soortgelijke zaak in 2013 geoordeeld dat deze activiteiten het algemeen belang dienen omdat ze niet te onderscheiden zijn van religieuze activiteiten van andere kerkelijke instellingen. Dat voor deze activiteiten veel geld moest worden betaald was volgens het hof geen reden om te oordelen dat er sprake is van (semi-)commerciële activiteiten (die slechts het particuliere belang dienen). Voor de uitspraak in 2013 riep het Gerechtshof Amsterdam de hulp in van een deskundige (een godsdienstsocioloog). Die stelt dat de wijze van financiering van de Scientology Kerk niet fundamenteel verschilt van die van andere kerkgenootschappen. Het verschil tussen de Scientology Kerk en andere kerkgenootschappen is volgens de deskundige dat de eerste niet zoals de laatste over ‘oud’ eigen vermogen beschikt waardoor er naar andere financiële middelen moet worden gezocht. Daarom worden voor de cursussen van auditing en training hoge tarieven gehanteerd. Naar het oordeel van het hof is de keuze om inkomsten te vragen voor de uitoefening van religieuze activiteiten daarom niet voldoende om te oordelen dat deze activiteiten niet-religieus van aard zijn. Volgens het hof zijn ‘auditing en training’ uitsluitend kerkelijke activiteiten en is de Scientology Kerk daarom een ANBI.14
Beide bovengenoemde arresten werden door de Hoge Raad vernietigd. In 2003 had de Hoge Raad overwogen dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom ‘auditing en training’ het algemeen belang dienen:
‘(…) doch zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is niet duidelijk waarom dit een en ander meebrengt dat de door SKA – tegen min of meer commerciële tarieven – gegeven cursussen niet primair particuliere belangen dienen.’ 15
In 2014 overwoog de Hoge Raad dat:
‘ (…) als regel [dient] te gelden dat activiteiten waarvoor in beginsel een commerciële prijs wordt gerekend, zijn aan te merken als activiteiten die primair particuliere belangen dienen, ook als deze activiteiten een onderdeel vormen van de religieuze beleving.’16
In bovengenoemde arresten stond buiten kijf dat de Scientology Kerk een kerkelijke instelling is. Reeds in het arrest uit 2003 stelt de Hoge Raad:
‘Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. In cassatie is onbestreden dat [belanghebbende] is aan te merken als een kerkelijke of levensbeschouwelijke instelling in de zin van artikel 47 van de Wet.’17
We kunnen stellen dat de Hoge Raad in navolging van het Gerechtshof Amsterdam de doelstelling van Scientology Kerk als religieus kwalificeert. Uit de arresten komt niet naar voren waar hij deze kwalificatie op baseert. Ook staat vast dat de Hoge Raad in navolging van het Gerechtshof Amsterdam de activiteiten ‘auditing en training’ kwalificeert als godsdienstige gedragingen. In 2014 stelt hij:
‘Voorts kan de omstandigheid dat de verzorging door belanghebbende van auditing en trainingen een onderdeel vormt van de religieuze beleving en een middel is om het geloof dat belanghebbende aanhangt te verspreiden, niet zonder meer tot de gevolgtrekking leiden dat de daarmee samenhangende werkzaamheden rechtstreeks erop gericht zijn enig algemeen belang te dienen.’18
We kunnen niet uit de arresten afleiden op grond waarvan de Hoge Raad de activiteiten kwalificeert als religieus. Mogelijk ziet de Hoge Raad net als het Gerechtshof Amsterdam een gelijkenis tussen de activiteiten van de Scientology Kerk en de activiteiten van andere kerkelijke of levensbeschouwelijke instellingen.
Het knelpunt in de jurisprudentie over de Scientology Kerk is niet zozeer of de activiteiten van de Scientology Kerk religieus van aard zijn maar of ze voldoende het algemeen belang dienen (50% en vanaf 2010 90%). Toch speelt het begrip godsdienst wel een belangrijke rol in deze zaken omdat het Gerechtshof Amsterdam een gelijkenis ziet tussen de activiteiten van de Scientology Kerk en de activiteiten van andere kerkelijke instellingen waarvan wel wordt aangenomen dat ze het algemeen belang dienen. Een dergelijke vergelijking kunnen we als objectiverend beschouwen. Het hof legt de activiteiten van de Scientology Kerk uit in het licht van de activiteiten van bekende gevestigde godsdiensten. Daarbij wordt bovendien gebruik gemaakt van een deskundige. De Hoge Raad bekijkt deze kwestie echter vanuit een ander perspectief en overweegt in navolging van de wetsgeschiedenis19 dat religieuze activiteiten die commercieel van aard zijn per definitie niet het algemeen belang dienen. Daarmee wordt een discussie over de religieuze aard van de activiteiten van de Scientology Kerk (en daarmee over de uitleg van godsdienst) vermeden. We kunnen op grond van deze uitspraak concluderen dat de huidige rechtsopvatting is dat godsdienst of levensbeschouwing het algemeen belang dient, tenzij de godsdienst of levensbeschouwing commercieel van aard is, dan dient godsdienst of levensbeschouwing een particuliere belang.
In het kader van de ANBI-status worden de doelstellingen en de activiteiten getoetst op hun bijdrage aan het algemeen belang. Godsdienst telt in beginsel als algemeen belang. De uitzondering hierop is wanneer godsdienst of levensbeschouwing commercieel van aard is. Over het algemeen is het dus zo dat de kwalificatie van de doelstelling en activiteiten van een instelling als godsdienstig ook betekent dat deze activiteiten het algemeen belang dienen. De rechter probeert in veel gevallen de doelstelling en de activiteiten van de instelling in een objectief kader te plaatsen. Dit kan expliciet gebeuren door het inroepen van hulp van deskundigen maar ook impliciet door de vergelijking te maken met de activiteiten van de meer traditionele kerkelijke instellingen. In sommige gevallen is niet duidelijk waarop de rechter zijn kwalificatie baseert.