Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/4.7.2
4.7.2 Omvang van de toets en peilmoment
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492426:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Terré, Simler en Lequette 2005, nr. 324.
De bevoegdheid van de regering om decreten uit te vaardigen bleef na de omzetting van de richtlijn ongewijzigd. Art. L.132-1lid 2 luidt: 'Des décrets en Conseil d'État (...) peuvent déterminer des types de clausen qui doivent être regardées comme abusives au sens du premier alinéa.' In 2009 is art. L. 132-1 lid 2 door de LME gewijzigd (en bevat thans de bevoegdheid tot het instellen van een grijze en een zwarte lijst) maar de referentie aan lid 1 is blijven bestaan.
Een voorafgaande vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding strookt volgens Terré e.a. niet met de toetsing aan de definitie in lid 1 aan de hand van de gezichtspunten uit lid 5: Terré, Simler en Lequette 2005, nr. 324.
Terré, Simler en Lequette 2005, nr. 326. Ze spreken van een `muladon profonde' van de Franse aanpak van oneerlijke bedingen, van een breuk met het verleden. Zie ook Meilhac 1999, p. 306.
Tot aan 2009 is geen enkel decreet uitgevaardigd maar de vraag rijst of dit aan de verwijzing naar lid 1 kan worden verweten. Naar mijn idee is dat niet het geval.
Stoffel-Munck 1999, nr. 415-420.
Uitzondering is bijv. CA Agen 3 oktober 2006, nr. 05/01484.
Cass. Civ. 1' 28 april 1987, nr. 85-13674, Bull. civ. 1987 I, nr. 134, p. 103; Cass. Civ. 1' 16 juli 1987, nr. 84-17731, Bull. civ. 1987 I, nr. 226, p. 166; Cass. Civ. 1' 14 mei 1991, nr. 89-20999, Bull. civ. 1991 I, nr. 153, p. 101. Wel is er onder de 'oude' toets reeds acht geslagen op de overige inhoud van het contract en zelfs de `économie du comme: noot Bazin onder Cass. Civ. 1' 26 mei 1993, nr. 92-16327, Bull. civ. 1993 I, nr. 192, p. 132; JCP G 1993, II 22158.
Soms wordt de toetsing gebaseerd op de vergelijking met het wettelijk kader een beetje verruimd. Het voorbeeld van de toetsing van twee bij elkaar opgetelde rentebedragen in een kredietovereenkomst aan de wet toont aan dat de rechter soms voorafgaand aan de vergelijking met de wet de 'overige bedingen van de overeenkomst' in ogenschouw neemt: noot Raymond onder TI Vienne 14 maart 2003, CCC 2003, comm. 118 (het boetebeding was in samenhang met het rentebeding naar wettelijke maatstaven onredelijk hoog).
CA Aix-en-Provence 18 september 1995: een beding in een contract met een verzorgingstehuis dat de cliënt verplicht tot betaling van 90% van de kosten tijdens een ziekenhuisopname is niet oneerlijk: de kamer kan gedurende die tijd niet wonden gebruikt met het oog op de mogelijke terugkomst van de cliënt. Daarmee heeft dit beding een causa.
Stoffel-Munck 1999, nr. 433 stelt dat de reciprociteit een zeer abstract gezichtspunt is.
Lagarde 2006, nr. 8.
Cass. Civ. 1' 2 april 2009, nr. 08-11596.
CA Caen 13 maart 2008: de rechter vond de termijn redelijk gelet op de milieunormen, de normale veroudering van materialen en het belang van (beide) partijen om de hoge kwaliteit van de kampeerplaats te waarborgen.
Outin-Adam 2000, p. 2139. De `devoir de loyauté' noopt volgens haar tot een zoektocht naar een `équilibre contractuel réel' waarbij aandacht is voor de inhoud en aard van het contract gelet op de belangen van partijen.
Outin-Adam 2000, p. 2144.
Beschikt de consument in concreto over de mogelijkheid om te annuleren? Zijn de kosten hiervoor te hoog? Cass. Civ. 1' 29 oktober 2002, nr. 99-20265, Bull. civ. 2002 I, nr. 254, p. 195.
Art. 2 hield in dat de consument zich zou inspannen om binnen zijn relaties nieuwe klanten te werven voor het bedrijf en iedere maand een bedrag van 230 franken zou betalen. Art. 11 (het annuleringsbeding) hield in dat bij elke opzegging de consument voor de aanvankelijk met korting verkregen apparatuur een bedrag moest betalen (tot op hoogte van de koopprijs), waarop een paar kleine bedragen in mindering werden gebracht.
Cass. Civ. 1' 29 oktober 2002, nr. 99-20265, Bull. civ. 2002 I, nr. 254, p. 195.
40 franken per betaalde maandtermijn als 'prime de fidélité' en 10% commissie op de dankzij de inspanning van de consument gerealiseerde nieuwe installaties.
Lagarde 2006, nr. 9. Zie ook Cass. Civ. 1' 26 februari 2002, nr. 99-13912, Bull. civ. 2002 I, nr. 71, p. 53.
Fauvarque-Cosson 2007, p. 31.
Cass. Civ. 1' 13 november 1996, nr. 94-17369, Bull. civ. 1996 I, nr. 399, p. 279, waarover Stoffel-Munck 1999, nr. 414.
Stoffel-Munck 1999, nr. 411 e.v. (in nr. 436 spreekt hij zelfs van willekeur).
Stoffel-Munck 1999, nr. 436.
Stoffel-Munck 1999, nr. 419: 'les contreparties peuvent être dises.'
Lagarde 2006, nr. 8.
Stoffel-Munck 1999, nr. 419.
Er zijn bij de behandeling van de LME in de Franse Senaat twee amendementen ingediend (516 en 692) waarin het strikte peilmoment werd geschrapt. Volgens de indieners van deze amendementen zou deze aanpassing nodig zijn om het oneerlijke karakter van een beding t.t.v. de uitvoering van het contract te kunnen vaststellen. De regering achtte de rechter al zonder meer in staat om het oneerlijke effect van een beding t.t.v. de uitvoering van het contract vast te stellen en deze amendementen zijn niet aangenomen: sessie van 4 juli 2008. De regering doelt mogelijk op het feit dat, net als in het Nederlandse recht, het peilmoment niet de 'rechtsgevolgen (betreft) die in de overeenkomst worden verbonden aan gebeurtenissen die zich na het sluiten van de overeenkomst voordoen' terwijl indieners denkelijk een uitoefeningstoets op het oog hadden. Dit wordt niet duidelijk.
CA Parijs 7 mei 1998.
Cass. Civ. 1' 26 februari 2002, nr. 99-13912, Bull. civ. 2002 I, nr. 71, p. 53 (`oude' toets).
In Cass. Civ. 1' 27 november 2008, nr. 07-15226, Bull. civ. 2008 I, nr. 275 werd meegewogen dat 'les échéances du contrat de prêt immobilier liant M X... et le C... étaient régulièrement acquittées'.
TI Vienne 14 maart 2003, CCC 2003, comm. 118: in de uitspraak die volgde op het Cofidis-arrest heeft de rechter het litigieuze rentebeding vanwege zijn onduidelijkheid als oneerlijk aangemerkt, het boetebeding dat niet op zichzelf maar in samenhang met het (inmiddels uitgeschakelde) rentebeding naar wettelijke maatstaven onredelijk hoog was bleef `abusive' daar het peilmoment dat van de totstandkoming van de overeenkomst (en het rentebeding) is.
238. Dat de 'goede trouw' als wegingsinstrument in art. L.132-1lid 1 C.conso. ontbreekt, doet op het eerste gezicht af aan de openheid van de norm. Daar staat tegenover dat alle gezichtspunten uit art. 4 lid 1 richtlijn in de Franse wet zijn overgenomen. De Franse toets is met name gelet op het gezichtspunt 'alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst' ruim bedoeld. Art. L. 132-1 lid 1 jo. lid 5 C.conso. behelst volgens de literatuur 'une appréciation globale et concrete du contrat'.1 Dat in art. L. 132-1lid 2 C.conso. betreffende de bevoegdheid van de bestuurlijke macht om decreten vast te stellen naar lid 1 (de oneerlijkheidstoets) wordt verwezen,2 achten Terré e.a. daarom problematisch.3 De vaststelling van decreten vormt een abstracte bestuursrechtelijke toets waarin de aandacht op het beding zelf is gericht. De toets ex art. L. 132-1 lid 1 jo.
lid 5 C.conso. heeft echter oog voor de context.4 Het opstellen van decreten zou onmogelijk zijn geworden door de verplichte aandacht voor de omstandigheden van het geval, te beginnen met de overige bedingen van de overeenkomst.5 Ook de rechterlijke toetsing van een beding aan een decreet zou moeilijk te verenigen zijn met de noodzaak het oneerlijke karakter van een beding op grond van lid 1 in concreto vast te stellen.6
239. In de praktijk komt de toetsing aan art. L.132-1lid 1 C.conso., in lijn met de praktijk voorafgaand aan de omzetting van de richtlijn, zelden neer op een ruime omstandighedentoets.7 In Frankrijk, waar de oneerlijkheid wordt bepaald door de 'aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractspartijen ten nadele van de consument', richt de rechter zich voornamelijk op de vergelijking met het wettelijk kader en de inhoud van de overeenkomst. Nadat de rechter zich in de jaren tachtig de norm uit art. 35 loi Scrivener had toegeëigend (par. 4.2.2), is hij deze vrij abstract gaan toepassen. De aandacht ging voornamelijk naar het beding in verhouding tot de wet (decreten en Code civil)8 en het economisch machtsmisbruik-criterium werd niet geconcretiseerd. Verder verwees de 'oude' norm niet naar in acht te nemen gezichtspunten en omstandigheden. De vergelijking met de wet is na de omzetting van de richtlijnnorm nog steeds een veelvuldig gebruikte methode (par. 4.5.2). Overeenstemming en afwijking van het (aanvullend) recht volstaan doorgaans om de toetsing af te sluiten (par. 4.9.2).9
Na de omzetting van de gezichtspunten uit art. 4 lid 1 richtlijn in art. L.132-1lid 5 C.conso., is de Franse rechter niet overgegaan tot een ruime toetsingswijze. Hoewel de rechter op grond van de wet een zekere beoordelingsruimte geniet, houdt hij zich meestal aan een checklist bestaande uit wettelijke bepalingen of contractuele compensaties (zoals de objectieve causa).10 Wanneer een spiegelbeeldig recht als rechtvaardiging voor een nadelig beding wordt aangemerkt, wordt de contractuele balans op een zeer abstracte wijze benaderd, zonder aandacht voor de verdere omstandigheden van het geval.11 Hetzelfde geldt wanneer de hoofdverbintenis (de `cause') als compensatie wordt beschouwd.12 De toetsing wordt in voornoemde gevallen losgekoppeld van de context.
Waar in de collectieve toetsing de begrenzing van de toetsing tot het gezichtspunt 'de overige bedingen van de overeenkomst' begrijpelijk is, worden bedingen ook in individuele zaken meestal enkel in het licht van dit gezichtspunt beoordeeld.13 De keuze van de Franse rechter om de toetsing aan de open norm te beperken tot een vergelijking met het wettelijk kader of de beperkte balans vindt ruime ondersteuning in de tekst van art. L.132-1lid 1 C.conso., de jurisprudentie van de Cour de cassation (in zowel individuele als collectieve zaken, ook ten aanzien van de 'oude' toets), de lijsten en de aanbevelingen van de CCA.
240. Dat er zo nu en dan andere gezichtspunten in acht worden genomen dan de vergelijking met de wet en de andere bedingen van de overeenkomst vormt geen aanleiding voor een ruime afweging van belangen en omstandigheden. De zoektocht naar de `économie du contrat' verlegt de aandacht van de rechter voor de wet of de letter van het contract weliswaar naar de belangen en intenties van partijen14 maar deze toetsing blijft nogal summier. De op het reële contractsevenwicht gerichte aanpak, die wordt aangeduid als een 'conception effective des droits',15 vereist dat de belangen van de consument in acht worden genomen en wellicht zelfs voorop worden gesteld.16 In de praktijk wordt bij de toepassing van de `économie du contrat' slechts nagegaan of de consument in concreto over een recht beschikt.17
Een voorbeeld vormt de toetsing van een annuleringsbeding in een video-bewakingscontract. De lagere rechter achtte het annuleringsbeding18 gecompenseerd door de tegenprestatie van de gebruiker (een korting op de koopprijs). De Cour de cassation maakte een andere afweging en keek naar de kosten van de annulering.19 De bedragen die op het bij de annulering terug te betalen bedrag in mindering konden worden gebracht20 werden resp. Vérisoire' en `aléatoire' genoemd. De beoogde korting op de abonnementsprijs was illusoir en de consument beschikte de facto niet over het annuleringsrecht.21 De op de `économie du contrat' gebaseerde toetsing komt niet vaak voor22 en is meestal vrij beknopt.23
241. De Franse toets vormt op papier een brede omstandighedentoets maar is dat zelden in de praktijk. Ook in het kader van de individuele toets vindt meestal geen uitgebreide omstandighedentoets plaats. Er worden geen hoge eisen gesteld aan de stelplicht en bewijslast van de consument (par. 4.7.3). Al met al is de Franse toets door zijn focus op de wet en de causa naar ik meen vrij voorspelbaar. Die voorspelbaarheid wordt in de literatuur echter enigszins betwijfeld.24 Ten eerste bestaat er binnen een contract veel vergelijkingsmateriaal en is niet altijd duidelijk wat precies als compensatie kan gelden.25 Ten tweede is er geen geschikte meeteenheid om de gelijkwaardigheid van posities te bepalen.26 De kritiek is nog luider wanneer het aankomt op de toepassing van de `économie du contrat' - benadering. Het begrip `économie du contrat' wordt als vaag omschreven.27 De vaststelling van de `équivalence réelle' vormt een subjectieve toets waarbij in beginsel veel verschillende aspecten de doorslag kunnen geven.28
Peilmoment
242. Art. L.132-1lid 5 bepaalt, in lijn met art. 4 lid 1 richtlijn, dat de aanzienlijke verstoring moet worden vastgesteld 'au moment de la conclusion du contrat' .29Voor de preventieve of collectieve toetsing van bedingen, levert het peilmoment de sluiting van de overeenkomst — vanzelfsprekend geen belemmering op.30 het peilmoment wordt in individuele zaken doorgaans strikt in acht genomen.31 Een enkele keer wordt m.i. ten onrechte bij de toetsing aan art. L. 132-1lid 1 C.conso. de omstandigheid betrokken dat de consument zijn verplichtingen altijd is nagekomen (i.e. te goeder trouw was tijdens de uitvoering van het contract).32Het risico aan het peilmoment voorbij te gaan is echter beperkt gelet op de focus op de inhoud van het contract en de geringe aandacht voor de omstandigheden van het geval. De strikte naleving van het peilmoment levert een voordeel op voor de consument wanneer later optredende omstandigheden het oneerlijke karakter van het beding wegnemen.33