Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/28.4
28.4 Procedurele verschillen en overeenkomsten
mr. dr. R. Stijnen, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze procedures Stijnen 2011, deel II en deel III. Zie voorts R. Stijnen, ‘Een vergelijking tussen de rol van de straf- en bestuursrechter bij boeteoplegging’, Sanctierecht & Compliance 2014/2-3, p. 75-83.
Afdeling Advisering Raad van State, Ongevraagd advies sanctiestelsels, Analyse van enige verschillen in rechtsbescherming en rechtspositie van de justitiabele in het strafrecht en in het bestuursrecht, 13 juli 2015, Stcrt. 2015, 30280.
Zie bijv. CRvB 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362, AB 2014/159, m.nt. R. Stijnen.
Zie mijn noot bij CBb 12 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:327, AB 2018/42.
Zie de art. 315, 316, 414 Sv. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409 en HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2, NJ 2016/74 m.nt. red. Uit die rechtspraak kan overigens worden afgeleid dat de goede procesorde zich minder snel verzet tegen het in een zeer laat stadium overleggen van ontlastend materiaal dan belastend materiaal.
Stijnen 2011, p. 471-472.
Zie met name over de bestuurlijke lus de uitgebreide conclusie van Keus (ECLI:NL:RVS:2017:1034). Zie voor een beperkte opvatting inzake grondslagverlating CBb 22 september 2015, ECLI:NL:CBB:2015:330, JB 2015/194.
ABRvS 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1187, AB 2015/189, m.nt. O.J.D.M.L. Jansen. Ook hier lijkt te gelden dat aan de veronderstelde overtreder (iets) meer ruimte daartoe wordt geboden. Zie voor het uitbrengen van een aanvullend boeterapport eerder al CBb 17 november 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AR6034, AB 2005/81, m.nt. G.J.M. Cartigny.
ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1818, AB 2017/386, m.nt. R. Stijnen en ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1819, JB 2017/151, m.nt. C.L.G.F.H. Albers.
CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5064, RSV 2017/36 en CBb 12 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:327, AB 2018/42, m.nt. R. Stijnen.
Y.E. Schuurmans, ‘Rechtsvorming bewijsrecht in bestuurlijke boetezaken’, JBplus 2017/4.
Zie daarover de conclusie van Keus (ECLI:NL:RVS:2017:1034).
Vgl. CBb 2 februari 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BL5463, AB 2010/317, m.nt. O.J.D.M.L. Jansen en CBb 14 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:184, AB 2016/462, m.nt. A.M.L. Jansen. Soepeler lijkt de Centrale Raad van Beroep (CRvB 23 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1588, ABkort 2013/337 en CRvB 19 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3806, Gst. 2015/12, m.nt. M. West), maar de soms strengere lijn van het College kan mede worden verklaard doordat in het economisch bestuursrecht vaak ingewikkelde bewijskwesties spelen. In het mededingingsrecht komt daar de oriëntatie op de rechtspraak van de Unierechter bij.
CBb 3 december 2014, ECLI:NL:CBB:2014:438, JOR 2015/39, m.nt. V.H. Affourtit en CBb 9 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:107, JB 2016/128, m.nt. C.L.G.F.H. Albers.
CRvB 16 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7385, AB 2013/256, m.nt A.T. Marseille.
Zie in dit verband ook B.F. Keulen, ‘Strafrechter en consensualiteit’, DD 2014/71. Voorts kan in dit verband worden gewezen op de gewijzigde rol van de rechter-commissaris (art. 170 Sv) en de nadruk op het vooronderzoek. Zie E.T. Luining, De rol van de strafrechter: van waarheidsvinder naar regisseur van de proceslogistiek, masterscriptie (Leiden): 2015 (te vinden op njb.nl).
Duidelijk is aanstonds dat de klassieke strafvervolging een geheel andere procedure behelst dan die inzake de bestuurlijke boete. Waar in het strafrecht de verdachte door de officier van justitie wordt gedagvaard en de strafrechter zich op basis van het beslissingsmodel van de artikelen 348-350 Sv zal moeten buigen over de schuldvraag en de strafoplegging, worden bestuurlijke boetes ingeleid met een besluit tot boeteoplegging. Daar staat dan bezwaar tegen open bij het bestuursorgaan en vervolgens beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter. De strafbeschikking kent elementen van beide procedures. Die wordt immers ingeleid met een strafbeschikking door de officier van justitie, een aangewezen opsporingsambtenaar, of een aangewezen bestuursorgaan. Indien de officier van justitie na (tijdig) verzet de zaak alsnog aanbrengt bij de straf- rechter dan wordt de zaak verder als een gewone strafzaak behandeld.1 De Raad van State toonde zich in een ongevraagd advies kritisch over de omstandigheid dat bij een verzet tegen een strafbeschikking geen griffierecht wordt geheven maar wel bij een beroep tegen een bestuurlijke boete.2 In navolging van Europese rechtspraak is inmiddels wel duidelijk dat een rechtsgang bij de bestuursrechter na boeteoplegging door het bestuursorgaan voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM.3 Wel zien we dat soms wordt geworsteld met de vraag of er binnen het bestuursorgaan zelf met de nodige onvooringenomenheid tot boeteoplegging is overgegaan.4
Terwijl tijdens het strafproces in eerste aanleg en in hoger beroep nieuwe stukken door partijen kunnen worden overgelegd en nader onderzoek kan plaatshebben,5 de tenlastelegging kan worden gewijzigd, mits daardoor geen ander feit wordt vervolgd,6 en ook andere correcties worden toegepast op de strenge grondslagleer,7 werd in het bestuursrecht soms huiverig gedaan over de mogelijkheid om nieuwe stukken over te leggen, een boetebesluit te wijzigen of aanvullend onderzoek in de beroepsfase mogelijk te maken.8 Inmiddels zien we dat ook in boetezaken nog in een later stadium nieuwe stukken en argumenten door de bestuursrechter worden geaccepteerd,9 dat blijkens twee uitspraken van 5 juli 2017 van de grote kamer van de Afdeling de bestuurlijke lus wel (maar terughoudend) kan worden toegepast10 en dat niet alleen in bezwaar, maar ook – mede onder invloed van artikel 6:22 Awb – in beroep de juridische grondslag kan worden gewijzigd.11 Uit een oogpunt van de vereiste finaliteit (artikel 8:72a Awb) en effectieve handhaving is die verruiming zeker wenselijk en ook mogelijk (zie de artikelen 6:19, 6:22 en 8:51a Awb).
In een artikel in JBplus heeft Schuurmans niettemin kritiek, omdat noch in de uitspraken van de grote kamer van de Afdeling van 5 juli 2017 noch in de daaraan voorafgaande conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus wordt geëxpliciteerd waarom door de rechter terughoudend met nadere bewijsvoering door het bestuursorgaan in boetezaken moet worden omgegaan.12 Zij wijst er daarbij op dat in het strafrecht de materiële waarheidsvinding voorop staat en dat daarom de mogelijkheid tot wijziging van de tenlastelegging ook na het requisitoir en in hoger beroep nog mogelijk is. En zij wijst er op dat de mogelijkheid tot nadere stukkenuitwisseling, waaronder belastend bewijsmateriaal, als vanzelfsprekend wordt ervaren, omdat het onderzoek ter zitting traditioneel het centrale moment van waarheidsvinding in het strafproces is. De vraag van Schuurmans naar explicitering van uitgangspunten is terecht.
Laat ik de handschoen oppakken en enkele mogelijke verklaringen noemen. Eén verklaring is dat de wetgever zelf de bestuurlijke lus heeft willen uitsluiten in boetezaken, overigens zonder dit in de wet vast te leggen. Men dacht dat dit verbod reeds volgde uit artikel 8:72a Awb, omdat daarin is neergelegd dat de rechter zelf de zaak afdoet indien het boetebesluit moet worden vernietigd.13 Indien die lezing onverkort zou worden gevolgd dan zouden teveel boetebesluiten sneuvelen zonder herstelmogelijkheid. Om die reden is door bestuursrechters (zij het dus op terughoudende wijze) gelust in boetezaken. Een andere – en die noemt Schuurmans zelf ook – is dat de bestuurlijke boete wordt ingeleid met een besluit en dat artikel 3:2 Awb vereist dat het bestuursorgaan haar besluiten zorgvuldig voorbereidt. Daar komt bij dat er een herstelkans is in bezwaar. Ik voeg daar aan toe dat met name het College uit een oogpunt van verdedigingsrechten grote waarde hecht aan het boeterapport en dat dit boeterapport daarom in beginsel de buitengrens vormt van de boetebeslissing.14 Indien het bestuursorgaan er een potje van maakt en niet ingaat op gemotiveerde verweren, is het niet de bedoeling dat onbeperkt herkansingen aan het bestuur worden geboden. Ook dat kan een goede reden zijn om niet eerst in hoger beroep bewijs toe te laten of te lussen.15 Een andere reden om terughoudend te zijn met bewijsopdrachten is dat de bestuursrechter wil waken voor zijn onbevangenheid. Zo is het doen van gedetailleerde suggesties aan het bestuursorgaan ter zake van het uitvoeren van aanvullend onderzoek strijdig geacht met artikel 6 EVRM.16
Juist omdat het strafrecht zich van oudsher toch veel meer concentreert op de waarheidsvinding ter zitting en daar niet een uitgebreide besluitvorming met een bezwaarfase aan vooraf gaat, vind ik het niet raar dat de herkansing voor het bestuursorgaan bij de bestuursrechter beperkter is dan die voor het openbaar ministerie in strafzaken. Daar komt bij dat in grote strafzaken (zoals levensdelicten) ook wel wat anders op het spel staat dan bij een boetezaak in het ordeningsrecht. Opgemerkt zij ook dat in veel strafzaken na afloop van het vooronderzoek geen nadere bewijsvoering op tafel komt.17