Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/1.2
1.2 Aanleiding en belang
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS469146:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie in andere zin Willems 2000a, p. 30-31.
Blijkens het Rapport Cools/Kroeze 2009 zijn in de periode 1971-2007 in 316 procedures enquêteverzoeken toegewezen. Dit aantal is in 2008 verhoogd met 23 (daarnaast zijn in zes procedures de enquêteverzoeken aangehouden) en in 2009 (tot en met juni) met 17 (terwijl drie enquêteverzoeken zijn aangehouden).
Woorden van Willems: Willems 2000a, p. 38.
Woorden van Buijn & Storm: Sanders & Westbroek/Buijn & Storm 2005, p. 358.
Wel kan op grond van art. 2: 359 BW tegen de onderscheiden beschikkingen van de OK beroep in cassatie worden ingesteld, zowel door de vennootschap zelf (ongeacht of zij bij de OK is verschenen) als door degenen als bedoeld in art. 426 lid 1 Rv (‘Tegen beschikkingen op rekest kan beroep in cassatie worden ingesteld door degenen, die in een der vorige instantiën verschenen zijn, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak.’)
Vergelijk Hermans 2003, p. 136 e.v. Iets genuanceerder toont zich Wesseling-van Gent (2006, p. 353): de enquêteprocedure strijdt met art. 6 EVRM indien zij uitsluitend wordt ingezet als bewijsgaring voor een aansprakelijkstelling van bestuurders en/of commissarissen zonder dat hen in de onderzoeksfase het recht van hoor en wederhoor wordt toegekend.
Zie bijvoorbeeld Sanders & Westbroek/Buijn & Storm 2005, p. 357-358. Vergelijk ook de waarschuwende opmerkingen van Timmerman: Timmerman 2008, p. 149-150.
Art. 6 lid 1 eerste zin EVRM luidt: ‘Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.’
HR 4 juni 1997,NJ 1997, 671 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
EHRM 19 maart 2002,JOR 2002, 127 (Text Lite Holding, m.nt. De Kluiver).
Twijfel is bijvoorbeeld blijven bestaan bij Buijn en Storm: Sanders & Westbroek/Buijn & Storm 2005, p. 358-359.
3. Aanleiding voor de vraag of de enquêteprocedure gelet op haar aard, inrichting en de bevoegdheden van de Ondernemingskamer een geschikte procedure is om impasses tussen aandeelhouders te doorbreken, vormt de omstandigheid dat de procedure door de wetgever niet voor dit type geschilbeslechting is bedoeld. Naar uit hoofdstuk 2 zal blijken, stond de wetgever bij de introductie van de enquête- regeling in het Wetboek van Koophandel 1928 en de aanpassing ervan begin jaren’70 van de vorige eeuw een ander, betrekkelijk concreet, doel voor ogen1, te weten de bescherming van minderheidsaandeelhouders en, vanaf 1971, werknemers en certificaathouders van grotere ondernemingen tegen een gebrek aan openheid door de leiding en een onbevredigende gang van zaken. Hoewel de wetgever zich heeft bediend van een aantal vage termen – onder meer ‘gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ (art. 2: 350 lid 1 BW) en ‘wanbeleid’ (art. 2: 355 lid 1 BW) – heeft hij de enquêteprocedure nauw toegespitst op de verwezenlijking van dit doel.
Aanleiding voor de vraag op welke wijze en in welke mate de overwegingen van de Ondernemingskamer waarin zij individuele verantwoordelijkheden vaststelt, kunnen doorwerken in procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW, vormt de omstandigheid dat de Hoge Raad de procedure betreffende Laurus lijkt te hebben aangegrepen om zijn eerdere beschikking inzake OGEM Holding te nuanceren. De Hoge Raad heeft in de laatstgenoemde beschikking uitgemaakt dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat van wanbeleid is gebleken, bindende kracht kan hebben, ook in andere procedures (zie rechtsoverweging 5). Dit lijkt te impliceren dat de overwegingen van de Ondernemingskamer in latere aansprakelijkheidsprocedures gezag van gewijsde kunnen hebben als bedoeld in art. 236 Rv. Ons hoogste rechtscollege overweegt in de beschikking inzake Laurus echter dat zijn in OGEM Holding gegeven beslissing niet betekent dat de door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten in die latere procedures op voorhand vaststaan, zelfs niet behoudens tegenbewijs, zij het dat het onder omstandigheden wel denkbaar is dat de aansprakelijkheidsrechter ‘voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen’ (rechtsoverweging 3.8).
4. Het belang van het onderzoek naar de vraag of de enquêteprocedure een geschikte procedure is om impasses tussen aandeelhouders te doorbreken, is gelegen in het feit dat de procedure zich blijkens de jurisprudentie wat betreft deze impasses heeft ontwikkeld tot een belangrijke rechtsgang. De Ondernemingskamer heeft in de periode vanaf 1971 tot heden in ten minste 60 impasseprocedures voorzieningen getroffen als bedoeld in art. 2: 356 BW, terwijl in de periode ná 1994 in ten minste 135 impassezaken onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2: 349a lid 2 BW zijn getroffen. Het aandeel van de impassezaken in het totale aantal enquêteprocedures waarin enquêteverzoeken zijn toegewezen (circa 356 in getal2), is echter groter. Zo heeft de Ondernemingskamer in tientallen impasseprocedures geen onmiddellijke voorzieningen getroffen omdat ter zake geen verzoek is ingediend (in verscheidene impassezaken is alleen verzocht om het instellen van een onderzoek) of de aandeelhouders op een andere wijze tot een oplossing voor de problemen zijn gekomen.
Het onderzoek naar de vraag op welke wijze en in welke mate de overwegingen van de Ondernemingskamer waarin zij individuele verantwoordelijkheden vaststelt, kunnen doorwerken in procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) BW, is van belang omdat in ons aansprakelijkheidsrecht de gedachte diep geworteld is dat aansprakelijkheidsvraagstukken dienen te worden behandeld in een dagvaardingsprocedure met alle daaraan verbonden waarborgen. Hoewel het begrijpelijk is dat aandeelhouders en werknemers wensen dat de Ondernemingskamer ‘falend functionerende beleidsbepalers corrigeert’ respectievelijk de schuldeisers er bij zijn gebaat ‘dat de faillissementskas op peil wordt gebracht’3, wordt het bezwaarlijk geacht dat eerdere beslissingen van de Ondernemingskamer over de feiten er toe leiden dat bestuurders en commissarissen in de latere aansprakelijkheidsprocedure moeten strijden ‘met beide handen op de rug gebonden’4 en geen reële mogelijkheid hebben zich te disculperen. De enquêteprocedure, die is gericht tegen de vennootschap, is een verzoekschriftprocedure met maar één feitelijke instantie.5 Bovendien vervult het onderzoeksverslag in de oordeelsvorming door de Ondernemingskamer een centrale bewijsrechtelijke functie, hoewel de onderzoeksfase niet van bijzondere processuele waarborgen is voorzien: zo hebben bestuurders en commissarissen geen invloed op het onderzoek en behoeven zij daarin ook niet door de onderzoeker te worden betrokken. De beschikking inzake OGEM Holding heeft zelfs de vraag opgeroepen of de enquêteprocedure6 respectievelijk de latere aansprakelijkheidsprocedure7 wel in overeenstemming is met de in art. 6 EVRM vervatte vereisten.8 Deze twijfel is ook door de latere beschikkingen van de Hoge Raad betreffende Text Lite Holding9en Laurus en de uitspraak van het EHRM in de procedure inzake Text Lite Holding10niet bij allen weggenomen.11