Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/3.2.1
3.2.1 De rol van de rechtszekerheid als grondslag van de korte verjaringstermijn
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973532:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze verjaringstermijnen worden in de literatuur ook wel aangeduid als ‘relatieve verjaringstermijnen’ of ‘subjectieve verjaringstermijnen’. Dit vanwege de aanknoping voor de bepaling van het aanvangsmoment van de termijn bij de subjectieve wetenschap van de schuldeiser ten aanzien van de betreffende vordering. Ik kies voor het vervolg van dit hoofdstuk voor de term ‘korte verjaringstermijn’.
Idem.
Smeehuijzen 2008, p. 35 e.v.; Valk 1993, p. 74; Brunner 2001, p. 244; Smeehuijzen 2003, p. 1.
TM, Parl. Gesch. BWBoek 3, p. 923.
MvT, Parl. Gesch. BWBoek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1407.
Eindverslag, Parl. Gesch. BWBoek 3, p. 919.
Zie over de rechtszekerheidsgedachte van de wetgever achter de korte verjaringstermijnen in het NBW ook uitgebreid Barbiers 2020.
HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 (Saelman), r.o. 3.4.
Idem.
Idem.
Zie HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047, NJ 2019/246, r.o. 3.3.3 (kantoorgenoten en ikzelf waren bij deze zaak betrokken).
Zie in die zin ook Barbiers 2020, p. 351.
Zie in die zin J.E. Jansen 2009, p. 215-217.
Zie HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748, NJ 2000/15; HR 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2934, NJ 2000/16; het betreft een heftige casus, te weten een geval van seksueel misbruik en kindermishandeling, die zodanig psychisch leed veroorzaakten dat de benadeelde om die reden niet in staat was eerder in actie te komen; vgl. op dit punt Van Swaaij 2017.
In de literatuur is betoogd dat de korte verjaringstermijnen van art. 3:307-3:311 BW1 in conceptuele zin als rechtsverwerking moeten worden gezien.2 Dit betoog is gestoeld op een sterke relativering van de rechtszekerheid als doel en rechtvaardiging van de korte verjaringstermijnen. Die relativering wordt niet gezocht in het individuele rechtszekerheidsbelang dat met verjaring is beoogd voor de debiteur. Men richt de pijlen vooral op het veronderstelde algemene rechtszekerheidsbelang voor de rechtsgemeenschap dat met de korte verjaringstermijnen zou zijn gediend.3
Het algemene rechtszekerheidsbelang is door de wetgever mede aan de keuze voor invoering van de korte, vijfjarige verjaringstermijnen ten grondslag gelegd. In de Toelichting Meijers werd de destijds bestaande verjaringstermijn van 30 jaar te lang geacht.4 De keuze voor verkorting is daarna in meer detail door de wetgever zowel gemotiveerd met redenen die zijn gestoeld op individuele rechtszekerheid van de crediteur als redenen die zijn ingegeven door een algemeen rechtszekerheidsbelang. In dat verband spreekt de wetgever van het belang van een vlot lopend rechtsverkeer, ‘mede met het oog op de belangen van de schuldenaar en de rechtszekerheid’:
“Bij deze opzet hebben de volgende overwegingen een rol gespeeld. Enerzijds verdient een bekorting van de termijnen van extinctieve verjaring in beginsel aanbeveling. De mogelijkheid nog aangesproken te kunnen worden dwingt de schuldenaar zijn bewijsmateriaal (kwitanties, girostrookjes, bankafrekeningen, bewijsstukken van een eventuele wanprestatie of ontbinding enz.) te bewaren. Dit brengt kosten mee, die in de sfeer van bedrijf en beroep soms aanzienlijk kunnen oplopen. Ook kan het zijn dat de schuldenaar door het verstrijken van de tijd in bewijsnood raakt, omdat getuigen onvindbaar geworden zijn, hij stukken die derden onder zich hadden, niet meer kan opvragen, of ook omdat hij niet meer de mogelijkheid heeft tot nader onderzoek van hetgeen is voorgevallen. Bekorting van de verjaringstermijn stemt ook overeen met de eis van een vlot verlopend rechtsverkeer, waarin schuldeisers hun vorderingen binnen redelijke tijd moeten instellen, zulks mede met het oog op de belangen van de schuldenaar en de rechtszekerheid. Heeft de schuldeiser meer tijd nodig dan kan hij de verjaring stuiten, wat volgens art. 3.11.17 mogelijk is bij een enkele brief en waardoor de schuldenaar gewaarschuwd wordt, zodat hij zijn bewijsmateriaal e.d. kan vasthouden.”5 [cursivering HB]
Door de rechtszekerheid apart te benoemen naast de individuele schuldenaarsbelangen, is duidelijk dat de wetgever het oog heeft op een meer veralgemeniseerde vorm van rechtszekerheid.
De minister benadrukt bij de introductie van het huidige art. 3:310 lid 5 BW – een subjectieve verjaringstermijn bij letsel- of overlijdensschade – bovendien de rechtszekerheidsfunctie van verjaring in termen van het algemene belang van voorspelbaarheid van dergelijke regels:
“Daar komt bij dat bij verjaringsregels de rechtszekerheid van grote betekenis is, en dat voor betrokken partijen de behoefte aan duidelijke en voorspelbare regels groot is.”6
Verder wordt in de wetsgeschiedenis onderkend dat de introductie van de korte verjaringstermijnen het leerstuk rechtsverwerking zal terugdringen:
“Het verdient daarom de voorkeur uit te gaan van een lange algemene termijn – welke termijn zoals vanuit de commissie terecht wordt opgemerkt, vaak zijn betekenis zal verliezen omdat men zich al eerder op rechtsverwerking kan beroepen, – maar uitbreiding te geven aan de bijzondere gevallen waarvoor een korte termijn geldt (…).”7
Deze opmerking onderschrijft dat met de korte verjaringstermijnen is beoogd voorspelbaarder regels te introduceren. Daarin ligt een algemeen rechtszekerheidsbelang besloten.8
Men zou dus kunnen zeggen dat met verjaringsregels in eerste instantie een rechtszekerheidsbelang wordt gediend. Het gaat om een algemene verkeersfunctie, die als risico in zich draagt dat vorderingen verjaard moeten worden geacht waar in het individuele geval nog geen relevant nadeel voor de debiteur is ontstaan als gevolg van het talmen van de schuldeiser. Met de korte verjaringstermijnen is echter in zoverre ook de gerechtigheid in het individuele geval gediend, dat de termijn een subjectief aanvangsmoment kent. Deze gedachte ligt ook besloten in de overvloedige rechtspraak van de Hoge Raad van de afgelopen twintig jaar over de korte verjaringstermijn van met name art. 3:310 lid 1 BW. In het ‘landmark-arrest’ Saelman uit 2003, dat nog altijd de huidige toetsingsmaatstaf voor de bepaling van het aanvangsmoment van de korte termijn weergeeft, overweegt de Hoge Raad dat aan de korte verjaringstermijn ex art. 3:310 lid 1 BW niet alleen de rechtszekerheid, maar ook ‘de billijkheid’ ten grondslag ligt. De Hoge Raad contrasteert die bevinding nadrukkelijk met het bestaansrecht van de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, waaraan alleen of hoofdzakelijk de rechtszekerheid ten grondslag ligt. De Hoge Raad begint in Saelman met een overweging over de ratio van de lange termijn:
“Art. 3:310 lid 1 BW bevat twee verjaringstermijnen: een korte van vijf jaren die begint te lopen op de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en een lange van twintig jaren, die begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Aan deze lange termijn ligt blijkens de wetsgeschiedenis en de daarmee strokende, vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15.801, NJ 1998, 380) de rechtszekerheid ten grondslag. Deze termijn begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zelfs als de benadeelde met het bestaan van zijn vordering niet op de hoogte is (met dien verstande dat een grond voor verlenging van de verjaring bestaat in het geval van art. 321 lid 1, aanhef en onder f, BW).”9
Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de korte verjaringstermijn, in tegenstelling tot de lange termijn, niet alleen in het teken van de rechtszekerheid staat:
“De korte verjaringstermijn daarentegen, waarom het in dit geding gaat, staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid.”10
In die context besteedt de Hoge Raad vervolgens aandacht aan het subjectieve karakter van de bepaling van het aanvangsmoment van deze termijn:
“De voormelde eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid (HR 6 april 2001, nr. C99/158, NJ 2002, 383; vgl. ook HR 20 april 2001, nr. C99/293, NJ 2002, 384), zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat (HR 24 januari 2003, nr. C02/011, NJ 2003, 300). (…) Tegen de achtergrond van voormelde rechtspraak en in het licht van de mede naar aanleiding van deze arresten verschenen literatuur komt de Hoge Raad thans tot het oordeel dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen.”11
Deze overwegingen moeten zo worden begrepen, dat het rechtszekerheidselement van de korte verjaringstermijn schuilt in de vaste termijn van vijf jaar. Het billijkheidselement ligt op zijn beurt besloten in het subjectieve aanvangsmoment van de termijn. Daarin schuilt immers het verschil met de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW. De Hoge Raad contrasteert beide regelingen in de hiervoor geciteerde overweging niet voor niets zo expliciet.
Omstandigheden die zich voor het eerst voordoen nadat de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen kunnen in beginsel niet verhinderen dat de verjaringstermijn doorloopt. Ook is vervolgens niet relevant of de schuldenaar door verloop van vijf jaren daadwerkelijk is benadeeld. Die afweging heeft de wetgever reeds in algemene zin gemaakt door de vaststelling van een vijfjarige wettelijke verjaringstermijn. Alleen de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid kan de schuldeiser na afloop van de korte verjaringstermijn nog te hulp schieten. De Hoge Raad maakt met zoveel woorden uit dat het feit dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW ‘mede’ de billijkheid dient, niet aan een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid in de weg hoeft te staan:
“Een beroep op verjaring, waaronder begrepen een beroep op het niet stuiten van de verjaring, kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Dat het aanvangstijdstip van de korte verjaringstermijn mede door de billijkheid wordt bepaald (HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168 ([…]), rov. 3.4), staat, anders dan onderdeel 1.1 betoogt, niet eraan in de weg dat de omstandigheden die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”12
Hieruit volgt dat ‘de billijkheid’ weliswaar mede ten grondslag ligt aan de korte verjaringstermijn, maar dat nu ook weer niet kan worden gezegd dat de korte verjaringstermijn alleen zijn grondslag vindt in de redelijkheid en billijkheid. Hier toont zich een betekenisvol verschil met rechtsverwerking. Dat leerstuk is alleen geworteld in de redelijkheid en billijkheid.13
In dit licht zou de vraag kunnen rijzen of, gelet op het feit dat rechtsverwerking een species van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid is, een beroep daarop slechts aan verjaring in de weg zou kunnen staan als de schuldeiser zijn recht nog niet heeft verwerkt.14 Die opvatting acht ik onjuist. Dat zou een vrij lage drempel met zich brengen voor het aannemen van een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid van schuldeiserszijde in reactie op een verjaringsberoep van de schuldenaar. Volgens mij geldt onverkort de gebruikelijke hoge drempel van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, namelijk onaanvaardbaarheid. Dat valt af te leiden uit oudere verjaringsrechtspraak van de Hoge Raad over de korte termijn, waarin de Hoge Raad een beroep op die termijn vooral naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht als de schuldeiser door toedoen van de schuldenaar zijn vordering niet binnen de termijn geldend heeft kunnen maken.15