Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/2.3.1
2.3.1 Inleiding
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS448667:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de – korte – voorgeschiedenis: Florijn (1995), p. 91-96.
Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek, vierde gedeelte (Boek 7), ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en uitgeverijbedrijf 1972 (‘het groene boek’).
Vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek, Kamerstukken II, 2002/03, 28 746, nr. 2.
Zie voor het oorspronkelijke wetsvoorstel: Zaman (2003), p. 3-7, Tervoort (2003a), p. 362- 370, Van Veen (2003), p. 32-37, Maeijer (2004), p. 1-9 en uitvoerig: Hamers & Van Vliet (2004). Zie voor het wetsvoorstel na aanvaarding door de Tweede Kamer: Kaddouri (2005), p. 53-60 en Zaman (2007), p. 809-814.
Aanpassing van de wetgeving aan en invoering van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek (Invoeringswet titel 7.13 Burgerlijk Wetboek), Kamerstukken II, 2006/ 07, 31 065, nr. 2.
Zie voor een algemeen overzicht: Van Olffen (2007), p. 758-764, Tervoort (2007), p. 486-493.
Kamerstukken I, 2011/12, 28 746 en 31 065, D, p. 1. Zie inzake het voornemen tot intrekking over te gaan: Kamerstukken I, 2010/11, 28 746 en 31 065, C, p. 1-2.
Op 25 april 1947 is aan de Leidse hoogleraar Meijers de opdracht verstrekt tot het ontwerpen van een Nieuw Burgerlijk Wetboek.1 In dat kader is ook de herziening van de overeenkomst van vennootschap ter hand genomen. In 1972 verscheen de tekst van Boek 7 van het ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek, handelend over de bijzondere overeenkomsten.2 Titel 13 daarvan, van de hand van de Nijmeegse hoogleraar Van der Grinten (hierna ook: ‘Ontwerp-Van der Grinten’), bevatte een geheel nieuw opgezette regeling van de personenvennootschap. Dit onderdeel van het ontwerp heeft nooit kracht van wet verworven. Na een stilstand van enige decennia is in de laatste jaren van de vorige eeuw de draad weer opgepakt en kreeg de eveneens Nijmeegse hoogleraar Maeijer door het Ministerie van Justitie de opdracht om samen met vertegenwoordigers van het Ministerie een nieuwe wettelijke regeling van de personenvennootschap te concipiëren. Op 24 december 2002 is het resultaat van hun werkzaamheden in de vorm van wetsvoorstel 28 746 strekkende tot vaststelling van titel 13 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek3 aan de Tweede Kamer aangeboden (hierna ook: ‘wetsvoorstel Personenvennootschappen’). Het bouwt voort op het door Van der Grinten opgestelde ontwerp, maar wijkt op een aantal wezenlijke punten in niet-onaanzienlijke mate daarvan af.4 Het is, na in de parlementaire behandeling op enkele punten te zijn geamendeerd, op 25 januari 2005 door de Tweede Kamer aangenomen. Op 6 juni 2007 is onder nummer 31 065 het voorstel van de Invoeringswet5 bij de Tweede Kamer ingediend. Hierin worden voorstellen gedaan voor de aanpassing van de wetgeving, waaronder ook de fiscale wetgeving, aan de invoering van titel 7.13 BW en wordt het overgangsrecht geregeld.6 Daarnaast worden nog een aantal inhoudelijke wijzigingen in titel 7.13 BW aangebracht. Ook dit wetsvoorstel heeft in de loop van de parlementaire behandeling een aantal wijzigingen ondergaan. Het is op 15 december 2009 door de Tweede Kamer aangenomen. Beide wetsvoorstellen zijn na fundamentele kritiek vanuit de Eerste Kamer op 15 december 2011 door de Minister van Veiligheid en Justitie ingetrokken met als argument dat de daarin opgenomen regeling naar zijn opvatting niet voldeed aan haar primaire doelstelling, namelijk het faciliteren van ondernemers.7
Zowel in het Ontwerp-Van der Grinten als in wetsvoorstel Personenvennootschappen keert het bestuursverbod terug, zij het in gewijzigde – en onderling sterk verschillende – vorm. Hieronder zal eerst in 2.3.2 de nieuwe regeling van het bestuursverbod in het Ontwerp-Van der Grinten worden besproken, en in 2.3.3 die zoals opgenomen in het wetsvoorstel Personenvennootschappen.