Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.F.3
3. Diversiteit subsidieregelingen, de bomen en het bos…
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS476154:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6224.
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6240 (2e kolom).
Zie bijv. W. Kuindersma, en T.A. Seines. De stille revolutie van het ILG, p. 32.
Zie o.a. J.W.A. Rheinfeld, ‘Kavelruil anno 2010: de stand van zaken’.
D.W. Bruil, A. Verduijn, ‘Herverkaveling en kavelruil: katalysatoren voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 65
Bovendien is het, gezien de actuele ontwikkelingen t.a.v. het ILG en het Natuurakkoord (zie onderdeel F.6 van dit hoofdstuk), de vraag hoe lang de praktijk nog ‘opgescheept zit’ met de huidige subsidieverordeningen. Een intensief (en tijdrovend) onderzoek naar het gehele huidige verordeningenspectrum zou derhalve op relatief korte termijn slechts historische waarde kunnen hebben. Dit is zelfs deels al het geval. Vanwege het voorgaande is er eveneens voor gekozen om verwijzingen naar reeds verlopen subsidieregelingen niet te actualiseren: het gaat primair om het schetsen van een algemeen beeld, om aan te tonen dat de diverse subsidieregelingen op inhoudelijk gebied aanzienlijk van elkaar verschillen.
Aldus B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: JBN 2007/10.
Uit art. 4.1.1 lid 2 sub a onder ii van de Uitvoeringsverordening subsidie inrichting Landelijk Gebied provincie Utrecht blijkt dat de provincie subsidieert indien de gronden voor meer dan 50% in de provincie Utrecht liggen
Aldus D.W. Bruil, A. Verduijn, ‘Herverkaveling en kavelruil: katalysatoren voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 65.
Zie tevens B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil 11’, p. 14.
Provincie Noord-Holland: art. 3.1 lid 9 PMJP 1LG deel B - Subsidiecriteria 2011, resp. art 2.1.1.2 PMJP 2007-2013, mits sprake is van een ‘ondersteunde kavelruil’.
Hieronder worden cultuurtechnische werken verstaan zoals: het aanpassen of aanbrengen van dammen, dijken, wegen, sloten of greppels en/of de aanleg van drainage.
Art. 2.1 Subsidieverordening inrichting landelijk gebied Zeeland en art. 1.1 Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied (SILG) Limburg.
Art. 2.1.1.1 lid 3 sub a PMJP 2007-2013 Gelderland, deel 3: Het subsidiekader.
Art. 9.5.2 sub e Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2011. Zie ten aanzien van deze eis onderdeel F.4 hierna.
Provincie Noord-Holland, art. 3.1 lid 9 PMJP 1LG deel B - Subsidiecriteria 2011.
Zie onderdeel G.6.h van het vorige hoofdstuk. Hetzelfde gold overigens onder de Rvkw 1954. Zie hiervoor onderdeel F.6 van het vorige hoofdstuk.
Het onderzoeksrapport, dat niet officieel gepubliceerd is, is gedurende de periode 2009-2011 te raadplegen geweest op de website van de VASN: http://www.vasn.nl
O.a. Provincie Zeeland (4-12 maanden), Provincie Overijssel (9 maanden), Provincie Utrecht (6 maanden).
O.a. Provincies Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg.
V.w.b. het kadastraal recht bij een kavelruil nog het volgende: dit recht wordt berekend o.b.v. het tarief voor verkrijging van gehele percelen. Ook de kosten van uitmeting (welke meting na inschrijving van de akte van verdeling wordt toegepast) worden doorberekend in het kadastraal recht. Indien bij een kavelruil meerdere gedeeltelijke kadastrale percelen zijn betrokken, verdient het daarom aanbeveling om vooraf (voor de opstelling van de overeenkomst) uitmeting door het Kadaster te laten verrichten, waardoor de betreffende perceelsgedeelten worden vernummerd tot gehele percelen. Bij de opstelling van de ruilverkavelingsovereenkomst worden dan uitsluitend gehele percelen ingebracht en kunnen de kosten van de uitmeting voor subsidie in aanmerking komen, omdat zij nu onder de ‘notariële kosten’ als bedoeld in de diverse provinciale subsidieregelingen vallen.
Wet van 3 april 1999, Stb. 1999, 190. Hierna tevens: Wna.
Door de wijziging van de Wna per 1 januari 2013 is aan artikel 23 lid 2 sub c toegevoegd: behoudens voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van het ambt of voor persoonlijke doeleinden.’ Door deze toevoeging is het voorschieten van dergelijke kosten door de notaris geoorloofd. Directe aanleiding tot de wijziging vormde de ‘Edelweiss-executeur’, waarover uitgebreid B.M.E.M. Schols, ‘Erfrechtelijke noblesse oblige?’, in: WER 2011/1454. In dit verband kwam de vraag op of, gezien de hoofdelijke aansprakelijkheid van de notaris voor de erfbelasting ex art. 42IW ‘90, art. 23 Wna voor de notaris een beletsel vormde om als executeur op te treden. Zie tevens Notamail 2011/294.
Aldus J.W.A. Rheinfeld, ‘Kavelruil anno 2010: de stand van zaken’.
Zie bijv. het Mandaatbesluit LNV - Dienst Landelijk Gebied Noord-Holland 2008-2013. Zie tevens D.W. Bruil, A. Verduijn, ‘Herverkaveling en kavelruil: katalysatoren voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 66.
Zie onderdeel G.6.g, nt. 481 van het vorige hoofdstuk.
Reeds tijdens de parlementaire behandeling van de WILG werd gewezen op het ontstaan van de hiervoor vermelde ‘wildgroei’ aan provinciale subsidieregelingen. Zo spreekt Kamerlid Slob van een mogelijke ‘subsidiewarboel’.1 De minister ontkent dit niet, maar accepteert deze ontwikkeling en stelt aldus:
“De uitvoering van het gebiedsgerichte beleid zal verschillen tussen provincies doen ontstaan. Dat is inherent aan de keuze om het beleid van het Rijk op dit punt bij de provincies te leggen. Het gaat hier om uitvoering van gebiedsgericht beleid op een integrale wijze.”2
Ook in de literatuur wordt dikwijls gewezen op de mogelijke gevaren van een te omvangrijke beleidsvrijheid van de provincies.3 De roep om een blijvende focus op een integrale benadering wordt meermaals gehoord.4 Gezien de (hiervoor besproken) inhoud van de MTR en de (hierna te bespreken) ontwikkelingen in de periode 2010-2013, kan de vraag gesteld worden of de integrale benadering in elke afzonderlijke provincie thans nog de boventoon voert.
Desalniettemin zal de kavelruilpraktijk het (voorlopig nog?) moeten stellen met het huidige palet aan provinciale subsidieverordeningen. Om binnen het bestek van dit onderzoek de lezer een overzicht te bieden van de diverse verordeningen en de daarin getroffen regelingen ten aanzien van de kavelruil, is beslist geen sinecure. Bruil en Verduijn geven de (actuele) situatie als volgt weer:
“Het is nog niet zo eenvoudig om de provinciale subsidieregelingen via de websites van de provincies op het spoor te komen. In een woud van persberichten en verslagen van provinciale staten is de juridische informatie vrijwel niet, of alleen na lang zoeken, te vinden. 5
Ik kan deze weergave uit eigen ervaring van harte onderschrijven. Omwille van de begrenzing van mijn onderzoek heb ik er daarom voor gekozen niet tot het opstellen van een uitputtend overzicht over te gaan, maar slechts enkele voorbeelden ter illustratie te geven, die mijns inziens voldoende informatie bevatten om een algemeen beeld ten aanzien van de inhoud van de onderscheiden subsidieregelingen te kunnen geven.6
Als eerste moet, wellicht ten overvloede, worden opgemerkt dat subsidiëring van de aan de kavelruil verbonden notariële kosten geen verplichting is voor de diverse provincies: gehele of gedeeltelijke vergoeding van deze kosten kan onderdeel uitmaken van de provinciale subsidieregeling.7
Dat gezegd hebbende, is het algemene beeld dat de meeste provincies wel een bijdrage aan de (notariële) kosten voor kavelruil, binnen het grondgebied van hun eigen provincie, 8 geven.9 De omvang van de subsidie, alsmede de kostensoorten die voor vergoeding in aanmerking komen, lopen echter nogal uiteen. Ook blijken de civielrechtelijke eisen van de artikelen 85-88 WILG en artikel 31a BILG niet de (enige) maatstaf voor de toekenning van de subsidies te zijn.10
Zo worden in de provincies Noord-Holland en Gelderland, naast de notaris- en kadasterkosten ook de proceskosten voor een kavelruilproject (de werkzaamheden van gebiedsmakelaars, kavelruilstichtingen en andere betrokken instanties) vergoed.11 Hetzelfde geldt voor de vergoeding van kavelaanvaardingswerken.12 Daartegenover vergoeden de provincies Zeeland en Limburg slechts een maximumbedrag per hectare.13 Ook qua (aanvullende) subsidievereisten lopen de regelingen per provincie uiteen: zo verbiedt de provincie Gelderland dat gebouwen worden betrokken in een kavelruil, 14 terwijl de provincie Overijssel eist dat de kavelruil een bijdrage levert aan verbetering van de inrichting van het landelijk gebied.15 Ten slotte wordt er ook onderscheid gemaakt in de eindbegunstigden bij een kavelruilproject: zo vergoedt de provincie Noord-Holland de notaris- en kadasterkosten volledig indien de eindbegunstigde een overheid of de Stichting ter verbetering van de agrarische structuur (Stivas) is en voor 90% indien de eindbegunstigde een private partij of een andere organisatie dan Stivas is.16
Deze verscheidenheid komen de overzichtelijkheid en uniformiteit, die benodigd zijn voor een succesvolle en brede toepassing van de (vrijwillige) kavelruil in de provincies, zeker niet ten goede. Ter vergelijking: onder het regime van de Landinrichtingswet werd, indien de kavelruilovereenkomst werd goedgekeurd, in alle gevallen een subsidie verleend voor 100% van de notaris- en kadasterkosten, ongeacht binnen welke provincie het kavelniilproject werd uitgevoerd17
Behalve de grote verschillen op het terrein van de subsidievereisten en de omvang van de subsidie, bestaan er tussen de diverse provincies ook enorme verschillen in behandelingstermijnen van subsidieaanvragen. De Vereniging voor Agrarisch Specialisten in het Notariaat (VASN) heeft zich in 2009 verdiept in de diverse procedures van uitbetaling van subsidies ten behoeve van de kavelruil, gerekend vanaf het moment van passeren van de akte van kavelruil door de notaris.18 Het onderzoek leerde dat een groot aantal provincies te ruime termijnen voor uitbetaling hanteerde, 19 dan wel helemaal geen procedure kende.20
De VASN heeft alle provincies vervolgens verzocht om tot snelle uitbetaling van de subsidie over te gaan en heeft daarbij gewezen op het probleem dat hierdoor ontstaat, te weten de verboden voorfinanciering door het notariaat van (met name) de kadasterkosten (uitmetings- en inschrijvingskosten) die verschuldigd zijn op het moment dat de akte van kavelruil wordt gepasseerd.21Artikel 23 lid 2 van de Wet op het Notarisambt, zoals dit artikellid tot 1 januari 2013 luidde, 22 leerde namelijk dat de notaris niet mag instaan voor schulden van derden.23 De KNB heeft daarom gevraagd of het Kadaster bereid is de incasso van zijn nota op te schorten tot de subsidie is ontvangen. Het Kadaster heeft daarop negatief geantwoord. Dit betekende tot 1 januari 2013 dat het passeren van de akte van kavelruil alleen kon plaatsvinden indien de kadasterkosten bij het passeren van de akte door de deelnemers aan de kavelruil aan de notaris waren voldaan.
De reacties op het verzoek van de VASN verschilden per provincie. Een aantal provincies had zijn zaken inmiddels al op orde gebracht. Sommige provincies hebben aangegeven zich nader in de uitbetalingsprocedures te zullen verdiepen en andere provincies hebben totaal niet gereageerd.
Overigens: een praktische en in de praktijk regelmatig gebruikte oplossing om het tot 1 januari 2013 geldende verbod op voorfinanciering door de notaris te ontgaan was om, bij aanvang van de kavelruil, alle deelnemende partijen een voorschot te laten betalen ter dekking van de kadasterkosten die gemoeid zijn met de kavelruil. Deze oplossing verandert uiteraard niets aan de overige problemen die mogelijk ontstaan door de te ruime termijnen van uitbetaling van de subsidiegelden door sommige provincies. Daarbij moet met name gedacht worden aan vertraging en stagnatie in het kavelruilproces. Aansporing van de provincies op een snelle uitbetaling van de gelden blijft dus, ook na het vervallen van het verbod op voorfinanciering, nodig, aangezien de snelheid van de kavelruilprocedure juist één van de redenen is waarom het landinrichtingsinstrument zo populair is.24
Ter afsluiting van dit onderdeel nog de volgende constatering: in de provinciale verordeningen zijn tevens aanvraagprocedures opgenomen, op grond waarvan een besluit tot goed- of afkeuring van de kavelruil wordt genomen door Gedeputeerde Staten. Sommige provincies maken in dit kader gebruik van mandaatbesluiten.25 Bij mij gaan de gedachten bij het lezen van deze passages in de verordeningen onmiddellijk terug naar de werkwijze onder de Landinrichtingswet.26