De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/6.3.4:6.3.4 Hoge Raad YVC IJsselwerf
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/6.3.4
6.3.4 Hoge Raad YVC IJsselwerf
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS383680:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak-YVC IJselwerf stelt de or zich op het standpunt dat een (voorgenomen) besluit tot het aanvragen van surseance gelijk is aan het besluit tot beëindiging van de activiteiten van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming.1 De Ondernemingskamer concludeert dat de ondernemer de or om advies had moeten vragen, ondanks de omstandigheid dat een aanvraag tot surseance niet leidt tot de beëindiging van de onderneming. De Ondernemingskamer overweegt dat het gegeven dat de ondernemer gedurende surseance van betaling geen daden van beheer of beschikking betreffende de boedel kan verrichten zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerder leidt tot een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming alsook in de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming. Het besluit tot aanvragen van surseance valt daarom onder art. 25 lid 1 sub e WOR. De Ondernemingskamer past dus, in tegenstelling tot de Rechtbank Den Bosch, ambtshalve sub e toe. Deze beschikking wordt door de Hoge Raad gecasseerd.
Naar het oordeel van de Hoge Raad is daarbij geen sprake van een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming dan wel van de verdeling van de bevoegdheden. De benoeming van een bewindvoerder brengt geen verandering in de interne verdeling van bevoegdheden, al beperkt de benoeming de bevoegdheden van degenen die daden van beheer en beschikking mogen verrichten. Voor zover de surseance van betaling aangevraagd zou worden met de bedoeling de onderneming geheel of gedeeltelijk te staken, dient opgemerkt te worden dat het adviesrecht van de or na de verleende surseance van betaling in stand blijft. De Hoge Raad verwijst in zijn overwegingen naar de hierboven besproken parlementaire geschiedenis, waarin de minister stelde dat het besluit tot het aanvragen van surseance en faillissement niet adviesplichtig is. Naar aanleiding van de verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, wordt in het algemeen aangenomen dat de or geen adviesrecht heeft ten aanzien van de eigen aanvraag tot faillietverklaring.2
6.3.4.1 Toch een adviesrecht?