Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.A.1.b
b. Varkenspest en reconstructie
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477344:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus H. Buiter, J. Korsten, Land in aanleg, p. 116.
Zie onderdeel A.l.a. van dit hoofdstuk.
Aldus J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, in: Agrarisch recht 1999/9, p. 434.
Kamerstukken II 1998-1999, 26356, nrs. 1-3. Zie voor een uitvoerige becommentariëring van het wetsvoorstel J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk). Zie tevens D.W. Bruil, ‘De Reconstructiewet concentratiegebieden - een verbeterde landinrichtingswet en een voorbeeld voor de Wilg?’, p. 950.
Wet van 31 januari 2002, Stb. 2002, 116, houdende regels inzake de reconstructie van de concentratiegebieden. Hierna tevens: RCC.
Aldus J.A. Zevenbergen, H.E. van Rij, ‘Het ontwerp Wet inrichting landelijk gebied (Wilg), een eerste verkenning’, p. 678. Zie tevens H. Buiter, J. Korsten, Land in aanleg, p. 123, alsmede D.W. Bruil, ‘De Reconstructiewet concentratiegebieden - een verbeterde Landinrichtingswet en een voorbeeld voor de Wilg?’, p. 950.
Kamerstukken II 1998-1999, 26446, nr. 1, p. 11.
Hierna tevens: EHS. Zie over de EHS uitgebreid onderdeel H.2 van dit hoofdstuk. Zie tevens D.W. Bruil, ‘De Reconstructiewet concentratiegebieden - een verbeterde Landinrichtingswet en een voorbeeld voor de Wilg?’, p. 950.
Het concentratiegebied kan ineen of meer reconstructiegebieden worden opgedeeld, aldus J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 436. Zie tevens H.J. Leenen, J.W. van Zundert, ‘Coördinatie landinrichting en ruimtelijke ordening’, in: BR 2013/147.
Wet van 9 april 1998, Stb. 1998, 236, houdende regels inzake een stelsel van varkensrechten en een heffing ter zake van het houden van varkens. De wet is ingetrokken op 1 januari 2006 (Stb. 2005, 480).
Art. 4 RCC. Zie tevens J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 435.
Aldus H. Buiter, J. Korsten, Land in aanleg, p. 123.
J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 436.
Art. 6 RCC.
Zie tevens J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 437.
Art. 7 RCC.
Art. 14 jo. art. 33 RCC.
Zie over de juridische kwalificatie van de bestuursovereenkomst uitgebreid D.W. Bruil, ‘Reconstructiewet concentratiegebieden: enkele losse eindjes’, in: Agrarisch recht 2001/4, p. 197. In de MvT wordt overigens gesproken over een ‘gebiedscontract’, aldus Kamerstukken II 1998-1999, 26356, nr. 3, p. 48 e.v. Zie over de inzet van gebiedscontracten uitgebreid het rapport ‘Tussen recht en ruil, Gebiedscontracten in Brabant’ vanwege het Centrum voor Landbouw en Milieu, Utrecht, februari 2002. Het gebruikmaken van bestuursovereenkomsten binnen de Reconstructiewet kan tevens worden gezien als ‘pilot’ voor de bestuursovereenkomsten in het kader van het Investeringsbudget landelijk Gebied (art. 7 WILG), waarover meer in onderdeel A.3.C van dit hoofdstuk. J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 439 kwalificeert de regeling zoals vervat in art. 14 lid 2 RCC (er is slechts gesteld dat er een bestuursovereenkomst gesloten moet worden, terwijl de inhoud van de overeenkomst en de rechtsgevolgen van het niet naleven van het voorschrift ongeregeld zijn gebleven) als ‘een betrekkelijk onbezonnen poging om vooruit te lopen op de meer algemene discussie over bestuursovereenkomst’.
Artt. 11 en 12 RCC. Zie tevens J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt- Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 440 e.v.
Art. 11 lid 2 sub a RCC.
Art. 11 lid 2 sub b RCC.
Art. 11 lid 2 sub c RCC
Art. 11 lid 2 sub e RCC.
Art. 11 lid 2 sub f RCC
Art. 11 lid 2 sub g RCC.
Art. 11 lid 2 sub h RCC.
Art. 11 lid 2 subi RCC
Art. 11 lid 2 sub d RCC.
Aldus D.W. Brui], ‘De Reconstructiewet concentratiegebieden - een verbeterde Landinrichtingswet en een voorbeeld voor de Wilg?’, p. 950.
Zie ABRS 6 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT8768, Agrarisch recht 2005/5305, m. nt. D.W. Bruil.
Aldus J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 435, alwaar gesproken wordt over ‘varkensvrije corridors’.
Waarover meer in onderdeel A van het volgende hoofdstuk. Zie over de verhouding Reconstructiewet-ruimtelijke ordening tevens Kamerstukken II 1998-1999, 26356, nr. 3, p. 21. Zie tevens J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 441 e.v.
Art. 11 lid 5 RCC
Artt. 18 en 19 RCC.
Art. 18 lid 1 RCC.
D.W. Bruil, ‘De Reconstructiewet concentratiegebieden - een verbeterde Landinrichtingswet en een voorbeeld voor de Wilg?’, p. 950 merkt op dat de in de RCC opgenomen termijnen geen juridische betekenis hebben en enkel de ‘sense of urgency’ van de wetgever weergeven.
Art. 12 lid 1 resp. lid 2 RCC.
De procedure van het reconstructieplan is, met enkele aanpassingen, de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht (Afdeling 3.4 Awb), aldus art. 15 RCC. Zie nader C.W.M. van Alphen, A. Driesprong, E.J. Govaers, D. Meloni, T. Tuenter, J.H.K.C. Soer, Raakvlakken RO 2010, p. 87 e.v.
Zie voor een schematische weergave van de procedure GW.M. van Alphen, A. Driesprong, E.J. Govaers, D. Meloni, T. Tuenter, J.H.K.C. Soer, Raakvlakken RO 2010, p. 232.
Art. 14 RCC.
Art. 15 lid 2 RCC. Ook tegen de hiervoor besproken uitwerking van het plan, alsmede tegen de hierna te bespreken wijziging van het plan staat rechtsbescherming open.
Art. 16 RCC.
Art. 17 RCC.
Art. 29 RCC.
Art. 26 RCC.
Zie hfdst. 3, titel 6 RCC.
Aldus J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 447.
Kamerstukken II 1998-1999, 26356, p. 39. Zie tevens JA Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 455.
Zie hierover J.A. Zevenbergen, ‘De herijkte gereedschapskist “Landinrichting”‘, p. 437-444.
D.W. Bruil, ‘Reconstructiewet concentratiegebieden: enkele losse eindjes’, p. 196.
Bovendien constateert Bruil dat de historische parallel met de Ruilverkavelingswet 1954 en de Reconstructiewet Midden-Delfland gauw getrokken is. Zie in dit kader tevens onderdeel F.5 van het vorige hoofdstuk. H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 13 gaat nog verder en concludeert als volgt: ‘Met de Wet inrichting landelijk gebied is de landinrichtingsprocedure van de Reconstructiewet in het gehele land van toepassing geworden’. Dit is m.i. een enigszins ongenuanceerde gevolgtrekking, aangezien de herverkavelingsprocedure in de WILG niet geheel (doch wel nagenoeg geheel) identiek is aan de herverkavelingsprocedure in de RCC De RCC-procedure is niet volledig en integraal ‘gekopieerd’ naar de WILG.
Aldus J.A. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 436. Zie tevens grenspost 2, hfdst. 11, onderdeel A.2. Zie ten slotte E.J.W. Roels, J.H. Schaap, ‘Impressies van de herinrichting Oost-Groningen en de Gronings-Drentse veenkoloniën’.
Dit verklaart de relatief uitgebreide behandeling van de Reconstructiewet in dit onderzoek.
Aldus D.W. Bruil, ‘De Reconstructiewet concentratiegebieden - een verbeterde Landinrichtingswet en een voorbeeld voor de Wilg?’, p. 950. Een mooie parallel met de bijzondere herinrichtingswetten, behandeld in onderdelen E.4 en F.5 van hfdst I van de vorige grenspost, die als ‘proeftuin’ voor de Ruilverkavelingswet 1954 resp. de Landinrichtingswet 1985 hebben gefungeerd. Na inwerkingtreding van de WILG is de Reconstructiewet op het onderdeel ‘herverkaveling’ ingetrokken, zo blijkt uit art. 48 RCC, alsmede uit art. 109, onderdeel j, WILG, waarover J.A. Zevenbergen, H.E. van Rij, ‘Het ontwerp Wet inrichting landelijk gebied (Wilg), een eerste verkenning’, p. 678. Zie tevens JA. Zevenbergen, E.G.M. Vogel-Jaartsveld, D.W. Bruil, V.W.M.M. Ampt-Riksen, ‘Het wetsvoorstel Reconstructiewet concentratiegebieden (een goed begin is het halve werk)’, p. 436, alsmede H.J.W. Leenen, ‘De Wet inrichting landelijk gebied; Decentraal wat kan, centraal wat moet’, in: BR 2007/ 7, p. 575. Zie ten slotte C.W.M. van Alphen, A. Driesprong, E.J. Govaers, D. Meloni, T. Tuenter, J.H.K.C. Soer, Raakvlakken RO 2010, p. 234.
Overigens zal als gevolg van de decentralisatie van het Investeringsbudget Landelijk Gebied, de Reconstructiewet op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip vervallen, zo blijkt uit het voorgestelde art. 111b lid 1 WILG (Kamerstukken I 2012/2013, 33441, nr. A).
Zie in dit kader uitgebreid P. de Haan, ‘De Reconstructiewet concentratiegebieden als model voor een nieuwe landinrichtingswet’, in: Agrarisch recht 2002/5. Overigens zijn sinds de invoering van de WILG de beide wetten verder met elkaar vervlochten, aangezien sinds 1 januari 2007 tot 1 januari 2014 de financiering van de RCC grotendeels uit het (in onderdeel A.3.C. te bespreken) Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) is geschied. Bovendien is, ter gelegenheid van de invoering van de WILG, de herverkavelingsparagraaf uit de WILG volledig van toepassing verklaard op het ruilproces als voorzien in een reconstructieplan of uitwerkingsplan.
Vanaf 1997 tot 2003 eisten verschillende epidemieën in de Nederlandse veehouderij hun tol. In 1997 sloeg de varkenspest toe, in 2001 was er de MKZ-crisis, in 2003 de vogelpest en tussen de bedrijven door was er nog de voor mensen gevaarlijke gekkekoeienziekte. Deze epidemieën resulteerden in een brede discussie over (de wenselijkheid van) de intensieve veehouderij in Nederland.1 De concentratie van grote aantallen dieren dicht bij elkaar vergrootte de kwetsbaarheid. Daarnaast lieten verzuring en verdroging als gevolg van de intensieve veehouderij hun sporen na in de natuur. Daarom ontwikkelde de overheid plannen voor een reconstructie van de intensieve veehouderij. Naast de problemen in de varkenshouderij zorgde ook de reeds gememoreerde Herijkingsoperatie2 voor een impuls voor deze plannen. 3
Eind 1998 werd dan ook een wetsvoorstel ‘Regels inzake de reconstructie van de concentratiegebieden’ aan de Tweede Kamer aangeboden.4 Na parlementaire behandeling leidde dit wetsvoorstel op 1 april 2002 tot invoering van de Reconstructiewet Concentratiegebieden.5 Deze wet, die te kenmerken is als een bijzondere inrichtingswet, beoogt de integrale herinrichting van intensieve veehouderijgebieden6 en tracht daarmee een oplossing te bieden voor ruimtelijke problemen en voor de problemen met betrekking tot de diergezondheid binnen de concentratiegebieden. Aanvankelijk was de wet enkel bedoeld voor het oplossen van problemen binnen de varkenshouderij, 7 maar later heeft een verbreding naar de concentratiegebieden als zodanig plaatsgevonden.8 Ook de (mogelijke) problemen van de intensieve veehouderij als zodanig en de realisering van natuurdoeleinden als de Ecologische Hoofdstructuur9 vallen daarmee onder het bereik van de RCC.
Voor twaalf gebieden in Oost- en Zuid-Nederland, de zogenaamde concentratiegebieden, 10 zoals begrensd in bijlage B van de Wet herstructurering varkenshouderij, 11 zijn plannen opgesteld voor de reconstructie.
Een reconstructieplan kent een meervoudige doelstelling: het gaat zowel om het bevorderen van een goede ruimtelijke structuur als om verbetering van een goed woon-, werk-, en leefklimaat en van de economische structuur.12 Men streeft daarbij bovenal naar duurzame landbouw: door de ruimtelijke structuur te verbeteren, milieuproblemen aan te pakken en te zorgen voor voldoende economische en maatschappelijke ontwikkelingsmogelijkheden zal op den duur een duurzaam en leefbaar platteland ontstaan, zo was de gedachte.13
De reconstructie vangt dus aan met het opstellen van het reconstructieplan. De wet bevat regels omtrent de inhoud en de vaststelling van het reconstructieplan en over de rechtsgevolgen daarvan. Overigens kent de wet geen verzoek tot reconstructie: reconstructie binnen de concentratiegebieden vindt de iure, op grond van deze wet plaats.14
Ter voorbereiding van een reconstructieplan moeten twee zaken geregeld te zijn. Ten eerste schrijft de wet voor dat Provinciale Staten voor elk concentratiegebied êên of meer reconstructiecommissies instelt.15 De wet geeft wel enkele regels voor de samenstelling van de commissies, maar de provincie heeft een grote vrijheid om taken en bevoegdheden van deze commissies nader te regelen.16 In de commissie participeren in elk geval vertegenwoordigers van gemeenten, waterschappen, rijk, landbouw, natuur en landschap, milieu en recreatie.17
Ten tweede dienen Gedeputeerde Staten voorafgaand aan het opstellen van het ontwerpreconstructieplan een bestuursovereenkomst te sluiten met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen.18 In deze overeenkomst19 worden afspraken gemaakt over de rol van gemeenten en waterschappen bij het opstellen en uitvoeren van het reconstructieplan, maar ook over de afstemming met de procedures van de ruimtelijke ordeningsplannen.
Vervolgens kan overgegaan worden tot het opstellen van het reconstructieplan. De wet bepaalt uitputtend wat er allemaal in het plan moet worden opgenomen.20 Zo moet het plan onder meer de begrenzing, 21 een beschrijving van de bestaande toestand, 22 de aanduiding van de meest gewenste ontwikkeling van het reconstructiegebied23 en een weergave van de te treffen maatregelen en voorzieningen24 en de te verwachten gevolgen daarvan25 bevatten. Ook de globale raming van de kosten en een tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen en voorzieningen26 horen in het reconstructieplan thuis. Verder moeten de te verwerven onroerende zaken27 en de te onteigenen percelen of opstallen28 aan de orde komen. Bovendien bevat het plan kaarten waarop onder meer de verschillende soorten andere gebiedscategorieën worden weergegeven.
Daarnaast wordt in het reconstructieplan het reconstructiegebied in drie zones opgedeeld:29
landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s): zones waar de intensieve veehouderij de mogelijkheid heeft om uit te breiden;
verwevingsgebieden: zones waarbinnen groei mogelijk is, mits andere functies daar niet onder lijden, In deze zones dient derhalve een afweging te worden gemaakt tussen de verschillende functies in het landelijk gebied;
extensiveringsgebieden: gebieden waar geen uitbreiding mag plaatsvinden. De intensieve veehouderij moet uit deze gebieden verdwijnen.30
Terzijde: binnen de laatste twee gebieden zouden zogenaamde ‘varkensvrije zones’ gecreëerd worden om een snelle verspreiding van dierziektes te voorkomen. Een veterinaire invalshoek derhalve.31 Dit idee, in 1997 bij de uitbraak van de varkenspest nog de belangrijkste aanleiding voor het opstellen van de wet, is vervolgens volledig losgelaten.32
De Reconstructiewet gaat ervan uit, dat het reconstructieplan in ieder geval de hoofdlijnen van de voorgenomen reconstructie bevat. Zo moet het plan de begrenzingen van de hiervoor omschreven landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden zo nauwkeurig mogelijk aangeven. In geval van doorwerking van het plan naar de ruimtelijke ordening33 geeft het plan aan in hoeverre het afwijkt van de eventuele vigerende structuurvisie.34 Voor het overige kan het plan globaal blijven. De wet biedt namelijk de mogelijkheid om gecompliceerde kwesties en gedetailleerde besluiten naar een later moment door te schuiven. In het reconstructieplan kan namelijk worden bepaald dat, indien het belang van de reconstructie dit vordert, het reconstructieplan kan worden uitgewerkt met inachtneming van in het plan vervatte regelen. Deze bepaling biedt dus de mogelijkheid om te werken met uitwerkingsplannen.35 Dan kan de planvorming op perceelsniveau later plaatsvinden. Dit geeft de benodigde flexibiliteit in het planvormingsproces. Uitwerking moet in elk geval plaatsvinden als herverkaveling aan de orde is.36
Het plan richt zich op een periode van maximaal twaalf jaar.37 Wel moet de provincie iedere vier jaar beschouwen of aanpassing op beleidsprioriteiten nodig is.38
De verdere procedure van het reconstructieplan39 luidt – kort samengevat – als volgt:40 Gedeputeerde Staten stellen een ontwerp-reconstructieplan op.41 De reconstructiecommissie is bij de voorbereiding van het ontwerpplan betrokken. Het ontwerp-reconstructieplan wordt vier weken ter inzage gelegd en in die periode heeft eenieder de mogelijkheid om bedenkingen in te dienen.42 Provinciale Staten stellen het reconstructieplan vast.43 Indien zij dit niet binnen de gestelde termijn doen, kunnen de ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zelf het reconstructieplan vaststellen. Het reconstructieplan dient door beide ministers goedgekeurd te worden, en wel binnen vier weken.44 Na de goedkeuring door de minister staat er beroep open bij de Raad van State.45 Het vastgestelde plan kan echter ook worden gewijzigd door de genoemde ministers.46
Ten slotte is in de Reconstructiewet de mogelijkheid geschapen om tot herverkaveling van gronden binnen de concentratiegebieden over te gaan, op basis van het op te stellen ruilplan.47 Herverkaveling is vooral van belang voor het realiseren van doeleinden in het kader van natuur, landschap en recreatie.48 Bovendien is de herverkaveling beperkt tot gronden: gebouwen zijn uitgezonderd.49 De herverkaveling zoals die is vormgegeven in de RCC is echter niet geheel gelijk aan de ruilverkaveling uit de Landinrichtingswet. Diverse elementen en ideeën uit het nog lopende herijkingsproces zijn overgenomen in de ‘reconstructie-herverkaveling’.50 Dit heeft geleid tot een stroomlijning en vereenvoudiging van de procedure voor de herverkaveling ten opzichte van vergelijkbare bepalingen uit de Landinrichtingswet. Bruil geeft in zijn artikel uit 200151 een schematisch overzicht van de verschillen tussen de Landinrichtingswet en de RCC en concludeert dat de Reconstructiewet een soort ‘bijzondere’ Landinrichtingswet is, die tevens model staat voor een geheel nieuwe Landinrichtingswet.52 Daarnaast is de Reconstructiewet tot op zekere hoogte te rekenen tot de speciale herinrichtingswetten, zoals daar zijn de Reconstructiewet Midden-Delfland en de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën. Tezamen met de Landinrichtingswet boden deze wetten de basis voor de uitvoering van multisectoraal beleid in bepaalde gebieden.53
Door de integratie van de (herijkte) herverkaveling in de Reconstructiewet is er op dit punt een duidelijke parallel te trekken met de – op dat moment nog toekomstige – Wet inrichting landelijk gebied.54 De voorbereidingen voor de WILG zijn dan ook niet toevalligerwijs in 2002, het jaar van invoering van de RCC, gestart. De RCC heeft daarbij op het onderdeel ‘herverkaveling’ als ‘pilot’ voor de WILG gediend.55 De Reconstructiewet was op haar beurt in belangrijke mate geschoeid op de voorganger van de WILG, de Landinrichtingswet.56
De (in aantocht zijnde) WILG zou, voortbordurend op de ervaringen met de Reconstructiewet, een meer structurele oplossing moeten bieden om landinrichting eenvoudiger, sneller en flexibeler toe te kunnen passen.57