Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/5.2
5.2 Het bindend karakter van rechterlijke uitspraken; het gezag van gewijsde
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196885:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het enquêterecht – geregeld in Boek 2 BW – is onderdeel van het burgerlijk recht.
Gezag van gewijsde moet niet worden verward met ‘kracht van gewijsde’. Met dat laatste wordt aangeduid dat tegen een rechterlijke beslissing geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Zie over het moment waarop een uitspraak kracht van gewijsde krijgt: Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/115. Een beslissing moet in kracht van gewijsde zijn gegaan om gezag van gewijsde te kunnen hebben (art. 236 Rv). Uitvoeriger: Beukers 1994, 3.3.
Beukers 1994, 2.2.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/150. In 5.6 komen andere vormen van binding aan de orde, waarmee andere partijen wel te maken kunnen krijgen.
Lindijer 2006, 83.
Van der Wiel, NJB 2011/671 en Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/150.
Lindijer wijst er op dat er geen beslissing over de rechtsbetrekking in geschil is gegeven, als de eerdere uitspraak geen beoordeling ten gronde inhoudt (Lindijer 2006, 76).
Beukers onderscheidt tussen nieuwe vorderingen gericht op hetzelfde rechtsgevolg en nieuwe vorderingen gericht op een ander rechtsgevolg (Beukers 1994, 4.2).
R.L. Bakels, in: Jongbloed & Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht 2014/11.14. Zie uitvoeriger over beslissingen waaraan wel en beslissingen waaraan geen gezag van gewijsde toekomt: Beukers 1994, hfdst 4.
HR 16 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583, NJ 1995/213.
Lindijer 2006, 76.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/148. In 5.6 komt de invloed van beslissingen die zuivere rechtsoordelen inhouden kort aan de orde.
Bijv. de procedure bedoeld in art. 7:685 BW.
Volgens vaste rechtspraak, zie bijv. concl. A-G E.M. Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2017:1089 bij HR 22 december 2017, NJ 2018/276, nr. 2.11.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/155. Ten eerste als in een verzoekprocedure het gezag van gewijsde wordt ingeroepen van een beslissing die in een vonnis is gegeven. In 6.3 wordt enige aandacht besteed aan de situatie waarin de gewone burgerlijke rechter al over de contractuele verplichting heeft geoordeeld voordat bij beschikking over een onmiddellijke voorziening wordt beslist. Voor het overige is die volgorde van beslissingen voor dit onderzoek niet bijzonder interessant. Ten tweede de situatie waarin in een verzoekprocedure een beroep wordt gedaan op het gezag van gewijsde van een beslissing in een beschikking. Deze situatie doet zich in het kader van het onderhavige onderzoek niet voor. Het gaat hier over een derde situatie.
De gewone burgerlijke rechter oordeelt in een contradictoire procedure over de contractuele verplichting van de rechtspersoon (zie hfdst. 6). Hij stelt de rechtspositie van de wederpartij vast (vgl. onderzoeksvraag a, 1.3). De procedure die tot een onmiddellijke voorziening leidt is een rekestprocedure. Over het beroep op het gezag van gewijsde van een onmiddellijke voorziening gaan 5.4 en 5.5.
En ze moet kracht van gewijsde hebben.
Lindijer 2006, 76.
Zij geeft het voorbeeld van zaken van ouderlijke macht en voogdij (Beukers 1994, 3.5.2).
Asser 1997, p. 57 e.v.
Ze hebben ook niet altijd betrekking op ‘een rechtsbetrekking in geschil’. Zie over de (procedurele waarborgen in de) enquêteprocedure 2.4. Zie 3.8 en 3.10-3.13 over de bijzonderheden van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, die samenhangen met het karakter van (spoedeisende) ordemaatregel.
Beukers 1994, 3.5.2.
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/155. Dat zou een consequentie zijn van behoorlijke oproeping die in het nadeel van de belanghebbende kan werken. Voor een gevolg van niet-deugdelijke oproeping waartegen de belanghebbende beschermd wordt, zie HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, ARO 2019/127 (Xeikon), aangehaald in nt. 65 bij 5.5. Voor oproeping van belanghebbenden: art. 30j lid 2 Rv.
Van der Wiel noemt dit een rechtvaardiging van de binding van partijen (Van der Wiel, NJB 2011/671).
[163] Een rechterlijke uitspraak bindt alleen de partijen in het geding. Dat is een beginsel van het burgerlijk procesrecht.1 De bindende kracht van een uitspraak, aangeduid met ‘het gezag van gewijsde’, wordt geregeld in artikel 236 Rv.2 De bepaling houdt in dat rechterlijke beslissingen over een rechtsbetrekking tussen partijen, die partijen binden en tussen hen vast staan in latere procedures. Beukers zet uit een dat zonder het leerstuk gezag van gewijsde geschilpunten niet blijvend beslecht kunnen worden, zodat procederen zinloos zou zijn.3
Het gezag van gewijsde geldt tussen dezelfde partijen.4 In beginsel kunnen anderen zich er niet op beroepen, dat stuit af op het beginsel van hoor en wederhoor.5 Procespartijen kunnen de rechterlijke beslissing over hun rechten en plichten beïnvloeden, doordat zij hun standpunten daaromtrent aan de rechter kunnen voorleggen. Degenen die niet in de procedure zijn betrokken kunnen dat niet, zodat de rechter geen rekening kan houden met hun rechten en belangen.6 Aan een partij die geen invloed heeft kunnen hebben in het debat dat aan de beslissing vooraf is gegaan, hoort de beslissing daarom niet te kunnen worden tegengeworpen. Ook het belang van een goede procesorde is niet voldoende om een beslissing gezag van gewijsde toe te kennen tegenover partijen die niet betrokken waren in de procedure waarin die beslissing tot stand kwam.7
Beslissingen over ‘een rechtsbetrekking tussen partijen’ zijn beslissingen over geschilpunten omtrent de rechten en verplichtingen die partijen ten opzichte van elkaar hebben.8 Ieder van hen kan zich in volgende procedures met succes er op beroepen, dat een dergelijk geschilpunt al tussen hen beslecht is en niet opnieuw ter discussie kan staan. Dat beroep kan ook succes hebben als niet precies hetzelfde wordt gevorderd; van belang is dat een rechter over de in wezen zelfde rechtsbetrekking heeft beslist.9 Als tussen dezelfde partijen in een latere procedure een andere feitelijke grondslag of een andere rechtsbetrekking aan de orde komt, is het gezag van gewijsde niet van toepassing.10 De beslissingen hoeven niet in het dictum te staan om gezag van gewijsde te hebben; aan dragende overwegingen komt eveneens bindende kracht toe.11
[164] Partijen kunnen niet altijd met succes een beroep doen op het gezag van gewijsde van beslissingen die in een eerder geding tussen hen zijn genomen. Rechterlijke beslissingen die naar hun aard voorlopig zijn, zoals beslissingen in kort geding, hebben geen gezag van gewijsde.12 Zulke beslissingen houden op z’n hoogst een voorlopig oordeel in over de rechtsbetrekking tus-sen partijen en behelzen geen definitieve beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil.13 Sommige beslissingen krijgen op enig moment een definitief karakter, maar worden aanvankelijk als ‘voorlopig’ of ‘voorshands’ aangemerkt. Zij ontberen bindende kracht zolang hun voorlopige of voorshandse status duurt. Aan beslissingen ten overvloede komt evenmin gezag van ge-wijsde toe. Andere beslissingen zonder gezag van gewijsde zijn beslissingen waarin alleen een rechtsregel wordt geformuleerd en beslissingen van zuiver feitelijke aard.14 Verder verdraagt de aard van sommige procedures en van sommige rechtsbetrekkingen zich maar in beperkte mate met een beroep op het gezag van gewijsde van beslissingen.15
[165] Artikel 236 Rv gaat over vonnissen, maar analogische toepassing op beschikkingen is onder omstandigheden mogelijk.16 Er zijn verschillende situaties waarin het gezag van gewijsde een rol kan spelen in verband met beschikkingen.17 In het kader van dit onderzoek is de situatie interessant waarin de rechtspersoon in een contradictoire procedure over zijn contractuele verplichting, een beroep doet op het gezag van gewijsde van een beslissing die in een beschikking (door de Ondernemingskamer) is gegeven.18
De eerdere beslissing, waarvan het gezag van gewijsde wordt ingeroepen, moet vanzelfsprekend betrekking hebben op de rechtsbetrekking in geschil tussen partijen.19 Lindijer merkt op dat de toepasbaarheid van het gezag van gewijsde hiervan afhangt.20 Beukers laat zien dat in sommige verzoekschriftprocedures de verzochte maatregel gericht is op het belang van een ander rechtssubject dan van de twistende partijen.21 Dan beslist de rechter niet over een rechtsbetrekking tussen partijen.
Analogische toepassing op beschikkingen is mogelijk als de beoordeling plaatsvindt op basis van een aan bodemprocedures eigen feitenonderzoek. En partijen moeten vrijelijk kunnen beschikken over rechtsgevolgen, anders ontbreekt de in artikel 236 Rv verdisconteerde partijautonomie.22
Asser legt een verband tussen de bindende kracht van een beslissing en de procedure die tot de beslissing heeft geleid. Om gezag van gewijsde te kun-nen hebben, moet de beslissing de vrucht zijn van een behoorlijke procesvoering die gericht was op het verkrijgen van een definitief oordeel over de rechtsbetrekking in geschil.23 Hij wijst er op dat beslissingen in rekestprocedures niet steeds aan die omschrijving voldoen; ze komen soms tot stand met weinig procedurele waarborgen.24 Ook Beukers ziet een relatie tussen de beperkte toepasbaarheid van het gezag van gewijsde op beschikkingen en de geringere waarborgen in de procedures die leiden tot beschikkingen.25 Zij wijst op waarborgen met betrekking tot het toelichten van partijstandpunten, het processuele debat, rechtsmiddelen en bewijs.
Ook beslissingen in verstekvonnissen kunnen gezag van gewijsde hebben. Van Schaick meent dat er niet noodzakelijkerwijs een debat aan de beslissing vooraf hoeft te gaan.26 Hij neemt aan, dat het gezag van gewijsde van beschikkingen niet alleen geldt voor de partijen in de rekestprocedure, maar ook voor belanghebbenden die zijn opgeroepen maar niet verschenen.27
[166] Cruciaal voor het toekennen van gezag van gewijsde aan een beslissing blijkt steeds het volgende. Om een partij het gezag van gewijsde van een beslissing met succes te kunnen tegenwerpen, is vereist dat die partij behoorlijk de gelegenheid heeft gekregen om zijn standpunt naar voren te brengen bij het tot stand komen van die beslissing.28 Niet doorslaggevend is of die partij die mogelijkheid heeft gebruikt. Mij lijkt daarom de behoorlijke oproeping van belanghebbenden een wezenlijke voorwaarde om hen te kunnen confronteren met het gezag van gewijsde van een beslissing.