Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.2.4
5.2.4 Terugbetaling wanneer een rechtsverhouding gebrekkig is
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500036:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HR 19 september 2003, NJ 2005/234 (Marks/Albert Schweitzer Ziekenhuis), waar de Hoge Raad in een geschil over een pensioenregeling sprak van een plicht van een werkgever om te zorgen dat zijn werknemer niet onder invloed van dwaling een pensioenplan accepteert. De werkgever had deze plicht geschonden en onjuiste of onduidelijke mededelingen gedaan. Bij de vraag of de werknemer een beroep kon doen op dwaling werden de belangen van de werknemer en werkgever hier niet aan de hand van het toetsingskader van art. 6:228 lid 1 en 2, maar integraal tegen elkaar afgewogen. Kritisch over deze integrale afweging: NJ-annotator Hijma; instemmend: Van Laarhoven 2006, p. 9-11.
Bovendien volgt uit de nietigheid of een geslaagd beroep op een vernietigingsgrond dat geen nakoming kan worden gevorderd van de rechtshandeling.
PG Boek 6, p. 805; Sieburgh 2004, p. 35.
In de tweede plaats volgt uit de systematiek van moderne wetboeken die van kracht zijn in civil law stelsels, zoals het Burgerlijk Wetboek, dat prestaties kunnen worden teruggevorderd als zij zijn verricht op grond van een nietige of vernietigde rechtshandeling. Er zijn vele gronden voor nietigheid of vernietigbaarheid te vinden in het Burgerlijk Wetboek. Deze nietigheids- en vernietigingsgronden geven een toetsingskader aan de hand waarvan moet worden beslist of de ontvanger een verkregen prestatie mag behouden dan wel moet teruggeven.
Dit toetsingskader maakt het mogelijk om de belangen van beide partijen op een voorspelbare en inzichtelijke manier tegen elkaar af te wegen.1 Als de belangen van een partij bij de totstandkoming van de rechtshandeling niet voldoende zijn geëerbiedigd, kan deze partij de nietigheid van de rechtshandeling inroepen (eventueel door de rechtshandeling te vernietigen). Zijn belang om een prestatie niet te hoeven verrichten of een verrichte prestatie terug te kunnen vorderen legt dan (kennelijk) meer gewicht in de schaal dan het belang van de andere partij om nakoming van de prestatie te kunnen vorderen of haar te mogen behouden.
Uit het oordeel dat een rechtshandeling nietig of vernietigbaar is, volgt dat de prestatie heeft geleid tot een ongerechtvaardigde verrijking van de ontvanger.2 Terugbetaling is voor deze gevallen efficiënt geregeld op één plek in het Burgerlijk Wetboek, in de artikelen 6:203-6:211. In de systematiek van het Burgerlijk Wetboek is dit mogelijk doordat wordt aangenomen dat een rechtsgrond ontbreekt voor prestaties die zijn verricht op grond van een vernietigde of nietige rechtshandeling.3 Artikel 6:203 heeft dan de functie om een gebrekkige rechtsverhouding af te wikkelen.
Ook met de tweede functie moet rekening worden gehouden bij de invulling van de vereisten van artikel 6:203-6:211. Het begrip betaling in de zin van artikel 6:203 moet de presterende en ontvangende partij aanwijzen tussen wie de rechtsverhouding moet worden afgewikkeld. Aan het begrip rechtsgrond moet een zodanige invulling worden gegeven dat de prestatie inderdaad kan worden teruggevorderd indien het belang van de presterende partij volgens het toetsingskader van de nietigheidsen vernietigingsgronden ‘het zwaarst weegt’.
Verder is bij het vaststellen van de omvang van de vordering uit onverschuldigde betaling vaak van belang dat de prestatie is verricht op grond van een gebrekkige rechtsverhouding. In een dergelijk geval hebben vaak beide partijen gepresteerd of zijn zij overeengekomen dat beide partijen zouden presteren. Met dat feit moet rekening worden gehouden als de verrijking, die het gevolg is van de prestatie, is verminderd. Ik werk dat uit in paragraaf 5.6.4.7 en 5.6.4.8.