Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.5.4
6.5.4 Extensieve uitleg strafcontext in Chambaz?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495824:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 5 april 2012 (Chambaz t. Zwitserland), AB 2012/323 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik); EHRC 2012/135 (m.nt. Niessen).
§ 54-55. Zonder deze bekrachtiging zou die verplichting ook hebben bestaan. De bekrachtiging was voorwaarde om dwang tot zelfbelasting in een strafcontext aan te nemen.
Vgl. § 55. Daarin overweegt het Hof dat de beslissingen van de nationale rechters waarin de boetes worden bekrachtigd, ertoe hebben geleid dat de klager zichzelf moest belasten (mijns inziens: op het moment dat hij werd beboet vanwege de weigering de gevraagde documenten te verstrekken). Blijft de vraag wat er gebeurd zou zijn als een nationaal rechtsmiddel tegen de opgelegde boetes kansloos was geweest en klager daarom meteen in Straatsburg had geklaagd. Mij dunkt dat die situatie gelijk is te stellen met de bekrachtiging van de boetes door de rechter.
In de zaak Chambaz hadden de Zwitserse autoriteiten een geldboete aan de klager opgelegd, vanwege het niet verstrekken van documenten over (vermeend) niet opgegeven inkomen en vermogen.1 Het EHRM oordeelt die boete in strijd met het recht tegen gedwongen zelfbelasting, omdat de bekrachtiging van die boete door de Zwitserse bestuursrechter plaatsvond nadat tegen klager een strafrechtelijk onderzoek was begonnen wegens (vermeende) belastingfraude.
Onder verwijzing naar § 65 van J.B. overweegt het Hof dat klager niet het risico kon uitsluiten dat hij beschuldigd werd van het strafbaar feit van belastingontduiking, wanneer hij informatie over aanvullende inkomsten uit niet-belaste bronnen zou hebben verstrekt. Dat zou zijn positie in een mogelijk strafrechtelijk onderzoek wegens belastingontduiking schaden. Het feit dat dit onderzoek vier jaar later was geopend, is in de ogen van het Hof niet beslissend. Op het moment dat de bestuursrechter de boetes had bekrachtigd, was het onderzoek namelijk al een kleine drie jaar geopend. Die bekrachtiging had als resultaat dat klager werd verplicht om aan zijn eigen veroordeling mee te werken.2
Terwijl bij eerste lezing van het arrest sprake lijkt van een Saunders-achtige zaak (klager werd beboet voor de weigering om informatie te verstrekken vóórdat hij was ‘charged with a criminal offence’), behandelt het Hof haar als een Funke-achtige zaak (de Franse douaneautoriteiten hadden op het moment dat zij van Funke informatie vorderden een specifieke verdenking tegen hem).
Blijft de vraag of het Hof ook een wezenlijke aantasting van de positie van klager op het moment van boeteoplegging zou hebben aangenomen, wanneer hij nadien niet strafrechtelijk zou zijn vervolgd wegens belastingfraude. Ik meen van niet. Omdat de criminal charge werd geuit nadat klager in beroep was gegaan tegen de door de Zwitserse fiscale autoriteiten opgelegde bestuurlijke boetes en de bekrachtiging van de boetes door de Zwitserse nationale (bestuurs)rechter nadien plaatsvond, lijkt enkel de bekrachtiging van de boetes nadien problematisch (en niet de aanvankelijke beboeting van het informatieverzuim als zodanig). Kennelijk staat voor het Hof in deze zaak voorop wat het beginpunt van de bescherming van art. 6 EVRM (in dit type Funke-achtige zaken) is. Die kan in de gegeven (in casu atypische) omstandigheden kennelijk vóór het ‘charge’-moment liggen: dat het ‘charge’-moment later in de tijd lag dan het moment van beboeting wegens niet-medewerking, kan mijns inziens enkel worden verklaard doordat de nationale rechters de boetes nadien – in de ‘charge’-fase – bekrachtigden.3 Zo bezien blijft het in § 6.5.2 gemaakte onderscheid tussen Funke- en Saunders-achtige zaken onverkort bestaan.