Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/21.6:21.6 Implicaties voor de rechtspraktijk
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/21.6
21.6 Implicaties voor de rechtspraktijk
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300487:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
852. Voor de rechtspraktijk, ten slotte, betekent dit onderzoek dat het eenvoudiger wordt om te bepalen of bepaalde aanspraken al dan niet mee overgaan. Aan de hand van het stappenplan in paragraaf 20.2 kan wor den bepaald hoe de aanspraken zijn of kunnen worden vormgegeven en welke consequenties dat heeft voor degene die het subjectieve recht verkrijgt waar de aanspraken mee samenhangen. In algemene zin volgt uit het onderzoek dat partijen veel ruimte hebben om aanspraken zelf vorm te geven en daarmee invloed uit te oefenen op de vraag wie van de aan spraken gebruik kan maken. Zo is het mogelijk dat partijen de mechanismen die ervoor zorgen dat aanspraken die zij ter beschikking stellen automatisch overgaan op een opvolgend verkrijger zó te gebruiken dat de bepaalde partijen de aanspraken niét verkrijgen. Partijen kunnen bijvoorbeeld een afhankelijk zekerheidsrecht zo moduleren, dat het enkel kan worden uitgeoefend door specifieke, van tevoren aangeduide partijen bij bezwaring (zie paragraaf 14.4.3.4) of overgang (zie paragraaf 14.6.2) van de gesecureerde vordering. Ook is het mogelijk om aanspraken die normaal gesproken niet automatisch mee overgaan kwalitatief te maken (zie para graaf 15.6.2). Verder kunnen partijen zelf aanspraken ‘in elkaar knutselen’ die toekomen aan de rechtsopvolger van een subjectief gerechtigde, zoals besproken in hoofdstuk 17. Dat maakt het mogelijk om aanspraken precies te laten toekomen aan de partijen waarvan het wenselijk is dat zij de aanspraken kunnen uitoefenen, óók als dat op basis van een wettelijke regeling niet zou kunnen. Een voorbeeld daarvan is het uitbreiden van de mogelijkheid om een bankgarantie in te roepen naar de pandhouder van de vordering op degene die de garantie laat stellen. Tevens kunnen de aanspraken zo worden vormgegeven dat ze precies zijn afgestemd op de rechtspositie van degene die ze in kan roepen; te denken valt aan het gelijk schakelen van de verjaringstermijn die geldt voor de vordering op de doch termaatschappij en de vordering op de moedermaatschappij bij een 403-verklaring (zie voor beide voordelen paragraaf 17.6). Door al deze mogelijkheden worden partijen in staat gesteld om hun onderlinge rechtsposities nóg beter af te stemmen.