Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/3.4
3.4 Summiere jaarrekening
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648709:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De verplichting van artikel 2:101/2:210 BW vereist een jaarverslag dat aan de aandeelhouders kan worden voorgelegd.
De balans van een summiere jaarrekening dient slechts de som van de vaste activa, de vlottende activa, het eigen vermogen, aangehouden voorzieningen en de schulden te vermelden.
De winst- en verliesrekening van een summiere jaarrekening dient slechts het resultaat van de gewone bedrijfsvoering na belastingen en het saldo van overige baten en lasten na belastingen te vermelden.
In beginsel zullen schuldeisers niet veel hebben aan een summiere jaarrekening; de informatie is beperkt en bovendien niet openbaar.
Behoudens verlenging door de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van bijzondere omstandigheden, zie artikel 2:210 BW.
Asser/Maeijer 2-III 2000, nr. 438.
De Kluiver 2002, p. 97.
Beckman 2008-II, p. 221.
Zie artikel 31a lid 3 WOR. Zie ook Slagter 2005, p. 457; Dorresteijn & Roest 1992, p. 91-93; SER advies 92/07: advies van 15 mei 1992 inzake Knelpunten Wet op de ondernemingsraden, p. 20-21 en A.m.v.b. ‘Besluit verstrekking financiële informatie aan ondernemingsraden 1985’.
Van Olffen 2001, p. 833-834.
Zie artikel 2:394 BW in samenhang met artikel 2:138/2:248 BW. Zie eveneens hoofdstuk 2, paragraaf 2.5.3.
Van de wettelijke reserves zijn alleen de deelnemingsreserve en de herwaarderingsreserve gebaseerd op titel 2.9 BW. De overige wettelijke reserves zijn gebaseerd op titel 2.4 en titel 2.5 BW, waarvoor artikel 2:403 geen vrijstelling verleent. Zie Bier 2003, noot 130 en Smits 2007, alinea 2.6.2.
Raad voor de jaarverslaggeving, Richtlijnen voor de jaarverslaggeving, 2006, nr. 203
Beckman 1995, p. 609.
Een vrijgestelde rechtspersoon behoeft haar jaarrekening niet overeenkomstig titel 2.9 BW in te richten en te publiceren. Dat betekent niet dat de vrijgestelde rechtspersoon volledig van haar jaarrekeningenplicht is vrijgesteld. Artikel 2:403 lid 1 sub a BW stelt dat nog steeds een jaarrekening wordt opgesteld. Van een vrijstelling van de boekhoudplicht, geregeld in artikel 2:10 BW, is overigens ook geen sprake. Artikel 2:10 BW maakt geen onderdeel uit van de bepalingen die zijn opgenomen in titel 2.9 BW waarvoor een vrijstelling kan worden verkregen. Artikel 2:10 BW dient onverkort door de vrijgestelde rechtspersoon te worden nageleefd.
De jaarrekening die de vrijgestelde vennootschap dient op te stellen, heeft niet veel om het lijf. De vrijgestelde rechtspersoon hoeft slechts een sterk versimpelde jaarrekening op te stellen,1 een zogenoemde summiere jaarrekening. De summiere jaarrekening bestaat uit een vereenvoudigde balans2 en een vereenvoudigde winst- en verliesrekening3 zonder toelichting. Zie artikel 2:403 lid 1 sub a BW:
Artikel 2:403 lid 1 sub a BW
de balans in elk geval vermeldt de som van de vaste activa, de som van de vlottende activa, en het bedrag van het eigen vermogen, van de voorzieningen en van de schulden, en de winst- en verliesrekening in elk geval vermeldt het resultaat uit de gewone bedrijfsuitoefening en het saldo der overige baten en lasten, een en ander na belastingen;
Het opstellen van een summiere jaarrekening is een interne aangelegenheid.4 Het bestuur van de vrijgestelde rechtspersoon stelt de summiere jaarrekening binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar op.5 De summiere jaarrekening dient door de bestuurders (en eventueel de commissarissen) van de vrijgestelde rechtspersoon te worden ondertekend.6 De leden of aandeelhouders stellen de summiere jaarrekening vervolgens binnen de wettelijke of statutaire termijn vast.7 De summiere jaarrekening hoeft niet openbaar te worden gemaakt en hoeft niet door een accountant te worden gecontroleerd. Een accountantsverklaring wordt niet verlangd.8 Indien er een ondernemingsraad is ingesteld, dient de summiere jaarrekening aan de ondernemingsraad te worden verstrekt.9 Wanneer de vrijstelling van artikel 2:403 BW wordt toegepast, dient de ondernemingsraad tevens de geconsolideerde jaarrekening te ontvangen.10
In de praktijk wordt het opstellen en vaststellen van de summiere jaarrekening nogal eens vergeten.11 Dit kan voor schuldeisers de mogelijkheid openen om de bestuurders van de vrijgestelde rechtspersoon aansprakelijk te stellen wegens het niet-voldoen aan de jaarrekeningenplicht.12
Opgemerkt dient te worden dat de vrijstelling van artikel 2:403 BW een rechtspersoon vrijstelt van haar verplichting om haar eigen enkelvoudige jaarrekening volgens titel 2.9 op te stellen en te publiceren. Is de vrijgestelde rechtspersoon tevens gehouden om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, dan kan de vraag worden gesteld of de vrijgestelde vennootschap eveneens van die verplichting is vrijgesteld. De vraag is wat wordt bedoeld met ‘de jaarrekening’ zoals genoemd in artikel 2:403 lid 1 BW:
Artikel 2:403 lid 1 BW:
Een tot een groep behorende rechtspersoon behoeft de jaarrekening niet overeenkomstig de voorschriften van deze titel in te richten, mits: (...)
Een ander onduidelijk punt betreft de reserves die een vrijgestelde rechtspersoon aan dient te houden. Een vrijgestelde rechtspersoon is mogelijk niet verplicht de reserves aan te houden die titel 2.9 BW voorschrijft.13 Het niet hoeven aanhouden van bepaalde reserves vanwege het gebruik van de groepsvrijstelling zou naar mijn idee een onbedoeld neveneffect van de groepsvrijstelling zijn.14 Het feit dat de reserves niet in de (summiere) jaarrekening hoeven te worden vermeld, betekent mogelijk niet dat deze reserves niet aangehouden hoeven te worden. Er is geen ratio die het wegvallen van de reguliere verplichting om reserves aan te houden rechtvaardigt. Het niet hoeven aanhouden van reserves – wat normaliter wel zou moeten – heeft invloed op de bepaling van de winst die krachtens artikel 2:105 BW respectievelijk artikel 2:216 BW mag worden uitgekeerd. Vrijgestelde rechtspersonen wordt aanbevolen om de reserves uit titel 2.9 BW toch aan te houden.15 Bovendien moeten de reserves wel (weer) worden aangehouden als de toepassing van de groepsvrijstelling wordt beëindigd.16