Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.3.3.1:7.3.3.1 Algemeen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.3.3.1
7.3.3.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498332:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Minder stellig is Asbreuk 2008, p. 9.
Voor de goede orde, het Hof overweegt dit niet. Ook in andere arresten rept het Hof niet over materiaal met verklarende waarde (‘testimonial evidence’).
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 107-108.
§ 113-115.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zo hierover nog was te twijfelen, dan laat de zaak Jalloh geen andere gevolgtrekking toe dan dat de (schijnbare) tegenstelling tussen Funke en J.B. en Saunders, is overbrugd.1 In Jalloh erkent het EHRM uitdrukkelijk dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting ruimer is dan het zwijgrecht. Het omvat mede een niet-meewerkrecht. Deze waarborg strekt zich uit tot ‘real evidence’.
In deze zaak speelde de verkrijging van een bolletje cocaïne door middel van het gedwongen toedienen aan klager van een braakmiddel. Omdat de agenten die hem observeerden op de hoogte waren van het bestaan van het bolletje cocaïne voordat hij dat opspuugde, vormde het geen ‘verklarend’ bewijs.2 Toch is het bolletje cocaïne geen Saunders-materiaal. Het is ‘real evidence’. In lijn met de documenten die van Funke en J.B. werden gevorderd, brengt het Hof het bolletje – in casu via de band van schending van art. 3 EVRM – binnen het toepassingsbereik van het niet-meewerkrecht.3
Duitse regering: gelijkstellinglichaamsmateriaal en lichaamsvreemd materiaal
In de klachtprocedure voor het Hof had de Duitse regering het standpunt ingenomen dat uit Saunders volgt, dat het via een braakmiddel verkrijgen van de drugs als bewijs toelaatbaar is. Het recht tegen gedwongen zelfbelasting zou enkel verbieden dat een persoon tegen zijn wil handelt. Volgens de Duitse regering werd Jalloh niet gedwongen (actief) mee te werken aan het onderzoek. Het opspugen van het bolletje cocaïne was een oncontroleerbare, lichamelijke reactie, die niet werd verboden door het recht tegen gedwongen zelfbelasting. De aanvankelijke weigering van klager om mee te werken aan het onderzoek, was volgens de Duitse regering in dit verband irrelevant. Anders zouden alle onderzoekshandelingen die erop zijn gericht de wil van de verdachte om bewijs te verhullen te doorbreken, zoals bloedonderzoek of doorzoeking, verboden zijn. Als het is toegestaan om lichaamsstoffen of cellen als belastend bewijs te gebruiken, zoals het Hof in Saunders overweegt, dan moet het volgens de Duitse regering ook mogelijk zijn materiaal te gebruiken dat lichaamsvreemd is. Het bewijsgebruik van het bolletje cocaïne in de strafzaak tegen klager, kon dan ook niet ontaarden in een onbehoorlijk strafproces in de zin van art. 6, lid 1 EVRM.
Hof: drie aspecten die Saunders-materiaal en ‘real evidence’ van elkaar scheiden
Het Hof vaart een andere koers. Betreffende de toepasselijkheid van het niet-meewerkrecht overweegt het dat in de onderwerpelijke zaak aan de orde is het gebruik in de nationale strafprocedure van fysiek bewijs dat is verkregen in strijd met klagers integriteit. Onder verwijzing naar Funke en J.B. overweegt het dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting weliswaar primair is gericht op het afleggen van een verklaring, maar dat het meermaals een ruimere betekenis aan het nemo tenetur-beginsel heeft toegekend in zaken waarin de gedwongen afgifte van ‘real evidence’ in het geding was. Het bolletje cocaïne dat door toediening van een braakmiddel van klager werd verkregen, kan volgens het Hof worden beschouwd als Saunders-materiaal dat in de regel als bewijs in strafprocedures kan worden gebruikt. Drie aspecten doen de onderwerpelijke zaak echter verschillen van de voorbeelden die het daarvan in § 69 van Saunders geeft, te weten:
het bolletje cocaïne betreft ‘real evidence’ en niet forensisch materiaal voor het detecteren van alcohol en drugs;
de mate van geweld die tegen klager werd gebruikt, verschilt aanmerkelijk met de mate van dwang die gewoonlijk nodig is om de typen van wilsonafhankelijk materiaal uit het Saunders-arrest te verkrijgen; en
het bewijs in de onderwerpelijke zaak is verkregen op een wijze die in strijd komt met art. 3 EVRM.4