Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/3.2.2
3.2.2 De doelstelling(en) van het mededingingsrecht
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183453:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Whish & Bailey 2018, p. 18-19.
Zie bijvoorbeeld Zimmer e.a. 2000.
Richtsnoeren betreffende de toepassing van artikel 81 lid 3 van het Verdrag, par. 13.
Jones & Sufrin 2016, p. 37-38. Zie ook: Van den Bergh & Camesasca 2006, p. 36 en Bishop & Walker 2018, p. 24 en 39.
Baarsma 2010, p. 7.
Allocatieve efficientie kan in verband worden gebracht met Pareto-efficientie, waarbij de middelen zo zijn verdeeld dat geen betere verdeling mogelijk is. Zie (uitvoerig) Van den Bergh & Camesasca 2006, p. 29-31: ‘Put differently, Pareto improvements are no longer possible in a market which is allocatively efficient’. Zij merken op dat allocatieve efficiëntie kan botsen met productieve en dynamische efficiëntie. Productieve efficiëntie (waarbij efficiëntere bedrijven die tegen lagere kosten kunnen produceren, de minder efficiënt producerende bedrijven zouden mogen overnemen) is geen Pareto-verbetering. Een oplossing hiervoor is het Kaldor-Hicks criterium, dat inhoudt dat verbeteringen mogelijk moeten zijn waarbij er als gevolg van de verandering winnaars en verliezers zijn (met als voorwaarde dat de winnaars meer winnen dat de verliezers zullen verliezen). Dit wordt ook wel een ‘potential Pareto-improvement’ genoemd omdat de compensatie van de inefficiënte bedrijven uiteindelijk weer zal leiden tot een Pareto-optimum. Zie Van den Bergh & Camesasca 2006, p. 30.
Voor een bespreking van deze begrippen verwijs ik naar Jones & Sufrin 2016, p. 7 en Zippro 2008, p. 34.
Jones & Sufrin 2016, p. 7.
Van de Gronden 2017, p. 2; Jones & Sufrin 2016, p. 35.
HvJ EG 13 juli 1966, gevoegde zaken 56 en 58-64, (Grundig/Consten).
Daarvoor verwijs ik de lezer naar het boek van Van den Bergh & Camesasca 2006.
Het mededingingsrecht wordt in verband gebracht met meerdere doelstellingen.1 In de literatuur is daar reeds uitgebreid aandacht aan geschonken.2 Over het algemeen wordt aangenomen dat de belangrijkste functie van het mededingingsrecht de bescherming van de concurrentie is. Door dat doel te verwezenlijken worden ook andere doelen bereikt, zoals de vergroting of maximalisatie van de consumentenwelvaart (consumer welfare) en de doelmatige allocatie van middelen (allocative efficiency).3 Dat zijn economische begrippen. Zij zijn van belang bij de interpretatie van het mededingingsrecht. Zo speelt het begrip ‘efficiëntie’ een belangrijke rol bij de vraag of een beroep op een uitzondering van het kartelverbod is gerechtvaardigd. Wat wordt bedoeld met welvaartsmaximalisatie en een doelmatige middelenallocatie?
Met de maximalisatie van de welvaart wordt bedoeld dat het mededingingsbeleid erop is gericht om de consumentenwelvaart te vergroten.4 Consumentenwelvaart ziet op het nut dat consumenten ontlenen aan het kopen van een product. Welvaart wordt daarom ook wel als nut aangeduid. Economen zien nut als alles wat de behoeften van mensen beïnvloedt en waarvoor schaarse, alternatief aanwendbare middelen nodig zijn.5 Als de (consumenten)welvaart wordt gemaximaliseerd wil dat dus zeggen dat de schaars beschikbare middelen zo worden ingezet dat de behoeften van de gebruikers/consumenten optimaal worden bevredigd.
Bij welvaartsmaximalisatie is ook sprake van een doelmatige middelenallocatie. Zoals gezegd worden bij de maximalisatie van welvaart de (schaars) beschikbare middelen namelijk optimaal ingezet/verdeeld. Economen spreken dan van een allocatieve efficiëntie. Geen van de spelers op een markt kan er bij een situatie van allocatieve efficiëntie op vooruit gaan zonder dat een ander erop achteruitgaat (Pareto-efficiënt).6 De productiemiddelen worden, met andere woorden, zo ingezet dat de behoeften optimaal worden bevredigd. Naast de allocatieve efficiëntie wordt er door economen ook gesproken van productieve en dynamische efficiëntie.7Dynamische efficiëntie ziet op de vermindering van het kwaliteitsbewustzijn en de prikkel tot innovatie. En bij productieve efficiëntie worden de producten tegen zo laag mogelijk kosten geproduceerd.8
Om deze begrippen beter te verduidelijken, verwijs ik naar een passage uit de memorie van toelichting gegeven bij de Mededingingswet waarin zowel de allocatieve als de dynamische efficiëntie te herkennen zijn:
‘Een bekend ongewenst effect van monopolistische en kartelmatige restricties op de vrije prijsvorming, de te produceren en af te zetten producten of de toetredingsvoorwaarden van een markt is dat daardoor een minder efficiënte verdeling van productiemiddelen tot stand komt, zowel in statische als in dynamische zin. Dat betekent dat de prijzen en kosten van bestaande goederen en diensten ongunstig beïnvloed worden. Voorts leert de ervaring dat een ingreep in de marktverhoudingen en marktuitkomsten ook het marktmechanisme zelf niet ongemoeid laat. De primaire functie van het marktmechanisme in een markteconomie is dat het ondernemers, werknemers en consumenten niet alleen stuurt, maar ook stimuleert en disciplineert. Wanneer dat mechanisme, om welke reden dan ook, die functies niet goed meer kan uitvoeren, dan vermindert dat het kwaliteitsbewustzijn en de prikkel om te zoeken naar nieuwe en betere producten en diensten. Ook dat zijn in zekere zin kosten; nadelige effecten die op den duur zwaar kunnen gaan wegen in het internationale spel om de gunsten van de consument en de investeerder.’9
Naast deze economische doelstellingen die aan het mededingingsrecht ten grondslag liggen, wordt het Europese mededingingsrecht ook in verband gebracht met de integratie van de Europese interne markt. Zeker binnen de Europese Unie geldt dat het mededingingsrecht ten dienste staat van de verwezenlijking van de Europese interne markt en de bevordering van handel tussen de lidstaten.10 Zo werd er door het Hof in het arrest Grundig/Consten overwogen dat een overeenkomst die de parallelle invoer tegenging en daardoor verschillende markten van elkaar scheidde in strijd was met de mededingingsregels.11
De functie van het mededingingsrecht om zorg te dragen voor efficiënt werkende markten is afkomstig uit mededingingstheorie. Het valt buiten het bestek van dit hoofdstuk om uitvoerig de verschillende mededingingstheorieën te behandelen.12 Toch is het nuttig om – als sluitstuk van deze paragraaf – een schets te geven van enkele belangrijke economische theorieën die aan het mededingingsrecht ten grondslag liggen. In de eerste plaats maakt dat duidelijk waarom het mededingingsrecht überhaupt bestaat en, in de tweede plaats, biedt het inzicht welke economische criteria bij toetsing aan het mededingingsrecht van belang zijn. In de volgende paragraaf staan enkele economische theorieën centraal die van invloed zijn (geweest) op het mededingingsrecht.