Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/6.1
6.1 Inleiding
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS383434:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Planiol/Ripert & Boulanger I, nr. 39-46 en Baudry-Lacantinerie I, nr. 10-13.
Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat tevens aan koninklijke ordonnanties die aan het gehele rijk gemeenschappelijk waren, een belangrijke rechtsbron toekwam.
Men moet zich realiseren dat in costumen dikwijls veel privaatrechtelijke vraagstukken ongeregeld bleven omdat het Corpus Iuris daarin reeds voorzag. De invloed van het Romeinse recht is dan ook groter geweest dan men op basis van zijn positie als post-subsidiaire rechtsbron zou verwachten.
Zie Lokin & Zwalve 2014, p. 234-238.
De codificatie werd in 1804 ingevoerd als Code civil des Français, maar werd in 1807 vanwege de gebiedsuitbreiding van het keizerrijk hernoemd tot Code Napoleon. Na de val van Napoleon kreeg het zijn oorspronkelijke benaming terug.
Over de invloed van het Franse op het Nederlandse wetboek wordt wel opgemerkt dat het BW van 1838 op de leest van de Code civil is geschoeid. Zie Lokin & Zwalve 2014, p. 369 en Asser-Scholten (Algemeen deel) 1974, p. 169. Zie voor een overzicht van de verspreiding van de Code civil buiten Frankrijk Lokin & Zwalve 2014, p. 261 en 262.
Zie als voorbeeld Asser 1838, p. 261-262. Naar Frans recht dient de verbintenis zelf als wijze van eigendomsoverdracht en niet – zoals naar Romeins recht geldt – de levering die geschiedt ter uitvoering van die verbintenis. Het Nederlandse BW van 1838 is teruggekeerd tot de beginselen van het Romeinse recht.
Zie Locré I, p. 271.
Zie hierna in par. 6.3.1 uitgebreid.
Zwalve merkt op dat de eigendomsoverdracht par l’effet des obligations de grens tussen zakenrecht en verbintenissenrecht vertroebelt. Zie Zwalve 2006, p. 138.
Boek 3 van het burgerlijk wetboek van België, waar men tot op de dag van vandaag met uitzondering van met name het zekerhedenrecht vasthoudt aan de wettekst van de Code civil, is getiteld ‘op welke wijze eigendom verkregen wordt’.
Zie Ginossar 1960, p.121-133 voor een vergelijking tussen droits réels en droits personnels en Terré & Simler 2014, nr. 47 en 48.
Het Hof van Cassatie heeft in 2012 een eind gemaakt aan een oude controverse over het al dan niet bestaan van een numerus clausus. Zie Cass. civ. 3e, 31 oktober 2012 (Maison de la Poésie), Bull. civ. III, nr. 159. Overigens had het hof deze discussie in 1834 zelf aangewakkerd door in het arrest Caquelard te overwegen dat noch de Code civil noch een andere wet zich verzet tegen het creëren van een zakelijk recht dat de wet niet kent. Zie req. 13 februari 1834, S. 1834,1, p. 205.
In de periode voor de revolutie was het recht in Frankrijk versplinterd in een verscheidenheid van lokaal gewoonterecht. In de zuidelijke gebieden was het Romeinse recht uit kracht van de gewoonte, zij het als subsidiair recht, blijven voortleven. Deze gewoonte was – uiteraard – opgetekend in het Corpus Iuris en daarom werden deze gebieden de ‘pays de droit écrit’ genoemd. In scherp contrast met deze gebieden van ‘geschreven recht’ stonden de noordelijke streken die hun Romeinsrechtelijke karakter geheel hadden verloren. In deze districten gold uitsluitend inheems gewoonterecht en deze werden daarom uitgedrukt als ‘pays de droit coûtumier ’.1 Toch was overal in Frankrijk de gewoonte de belangrijkste rechtsbron.2 Indien de lokale gewoonten geen oplossing boden voor een rechtsvraag, ging men te rade bij costumen van aangrenzende gebieden. De geleidelijke publicatie van de verschillende costumen – in het bijzonder die van Parijs in 1510 – heeft eraan bijgedragen dat niet het Romeinse recht, maar de Coutume de Paris de primaire subsidiaire rechtsbron werd.3 Voor het Romeinse recht bleef nog slechts de plaats van post-subsidiaire rechtsbron over.
Hoewel de Franse koningen in de zeventiende en het begin achttiende eeuw enkele pogingen hebben gedaan om rechtseenheid tot stand te brengen – slechts op bepaalde rechtsgebieden hadden de ordonnanties eenheid geschapen – heeft pas de revolutie deze codificatieontwikkeling versterkt. Tijdens het zogenoemde ‘droit intermédiaire’ (1789-1804) is van de hand van Jean Jacques Régis de Cambacérès drie maal een ontwerp voor een Code civil verschenen, dat evenwel steeds door de ontwikkelingen werd achterhaald.4 De werkzaamheden van de wetgevingscommissie die in 1800 door Napoleon Bonaparte werd ingesteld hebben uiteindelijk geleid tot de Code civil die in 1804 als exclusieve eenheidscodificatie in werking trad.5
De grote invloed die de Code civil op het Nederlands Burgerlijk Wetboek van 1838 alsmede op vele andere wetboeken heeft gehad vormt de aanleiding voor de bestudering van Frans recht.6 Toch zijn niet alleen de grote overeenkomsten, maar in het bijzonder ook de verschillen voor een rechtsvergelijking interessant. Zo wijkt het Nederlandse BW van 1838 op een aantal fundamentele punten af van de Code civil.7 Enkele van deze verschillen die slechts in het licht van de grondslagen van de Code civil kunnen worden begrepen hebben, naar hieronder duidelijk zal worden, gevolgen voor de toepassing van de prioriteitsregel. Daarnaast zijn ook enkele recente ontwikkelingen, te weten met name de herziening van het zekerhedenrecht in 2006, voor deze rechtsvergelijking relevant.
De wetgevingscommissie waarin Jean Etienne-Marie Portalis mede vanwege het door hem geschreven voorwoord (Discours préliminaire) voorafgaand aan het wetsontwerp uitkomt als belangrijkste redacteur, greep terug op het prerevolutionaire recht. In de Discours préliminaire beschrijft Portalis dat ‘een schikking tussen het geschreven (Romeinse) recht en het costumiere recht’ de grondslag vormt van de Code civil.8 Daarnaast draagt de Code ook duidelijk sporen van natuurrechtelijke opvattingen waarin de revolutie haar inspiratie had gevonden. Als voorbeeld kan het leerstuk van de eigendomsverkrijging worden genoemd. In afwijking van zowel het Romeinse recht als de meeste costumen gaat door het aangaan van de verbintenis met de strekking eigendom te doen overgaan, de eigendom van rechtswege over.9 De eigendomsoverdracht ‘par l’effet des obligations’ is voortgekomen uit een van de beginselen van de revolutie, te weten de contractsvrijheid.
De Code civil trekt een minder scherpe scheidslijn tussen het goederen- en verbintenissenrecht en is dan ook op andere wijze samengesteld dan wetboeken die op het Romeinsrechtelijke stelsel van overdracht leunen.10 In het Franse wetboek is het gehele verbintenissenrecht ondergebracht in het derdeboek dat de titel draagt ‘Des différentes manières dont on acquiert la proprieté’.11 Toch houdt het Franse recht wel vast aan de gemeenrechtelijke scheiding tussen zakelijke en persoonlijke rechten.12 Bovendien kent men in Frankrijk een gesloten stelsel van goederenrechtelijke rechten.13 Om die reden alsmede voor de uniformiteit van het onderzoek wordt in dit hoofdstuk het goederenrecht apart van het verbintenissenrecht besproken. Het rechtsgebied dat van oudsher het toepassingsgebied van de prioriteitsregel vormt, te weten het zekerhedenrecht op onroerende zaken, komt eerst aan bod. Daarna worden andere goederenrechtelijke rechten op zowel onroerende als roerende zaken besproken waarbij in het bijzonder aandacht toekomt aan het stelsel van registratie en publicatie. Aangezien het leerstuk van een dubbele verkoop naar Frans recht vanwege de translatieve werking van de overeenkomst in tegenstelling tot het Nederlandse recht geen verbintenisrechtelijke kwestie is, komt dit – om het leerstuk vanuit rechtsvergelijkend oogpunt op passende wijze te bespreken – in een aparte paragraaf (6.3) aan bod. De daaropvolgende paragraaf handelt over de mogelijke toepassing van de prioriteitsgedachte in het verbintenissenrecht.