De prioriteitsregel in het vermogensrecht
Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/6.5:6.5 Slotsom
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/6.5
6.5 Slotsom
Documentgegevens:
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS385883:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Franse burgerlijk recht is ondanks de afschaffing van de traditio als voorwaarde voor eigendomsovergang in grote mate trouw gebleven aan de Romeinse rechtsbeginselen. Zo is zelfs het Romeinsrechtelijke euvel van het gebrek aan publiciteit van zakelijke rechten op onroerende zaken - met uitzondering van conventionele hypotheken – door de wetgever van 1804 overgenomen. Nadat dit gebrek bij decreet van 4 januari 1955 eenmaal was verholpen, kon de verhouding tussen meerdere gerechtigden tot dezelfde onroerende zaak op een gemakkelijk toepasbare wijze in overeenstemming met de prioriteitsregel worden vastgesteld. Sindsdien dient immers ieder zakelijk recht op een onroerende zaak ter verkrijging van derdenwerking te worden geregistreerd.
De translatieve werking van de overeenkomst die door het stelsel van publiciteit ten aanzien onroerende zaken praktisch betekenisloos is geworden, creëert ten aanzien van roerende zaken een risico op dubbele overdrachten. Het is in dat kader het bezit dat als gevolg van het beginsel en fait de meubles, possession vaut titre de derdenwerking van de eigendomsoverdracht veiligstelt. Bij een dubbele verbintenis tot levering van een roerende zaak krijgt immers degene die te goeder trouw het bezit van de zaak verkrijgt voorrang boven de ander die op levering aanspraak maakt.
De verpandingsregeling van roerende zaken heeft tot 2006 prioriteitsconflicten tussen meerdere pandhouders voorkomen omdat voor een rechtsgeldige verpanding dépossession was vereist. Sinds de herziening van het zekerhedenrecht kan de verpanding ook zonder machtsverschaffing plaatsvinden. In dat geval dient het zekerheidsrecht wel te worden geregistreerd. Het moment van registratie is voor het geval van een dubbele verpanding beslissend voor de rangorde tussen de pandhouders.
De registratie ten behoeve van de derdenwerking enerzijds en de bezitsverkrijging die het zakelijke recht veiligstelt anderzijds, brengt aldus ten aanzien van gerechtigden tot lichamelijke zaken steeds een rangorde tot stand die in de regel aansluit bij de volgorde van publicatie. Het antwoord op de vraag of een recht aan een derde kan worden tegengeworpen is daarmee ten aanzien van lichamelijke zaken in beginsel gekoppeld aan de publicatie van het recht.
Ten aanzien van rechten op onlichamelijke zaken – ik beperk mij tot de overdracht en verpanding van vorderingsrechten – ligt dat anders. Van oudsher geldt dat een nadere formaliteit, te weten betekening aan de debiteur is voorgeschreven voordat de beschikking aan derden kan worden tegengeworpen. Tot het moment waarop de cessie of verpanding aan de debitor cessus is betekend, heeft deze slechts werking tussen partijen. De publiciteit van de cessie of verpanding is daarmee alleen gericht op de debiteur van de verpande vordering. De in 2006 vernieuwde regeling van nantissement heeft ook dit publiciteitsvereiste losgelaten nu de verpanding reeds vanaf de datum van de akte aan derden – met uitzondering van de debiteur – kan worden tegengeworpen. De rangorde tussen meerdere gerechtigden tot een vordering die zich in dit geval niet van het bestaan van elkaars rechten kunnen vergewissen, wordt opnieuw beheerst door de prioriteitsregel. Ook met betrekking tot de regeling van de cessie is het publiciteitsvereiste inmiddels losgelaten. Aan de hand van de tijdstippen waarop ingeval van een dubbele cessie de akten zijn opgesteld – op dat moment verkrijgt de cessie immers derdenwerking – wordt bepaald aan wie de vordering is gecedeerd.
De consequente toepassing van de prioriteitsgedachte in – naar Franse begrippen – goederenrechtelijke kwesties, steekt sterk af tegen de rol die voor de prioriteitsregel in verbintenisrechtelijke vraagstukken is weggelegd. In het verbintenissenrecht geldt namelijk het beginsel van de paritas creditorum. Het Franse recht heeft – anders dan het systeem van eigendomsovergang uit kracht van verbintenissen zou kunnen doen vermoeden – getrouw het gemeenrechtelijke onderscheid tussen rechten op zaken en rechten op personen gevolgd, waardoor voor de toepassing van een goederenrechtelijk begrip als de prioriteitsregel in het verbintenissenrecht in beginsel geen ruimte is.