Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.6:5.4.6 Conclusie
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.6
5.4.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501226:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Kortmann & Verhagen 1999, p. 19.
In HR 22 mei 1981, NJ 1982/121 (KOST) verrichte A een betaling aan C op grond van een overeenkomst tussen B en C. A nam verhaal op (de wettelijke vertegenwoordiger van) B. De betaling werd daarom verricht voor rekening van B. (De wettelijke vertegenwoordiger van) B vernietigde vervolgens de overeenkomst met C. De Hoge Raad oordeelde in deze feitenconstellatie onder het oude recht dat B van C kan terugvorderen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf is onderzocht wanneer toerekening kan plaatsvinden van het verrichten en ontvangen van prestaties.
Aangezien toerekening van dergelijke handelingen kan leiden tot het ontstaan van een verbintenis, dient toerekening te passen in het systeem van het Burgerlijk Wetboek (zie artikel 6:1). Daarom is aandacht besteed aan drie regelingen van toerekening in het Burgerlijk Wetboek: (i) onmiddellijke vertegenwoordiging op grond van volmacht, (ii) middellijke vertegenwoordiging op grond van een lastgevingsovereenkomst en (iii) vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van de wet, met als voorbeeld zaakwaarneming.
Geen van deze regelingen bleek zonder meer toepasbaar in het kader van artikel 6:203. Wel kan in het kader van artikel 6:203 aansluiting worden gezocht bij het patroon van toerekening in de onderzochte vertegenwoordigingsregelingen en bij de rechtvaardiging voor toerekening in deze regelingen.
Het patroon dat uit de genoemde vormen van vertegenwoordiging kan worden ontwaard, is als volgt. T heeft een bevoegdheid (soms zelfs de verplichting) om in naam of voor rekening van P te handelen met D. Deze bevoegdheid vloeit voort uit de rechtsverhouding PT of uit de wet. T maakt gebruik van die bevoegdheid en handelt met D. T’s handelen op grond van de door P verleende bevoegdheid heeft rechtsgevolgen voor P en D.1 Alleen als T heeft gehandeld in naam van P valt hij ertussen uit, in andere gevallen niet. Ook in gevallen waarin T geen bevoegdheid heeft verkregen van P om in naam of voor diens rekening te handelen, maar waarin D afgaat op een aan P toerekenbare schijn van bevoegdheid, heeft T’s handelen rechtsgevolgen voor P en D.
Rechtvaardiging voor toerekening wordt gevormd door de combinatie van (a) de bevoegdheid van de tussenpersoon jegens de achterman om een (rechts)handeling te verrichten en (b) het feit dat de tussenpersoon handelt op grond van deze bevoegdheid. Als de bevoegdheid van de tussenpersoon ontbreekt, kan toerekening plaatsvinden aan de achterman als de derde is afgegaan op een schijn van bevoegdheid die kan worden toegerekend aan de achterman.
Opmerking verdient dat voor het toerekenen van handelen in het kader van artikel 6:203 onderscheid moet worden gemaakt tussen de toerekening van het verrichten van de prestatie en de toerekening van het ontvangen van de prestatie.
Vereist voor toerekening van handelingen in het kader van artikel 6:203 is derhalve dat het verrichten of ontvangen van de prestatie plaatsvindt in naam van een ander, dan wel voor diens rekening.2 Degene die deze handelingen verricht, dient daartoe bevoegd te zijn. Als hij niet bevoegd is, kan toerekening plaatsvinden als degene met wie hij heeft gehandeld, is afgegaan op een schijn van bevoegdheid die kan worden toegerekend aan degene in wiens naam de handeling is verricht, of voor wiens rekening de handelende persoon zegt te handelen.