BGH 24 juli 2023, Vla ZB 10/21, ECLI:DE:BGH:2023:240723BVIAZB10.21.
Rb. Amsterdam, 13-08-2025, nr. C/13/686493 / HA ZA 20-697
ECLI:NL:RBAMS:2025:5902
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
13-08-2025
- Zaaknummer
C/13/686493 / HA ZA 20-697
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2025:5902, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 13‑08‑2025; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2025:5906, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 16‑07‑2025; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:6884, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 13‑11‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:3631, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 12‑06‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:3630, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 17‑04‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:407, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 24‑01‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:54, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 10‑01‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2023:8583, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 05‑07‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2023:8485, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑06‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2022:3586, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 22‑06‑2022; (Bodemzaak, Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
JBPr 2022/61 met annotatie van Barbiers, D.L.
Uitspraak 13‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Beperking geheimhouding.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Vonnis van 13 augustus 2025
in de gevoegde zaken
C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. J.D. Edixhoven te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna, gemeente Wierden,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ DEALER BEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEDIN AUTOMOTIVE 1M B.V., (voorheen STERN 1M B.V.),
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat mr. B. Kemp te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
en
C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim zal hierna Car Claim worden genoemd. Gedaagden 1 en 3 zullen hierna gezamenlijk Mercedes worden genoemd. Gedaagden 4 tot en met 12 en 14 tot en met 24 zullen hierna gezamenlijk de Partners worden genoemd.
1. Eerdere vonnissen en de aanleiding tot dit vonnis
1.1.
Bij vonnis van 16 juli 2025 heeft de rechtbank nader beslist inzake het bij vonnis van 13 november 2024 gegeven bevel aan Mercedes op grond van artikel 22 Rv.
1.2.
Daarbij is in rov 2.10 en 3.3 als volgt overwogen en beslist:
2.10
Ook de Partners zijn partij in het geding en het verbod heeft ook op hen betrekking. Gezien hun band met Mercedes is niet te verwachten dat de Partners concurrentiegevoelige informatie aan derden zouden willen verschaffen. Om elk risico daarop uit te sluiten zal hen evenwel hetzelfde verbod met dezelfde dwangsom worden opgelegd als eisers. Onder derden wordt in hun geval verstaan anderen dan statutair bestuurders van de Partners en de door de Partners ingeschakelde advocaten (en hun kantoorgenoten).(…)
3.3
bepaalt dat het SDEJ, Car Claim en de Partners verboden is aan derden als bedoeld in rechtsoverweging 2.9 en 2.10 mededelingen te doen omtrent gegevens die Mercedes in deze procedure in het geding heeft gebracht of zal brengen ter voldoening aan het op 13 november 2024 door de rechtbank gegeven bevel op grond van artikel 22 Rv, op verbeurte aan Mercedes van een dwangsom van € 1.000.000 per overtreding;
1.3.
De Partners hebben bij brief van 29 juli 2025 de rechtbank verzocht de kring van personen de niet als derden gelden in de zin van rov 2.10 uit te breiden. Kopie van deze brief is naar de overige partijen verzonden. Op 7 augustus 2025 hebben de Partners een reminder email verzonden, ook weer met kopie naar de overige partijen. Mercedes, SDEJ en Car Claim hebben niet gereageerd.
1.4.
De rechtbank zal de gevraagde uitbreiding toestaan zoals in de beslissing vermeld.
1.5.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
2. De beslissing
De rechtbank:
2.1.
bepaalt dat de volgende personen ook niet als derden gelden in de zin van rov 2.10 van het vonnis van 16 juli 2025: (i) mr. Arnold Koopmans, (ii) mr. E.J.G Beerdsen, curator van Cor Millenaar B.V., en zijn kantoorgenoten, en (iii) maximaal twee medewerkers per Partner mits de advocaat van de Partners de namen van deze medewerker(s) schriftelijk heeft opgegeven aan de advocaat van Mercedes, minimaal één week voor de informatie met de betreffende medewerker(s) wordt gedeeld,
2.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. F.L. Bolkestein en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2025.
Uitspraak 16‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Beslissing op de weigering om (volledig) aan een op grond van art. 22 Rv gegeven bevel te voldoen. De weigering is niet gerechtvaardigd. Het verzoek de procespartijen geheimhouding op te leggen met betrekking tot de op grond van dat bevel te verstrekken gegevens wordt toegewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Vonnis van 16 juli 2025
in de gevoegde zaken
C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. J.D. Edixhoven te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna, gemeente Wierden,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ DEALER BEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEDIN AUTOMOTIVE 1M B.V., (voorheen STERN 1M B.V.),
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat mr. B. Kemp te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
en
C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim zal hierna Car Claim worden genoemd. Gedaagden 1 en 3 zullen hierna gezamenlijk Mercedes worden genoemd. Gedaagden 4 tot en met 12 en 14 tot en met 24 zullen hierna gezamenlijk de Partners worden genoemd.
1. Het verloop van de procedures
1.1.
Bij vonnis van 13 november 2024 heeft de rechtbank Mercedes een bevel gegeven als bedoeld in artikel 22 Rv.
1.2.
Mercedes heeft op 5 maart 2025 een akte na tussenvonnis van 13 november 2024 houdende artikel 22 Rv-bevel, met producties, genomen.
1.3.
Bij rolbeslissing van 7 mei 2025 heeft de rechtbank SDEJ en Car Claim in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de weigering van Mercedes om een deel van de gevraagde gegevens in het geding te brengen wegens het bedrijfsvertrouwelijke en concurrentiegevoelige karakter daarvan en op het subsidiaire verzoek van Mercedes om een bevel tot geheimhouding op grond van artikel 28 lid 1 sub b Rv.
1.4.
SDEJ en Car Claim hebben op 4 juni 2025 een gezamenlijke akte na rolbeslissing van 7 mei 2025 genomen. Car Claim heeft op die dag daarnaast een akte genomen waarin zij zich bij de gezamenlijke akte aansluit en de rechtbank verzoekt om de inhoud daarvan in de Car Claim zaak als herhaald en ingelast te beschouwen.
1.5.
Dit vonnis is de in rechtsoverweging 2.8 van de rolbeslissing van 7 mei 2025 aangekondigde beslissing.
2. De beoordeling
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de weigering van Mercedes niet gerechtvaardigd en moet het verzoek van Mercedes deels worden ingewilligd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
2.2.
In dit geval is van toepassing artikel 22 Rv zoals het luidde tot 1 januari 2025.
Artikel 22 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen kan bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Het tweede lid van artikel 22 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat partijen dit kunnen weigeren als daarvoor gewichtige redenen zijn. Het derde lid van artikel 22 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter beslist of de in het tweede lid bedoelde weigering gerechtvaardigd is. Het vierde lid van artikel 22 Rv bepaalt dat, indien de rechter beslist dat de weigering niet gerechtvaardigd is, hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
2.3.
Artikel 28 lid 1 aanhef en sub b Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat het aan partijen verboden is aan derden mededelingen te doen omtrent andere dan de sub a van die bepaling bedoelde gegevens uit een procedure, indien de rechter zulks heeft bepaald.
2.4.
Mercedes beroept zich allereerst op gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 lid 2 Rv. Zij voert aan dat het gaat om informatie die, in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen die zich gewoonlijk bezighouden met dergelijke informatie, om informatie die handelswaarde bezit omdat zij geheim is en om informatie die onderworpen is aan redelijke maatregelen tot geheimhouding.
2.5.
SDEJ en Car Claim stellen hier tegenover dat het standpunt van Mercedes tegenstrijdigheden bevat en gebrekkig is gemotiveerd en dat geen sprake is van bedrijfsgeheimen of belangen die bescherming verdienen.
2.6.
De rechtbank acht het gestelde belang - te weten: de gevraagde informatie bevat gegevens die voor concurrenten nuttig zouden kunnen zijn - onvoldoende grond voor de weigering van Mercedes om aan het bevel van de rechtbank te voldoen. Ook als er vanuit wordt gegaan dat de gebruikte technieken concurrentiegevoelig zijn, neemt dat niet weg dat voor de beoordeling van de vraag of sprake is van verboden manipulatie-instrumenten de door de rechtbank gevraagde gegevens nodig zijn en onderdeel moeten uitmaken van het partijdebat.
2.7.
Mercedes zal in de gelegenheid worden gesteld alsnog volledig aan het bevel te voldoen. Bij gebreke daarvan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht.
2.8.
De rechtbank acht de mogelijkheid dat de door Mercedes in het geding te brengen gegevens voor concurrenten van belang zouden kunnen zijn wel voldoende reden om een verbod in de zin van artikel 28 Rv op te leggen. Het belang van SDEJ en Car Claim is immers beperkt tot het gebruik van deze gegevens in deze zaak en zij hebben er geen belang bij deze gegevens breder te verspreiden, terwijl dit mogelijk wel schadelijk kan zijn voor Mercedes. De door Mercedes gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd op € 1.000.000 per overtreding.
2.9.
Het bevel zal inhouden dat het SDEJ en Car Claim verboden is aan derden mededelingen te doen omtrent de door Mercedes op grond van het bevel ex artikel 22 Rv in het geding gebrachte gegevens. Onder derden wordt in dit geval verstaan anderen dan de statutair bestuursleden, de leden van de raad van toezicht en de advocaten (en hun kantoorgenoten), steeds van SDEJ respectievelijk Car Claim, alsmede de door SDEJ respectievelijk Car Claim ingeschakelde deskundigen, mits deze deskundigen zich jegens SDEJ respectievelijk Car Claim schriftelijk, op straffe van de onder 3.3 genoemde en aan Mercedes te betalen dwangsom, verbonden hebben om aan derden geen mededelingen te doen omtrent de door Mercedes op grond van het bevel ex artikel 22 Rv in het geding gebrachte gegevens.
2.10.
Ook de Partners zijn partij in het geding en het verbod heeft ook op hen betrekking. Gezien hun band met Mercedes is niet te verwachten dat de Partners concurrentiegevoelige informatie aan derden zouden willen verschaffen. Om elk risico daarop uit te sluiten zal hen evenwel hetzelfde verbod met dezelfde dwangsom worden opgelegd als eisers.
Onder derden wordt in hun geval verstaan anderen dan statutair bestuurders van de Partners en de door de Partners ingeschakelde advocaten (en hun kantoorgenoten).
2.11.
De procedure wordt voortgezet zoals beslist in de rolbeslissing van 31 juli 2024: nadat Mercedes in de gelegenheid is gesteld alsnog volledig aan het bevel te voldoen zullen SDEJ en Car Claim in de gelegenheid worden gesteld bij akte hun dagvaarding aan te vullen en te actualiseren. Deze akte dient niet te worden gepubliceerd in het centraal register voor collectieve vorderingen. Vervolgens zullen Mercedes en de Partners een conclusie van antwoord kunnen nemen. Daarna zal de inhoudelijke mondelinge behandeling plaatsvinden.
2.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verklaart de weigering van Mercedes om volledig te voldoen aan het door de rechtbank bij vonnis van 13 november 2024 gegeven bevel niet gerechtvaardigd;
3.2.
stelt Mercedes in de gelegenheid uiterlijk op 30 juli 2025 alsnog volledig aan genoemd bevel te voldoen;
3.3.
bepaalt dat het SDEJ, Car Claim en de Partners verboden is aan derden als bedoeld in rechtsoverweging 2.9 en 2.10 mededelingen te doen omtrent gegevens die Mercedes in deze procedure in het geding heeft gebracht of zal brengen ter voldoening aan het op 13 november 2024 door de rechtbank gegeven bevel op grond van artikel 22 Rv, op verbeurte aan Mercedes van een dwangsom van € 1.000.000 per overtreding;
3.4.
bepaalt dat SDEJ en Car Claim van de geheimhoudingsbepaling zoals zij die op grond van het bepaalde onder 2.9 met door hen in te schakelen deskundigen dienen overeen te komen in afschrift zenden aan Mercedes alvorens de door Mercedes in het geding gebrachte of te brengen gegevens aan de deskundige te verstrekken,
3.5.
verwijst de zaak naar de rol van 8 oktober 2025 voor door SDEJ en Car Claim te nemen akte ter aanvulling en actualisering van de dagvaardingen, daarna conclusie van antwoord van Mercedes en de Partners op een termijn van twaalf weken;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. F.L. Bolkestein en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
Uitspraak 13‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Massaschadezaak. De rechtbank dient te beoordelen of sprake is van verboden manipulatie-instrumenten (zogenaamde sjoemelsoftware) in dieselmotoren. Dit is voor de vorderingen die in dit geding aan de orde zijn niet de exclusieve bevoegdheid van het Kraftfahrzeug Bundesambt dan wel de Duitse bestuursrechter. Aangepast bevel op grond van art. 22 Rv om stellingen inzake de aanwezigheid van manipulatie-instrumenten te verduidelijken. De rechtbank stelt daartoe een aantal vragen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Vonnis van 13 november 2024
in de gevoegde zaken
C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. J.D. Edixhoven te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde ,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage ,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage ,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden ,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna, gemeente Wierden,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen ,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar ,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage ,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AGAM B.V. (voorheen Mercedes-Benz Dealer Bedrijven B.V.),
gevestigd te ’s-Gravenhage ,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen ,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen ,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen ,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEDIN AUTOMOTIVE 1M B.V. (voorheen Stern 1M B.V.),
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V., tevens als rechtsopvolgster onder algemene titel van Beheersmaatschappij Wüst B.V., die op haar beurt rechtsopvolgster onder algemene titel was van Auto Wüst Dordrecht B.V., Auto Wüst Hellevoetsluis B.V. en Auto Wüst B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat mr. B. Kemp te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
en
C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim zal hierna Car Claim worden genoemd. Gedaagden 1 en 3 zullen hierna gezamenlijk Mercedes worden genoemd. Gedaagden 4, 5, 9 tot en met 12 en 14 tot en met 24 zullen hierna gezamenlijk de Partners worden genoemd.
1. Het verloop van de procedures
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het tussenvonnis van 17 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3630, dat een bevel bevat op grond van artikel 22 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv),
- het verzoek van Mercedes en de Partners om een regiezitting te houden,
- de rolbeslissing van 12 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3631,
- de akte na rolbeslissing van 12 juni 2024, van Mercedes,
- het proces-verbaal van de op 12 juli 2024 gehouden enkelvoudige regiezitting en de daarin vermelde stukken,
- de rolbeslissing van 31 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5486,
- de akte uitlating informatiebevel, met producties, van SDEJ,
- de akte uitlating informatiebevel van Car Claim,
- de akte na rolbeslissing van 31 juli 2024, met producties, van Mercedes,
- de akte uitlating aanvullende producties en vervolg derde fase van de Partners,
- de akte uitlating aanvullende productie, van SDEJ,
- de akte uitlating productie, van Car Claim,
- de akte uitlating producties 129 en 130, van Mercedes,
- de akte uitlating aanvullende producties, van de Partners.
1.2.
In de rolbeslissing van 31 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5486, heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor akte van alle partijen waarin zij zich uitlaten over
1) de vraag wie in een civiele zaak beoordeelt of sprake is van een illegaal manipulatie-instrument (hierna: IMI);
2) de hoofdlijnen van een te geven gewijzigd bevel op grond van artikel 22 Rv;
3) de vraag of daarbij een algemene slotvraag al dan niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt.
Tevens mochten Mercedes en de Partners zich uitlaten over de producties 143-151 van Car Claim.
1.3.
Car Claim heeft zich in haar akte aangesloten bij SDEJ en verzocht de akte van SDEJ in haar zaak als herhaald en ingelast te beschouwen.
1.4.
De Partners verwijzen voor wat de onder 1.2 genoemde vragen 1 en 3 betreft naar de positie en de stellingen die Mercedes hierover inneemt in haar akte.
1.5.
De rechtbank bespreekt hierna elk van de in de rolbeslissing gestelde vragen naar aanleiding van de door partijen genomen akten en - voor zover voor deze beslissing relevant - de in het geding gebrachte producties.
2. Wie beoordeelt in een civiele zaak of sprake is van een IMI
Het standpunt van SDEJ en Car Claim
2.1.
SDEJ en Car Claim stellen dat de civiele rechter bevoegd is te oordelen dat sprake is van een IMI. Zij voeren daartoe het volgende aan.
- -
De civiele rechter is niet gebonden aan de oordelen van de bestuursrechter, zowel in Nederland als in Duitsland. Op deze procedure is Nederlands recht van toepassing, en daarmee ook het Nederlandse burgerlijk procesrecht. Een kernuitgangspunt van het Nederlandse procesrecht is de vrije bewijsleer (artikel 152 Rv); de rechter is vrij in het waarderen van het bewijs. Ook als een beslissing van de bestuursrechter formele rechtskracht heeft, geldt dat alleen de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van het besluit, maar niet de inhoudelijke overwegingen die aan het besluit ten grondslag zijn gelegd.
- -
Enkele van de KBA-besluiten (zelfs niet allemaal) houden een bevel in aan Mercedes Benz Group AG om voor bepaalde voertuigen een software update te ontwikkelen en om IMI’s te verwijderen. Het dispositief bevat geen vaststelling van welke functionaliteit een IMI zou zijn en evenmin waarom. Wachten op het oordeel van het Verwaltungsgericht is ook om deze reden niet zinvol.
- -
Het Bundesgerichtshof heeft in zijn arrest van 24 juli 20231.in een sjoemeldieselzaak geoordeeld dat de civiele rechter de zaak niet moest aanhouden in afwachting van het oordeel van de bestuursrechter omdat(i) het niet gaat om een procedure tussen dezelfde partijen,(ii) het van de bestuursrechter te verwachten oordeel niet ziet op de civielrechtelijke rechtmatigheid van de betreffende functie, maar op de juistheid van de bestreden bestuursrechtelijke handeling,(iii) een civielrechtelijke beoordeling van de rechtmatigheid van een manipulatie-instrument het doel van de typegoedkeuring niet doorkruist.
- -
Het unierecht voorziet niet in beperkingen van de vrije bewijsleer. Het beginsel van processuele autonomie wordt alleen begrensd door de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. Uit het systeem van de typegoedkeuringen kan geen beperking worden afgeleid. Dat zou een specifieke bepaling vereisen, maar die is er niet.
- -
Mercedes’ beroep op het verbod van dubbele toetsing gaat niet op, omdat het oordeel van de civiele rechter niet ingrijpt in het stelsel van emissietypegoedkeuringen. Een oordeel in een civielrechtelijke procedure over schadevergoeding in verband met IMI’s heeft geen implicaties voor het stelsel van emissietypegoedkeuringen, inclusief de geldigheid van de besluiten van de typegoedkeuringsautoriteit.
- -
Uit het arrest Inter Auto2.heeft de rechtbank terecht afgeleid dat het de taak van de
civiele rechter is een oordeel te vellen over de (il)legaliteit van manipulatie-instrumenten. In dit arrest gaf het HvJ EU immers een oordeel over de illegaliteit van bepaalde functies (onder meer een thermovenster en een hoogtemeter) nadat de civiele rechter daarover om opheldering had gevraagd.
- -
Mercedes stelt dat uit dit arrest niet zou zijn af te leiden dat de civiele rechter bevoegd zou zijn een oordeel over deze materie te vellen. Het HvJ EU zou zich daarover tot op heden niet hebben uitgelaten. Dat hoefde het Hof van Justitie echter ook niet, want deze bevoegdheid volgt uit de systematiek van het Europese recht.
- -
De A-G benoemt in zijn conclusie de bevoegdheid van de verwijzende civiele rechter zelfs uitdrukkelijk. Over de aanname dat een IMI aanwezig is schrijft hij: “staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of die aanname terecht is”.
- -
De rechtbank heeft gevraagd of denkbaar is dat een voertuig met een IMI dat in het land van herkomst een typegoedkeuring heeft gekregen, in andere landen niet van de weg geweerd mag worden, terwijl anderzijds wel geoordeeld kan worden dat dit, samengevat, niet aan de vereisten voor typegoedkeuring voldoet. Tot de invoering van Verordening 2018/858 was het toezicht op emissiegoedkeuringen de exclusieve bevoegdheid van de nationale autoriteit die de typegoedkeuring had verleend. Met de invoering van Verordening 2018/858 is een splitsing doorgevoerd tussen typegoedkeurende instanties en toezichthoudende instanties. Als beide taken in een instantie zijn ondergebracht dan dienen er strikte Chinese walls te worden geïmplementeerd. In Nederland is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de bevoegde toezichthouder. De Nederlandse toezichthouder ILT is door capaciteitsproblemen niet goed in staat haar verplichte testquota te halen. Die omstandigheid onderstreept de noodzaak van civielrechtelijke handhaving.
- -
De vraag of het besluit van de instantie die een typegoedkeuring heeft afgegeven (of administratiefrechtelijk daarover oordeelt) bindend is in civiele geschillen tussen kopers en verkopers over de vraag of in een voertuig een IMI aanwezig is achten SDEJ en Car Claim in het voorgaande negatief beantwoord.
- -
Op de vraag van de rechtbank op welke wijze in een civiele procedure moet worden vastgesteld of een IMI aanwezig is en wat daarvan de rechtsgevolgen zijn antwoorden SDEJ en Car Claim dat deze vaststelling geschiedt aan de hand van de beschikbare bewijsmiddelen zoals bevindingen van experts, bevindingen van typegoedkeuringsautoriteiten (met vrije bewijskracht) en door de gedaagden te verstrekken informatie over de aard van de ingebouwde IMI’s. Bij de vaststelling van de rechtsgevolgen kan worden aangeknoopt bij de algemene beginselen van het Nederlandse recht, en bij de relevante rechtspraak van het HvJ EU, zoals bijvoorbeeld het arrest QB Mercedes.3.
2.2.
In reactie op het hierna te noemen door Mercedes ingebrachte rapport van prof. Dörr stellen SDEJ en Car Claim dat in de civiele procedures de geldigheid van de typegoedkeuring niet aan de orde is, zodat die ook geen strijd met het typegoedkeuringsrecht opleveren. Verder wijzen zij erop dat het HvJ EU in de zaak DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen de opvatting van het KBA “overrulede”.
Het standpunt van Mercedes
2.3.
Volgens Mercedes is de civiele rechter niet bevoegd te oordelen over de vraag of sprake is van een IMI. Zij voert het volgende aan.
De goedkeuringsprocedure voor de toelating van motorvoertuigen binnen de EU in aanvankelijk de Kaderrichtlijn en thans de Kaderverordening is binnen de EU volledig geharmoniseerd. Een eenmaal goedgekeurd voertuig dient op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning in de gehele EU toegelaten te worden. Als de rechter in een civielrechtelijke procedure de juistheid van relevante besluiten van de bevoegde toezichthouder zou kunnen (her)beoordelen of andere emissievereisten aan goedgekeurde voertuigen zou kunnen stellen, dan zou dat in strijd komen met de uitdrukkelijk door de EU-wetgever nagestreefde maximumharmonisatie.Met de Emissieverordening uit 2007 was bedoeld om de emissievereisten voor de typegoedkeuring volgens het tot stand gebrachte stelsel te harmoniseren, om het vrije verkeer van goederen te garanderen. De essentie van dit stelsel dat met de Kaderverordening uit 2018 is gehandhaafd, is om de vrije toegang van voertuigen met een typegoedkeuring tot andere Europese lidstaten te garanderen op basis van het paspoortmechanisme. Op grond van die wederzijdse erkenning van typegoedkeuringen vindt op nationaal niveau geen (aanvullende) beoordeling plaats of een voertuig voldoet aan de emissievereisten. Onder de Kaderrichtlijn berustte de bevoegdheid om vast te stellen of voertuigen voldeden aan de emissievereisten exclusief bij de goedkeuringsinstantie van de lidstaat van herkomst. EU-typegoedkeuring wordt verleend door de goedkeuringsinstantie van het land van herkomst. Onder de Kaderverordening is dat veranderd, omdat de “markttoezichtautoriteit” als nieuwe handhavingsinstantie in het leven is geroepen. De bevoegdheden van de markttoezichtautoriteit zijn in de Kaderverordening geregeld. In Nederland beschikt – uitsluitend – de ILT (en daarvóór de RDW) als de in Nederland aangewezen markttoezichtautoriteit over de bevoegdheid om Betrokken Voertuigen met een typegoedkeuring van het KBA van de weg te weren. Uitsluitend als een voertuig toch niet blijkt te voldoen aan de geldende regelgeving (of een ernstig gevaar vormt), kan de vrije verhandelbaarheid van dat voertuig worden beperkt. De systematiek van de Kaderrichtlijn en Kaderverordening schrijft in detail voor onder welke voorwaarden en volgens welke procedures de juistheid van een typegoedkeuring kan worden betwist, en de wijze waarop maatregelen kunnen worden genomen om voertuigen in overeenstemming te brengen met de emissievereisten. Buiten deze in de Kaderverordening voorziene beperking, kunnen goedgekeurde motorvoertuigen echter niet van de weg worden geweerd. Op het in de Kaderverordening neergelegde, volledig geharmoniseerde stelsel mogen de lidstaten geen aanvullende regels uitvaardigen, ook niet via (bijvoorbeeld) uitspraken van de civiele rechter.
Volgens de aan de kaderrichtlijn voorafgaande overweging moeten de regels voor de interne markt transparant, eenvoudig, consistent en doeltreffend zijn, waardoor rechtszekerheid en duidelijkheid wordt geboden aan zowel bedrijven als consumenten.
Het verbod van dubbele toetsing houdt in dat het de civiele rechter niet vrijstaat de toetsing van het KBA over te doen. Producten die op basis van geharmoniseerde procedures waarin Unieregelgeving voorziet reeds zijn onderzocht en beoordeeld voor het verkrijgen van toegang tot de Europese markten, mogen in een andere lidstaat niet worden onderworpen aan een herbeoordeling.
2.4.
Volgens Mercedes is daarom een relevant besluit van het KBA als bevoegde instantie bindend in civiele geschillen tussen kopers en verkopers over de vraag of een voertuig een IMI bevat. In deze procedure dient het dictum van de volgende vier soorten besluiten van het KBA met betrekking tot de Betrokken Voertuigen tot uitgangspunt te worden genomen:
i. de emissietypegoedkeuringen, waarvan het dictum inhoudt dat betreffende voertuigen geen IMI bevatten;
ii. de terugroepbevelen in verband met een IMI, waarvan het dictum inhoudt dat de betreffende voertuigen wel een IMI bevatten;
iii. de goedkeuringen van de verplichte software-updates na een terugroepbevel, waarvan het dictum inhoudt dat voertuigen – zoals geüpdatet – niet langer een IMI bevatten; en
iv. de goedkeuringen van de vrijwillige software-updates, waarvan het dictum inhoudt dat voertuigen zoals geüpdatet geen IMI bevatten.
2.5.
Als volgens het KBA een IMI aanwezig is, is het volgens Mercedes aan de interne rechtsorde van de lidstaten overgelaten om vast te stellen welke civielrechtelijke rechtsgevolgen daaraan verbonden worden, zie de uitspraak van het HvJ EU in de zaak QB/Mercedes.4.
"Bijgevolg moet op de vijfde en de zesde vraag worden geantwoord dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het bij gebreke van Unierechtelijke bepalingen ter zake aan de betreffende lidstaat staat om in zijn nationale recht de voorschriften vast te stellen die de vergoeding regelen van de schade die daadwerkelijk is toegebracht aan de koper van een voertuig dat is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007, waarbij deze vergoeding in verhouding moet staan tot de geleden schade."
2.6.
De uitspraak van het HvJ EU in de zaak DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen5.maakt het voorgaande volgens Mercedes niet anders. De verwijzende rechter wilde in die zaak van het HvJ EU vernemen of het door Volkswagen met een software-update geïnstalleerde temperatuurvenster op grond van de uitzondering van artikel 5 lid 2 onder a Emissieverordening een geoorloofd manipulatie-instrument kan zijn, en zo nee, hoe consumenten tegen een dergelijk ongeoorloofd instrument beschermd worden op grond van Richtlijn 1999/44/EG. Het HvJ EU oordeelde dat een temperatuurvenster dat onder normale omstandigheden het grootste deel van het jaar moet functioneren om de motor te beschermen tegen schade of defecten en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren, niet onder de uitzondering van artikel 5 lid 2 onder a van de Emissieverordening kan vallen. Daarnaast oordeelde het HvJ EU dat een voertuig dat is uitgerust met een dergelijk ongeoorloofd manipulatie-instrument, niet de kwaliteit bezit die voor goederen van hetzelfde type normaal is en die consumenten redelijkerwijs mogen verwachten (ook als het voertuig nog steeds beschikt over een geldige typegoedkeuring), zodat de verkoper dan geen beroep toekomt op het weerlegbaar bewijsvermoeden van artikel 2 lid 2 van Richtlijn 1999/44/EG.
2.7.
Het HvJ EU heeft volgens Mercedes geen uitspraak gedaan over de bindende werking van relevante besluiten van de bevoegde toezichthouder onder de Kaderrichtlijn en Kaderverordening. De verwijzende rechter heeft daarover ook geen vragen gesteld aan het HvJ EU. De vragen die waren voorgelegd zien op de interpretatie van de uitzondering van de Emissieverordening en van de Richtlijn 1999/44/EG. Het HvJ EU geeft verdere handvatten om te beoordelen of een manipulatie-instrument onder de uitzondering van artikel 5 lid 2 onder a van de Emissieverordening valt en wat dit betekent voor de positie van de consument tegenover de verkoper onder de Richtlijn 1999/44/EG. Het HvJ EU oordeelt niet dat het vervolgens aan de verwijzende rechter is om die beoordeling te doen. Het enige dat zich over een taakverdeling laat afleiden uit de uitspraak, is dat het HvJ EU onder verwijzing naar de Conclusie van de Advocaat-Generaal en de bestendige rechtspraak van het HvJ EU waar de A-G naar verwijst heeft geoordeeld dat het zelf in een prejudiciële procedure geen feitenonderzoek en vaststelling kan doen, omdat de bevoegdheid daartoe bij de nationale rechter berust.
Het HvJ EU deed uitspraak op basis van de feitelijke aanname zoals voorgelegd door de verwijzende rechter dat er sprake was van een IMI waarover het KBA niet was geïnformeerd en dat het KBA de typegoedkeuring niet zou hebben verleend als zij dat wel was geweest.Volgens Mercedes kan uit de uitspraak van het HvJ EU in de zaak DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen niet worden afgeleid dat het de rechtbank vrijstaat in strijd met het uitputtend geharmoniseerd stelsel van de Kaderrichtlijn en Kaderverordening zelfstandig de juistheid van relevante besluiten te (her)beoordelen of afwijkende emissievereisten aan goedgekeurde voertuigen op te leggen.
2.8.
Mercedes heeft een opinie van prof. Dörr in het geding gebracht. De conclusies 1 en 2 stemmen overeen met het betoog van Mercedes zoals weergegeven onder 2.3. De conclusies onder 3 en 4 luiden als volgt.
“3. Thus, as a general rule (…), national courts, in proceedings under civil law, are precluded from calling into question the regulatory content of a valid EC type-approval to the effect that a vehicle put on the market under a valid EC type-approval contained a prohibited defeat device.
4. The European Court of Justice in Case C-145/20 did not take anything away from the described binding effect of EC/EU type-approvals granted by the competent authority of a EU Member State. As in Case C-100/21 (para. 84) the Court rather implied that the competent type-approval authority will take appropriate action when it recognizes the non-compliance of an approved vehicle type in reaction to the interpretative guidelines developed by the ECJ, notably in 2022. In neither Case C-100/21 nor C-145/20 did the ECJ imply that civil courts may interfere with the specific procedures and requirements set out in Directive 2007/46/EC.”
Standpunt van de Partners
2.9.
De Partners sluiten zich bij het standpunt van Mercedes aan en hebben verder nog het volgende naar voren gebracht.
2.10.
Met betrekking tot de in de rolbeslissing in r.o. 2.7 onder 2 gestelde vraag
"Is denkbaar dat een voertuig dat van een verboden manipulatie-instrument is voorzien en in het land van herkomst een typegoedkeurig heeft gekregen in andere lidstaten niet van de weg geweerd mag worden, terwijl anderzijds wel geoordeeld kan worden dat dit voertuig niet de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten?"
stellen de Partners dat het systeem van artikel 2 lid 2 van de Richtlijn consumentenkoop afwijkt van artikel 7:17 BW. Artikel 2 lid 2 van de Richtlijn consumentenkoop roept een weerlegbaar vermoeden in het leven. Indien niet aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan, betekent dat enkel dat de verkoper geen beroep kan doen op het bewijsvermoeden van artikel 2 lid 1 bij de beoordeling van de vraag of het goed aan de overeenkomst beantwoordt. Indien niet aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan, betekent dat niet dat een goed dus non-conform is.
Artikel 7:17 lid 2 BW beschrijft de situaties waarin een goed niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dat is dus een fundamenteel verschil met artikel 2 lid 2 van de Richtlijn consumentenkoop, dat juist bepaalt wanneer wordt vermoed dat een goed wél met de overeenkomst overeenstemt.
2.11.
De Partners bespreken het arrest OS/Porsche Inter Auto en Volkswagen. Daarin overwoog het HvJ EU dat - kort gezegd - artikel 2 lid 2, aanhef en sub d van de Richtlijn consumentenkoop zo moet worden uitgelegd dat een voertuig binnen de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 715/2007 valt indien het voertuig: "niet de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, indien dit voertuig weliswaar een geldige EG- typegoedkeuring heeft en dus in het wegverkeer mag worden gebruikt, maar uitgerust is met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van deze verordening verboden is."
Volgens de Partners volgt uit genoemd arrest dat als niet wordt voldaan aan de
voorwaarden van artikel 2 lid 2 van de Richtlijn consumentenkoop6.het goed niet wordt vermoed met de overeenkomst overeen te stemmen. Met andere woorden: de verkoper kan
dus geen beroep doen op het bewijsvermoeden van artikel 2 lid 2 van de Richtlijn
consumentenkoop. Het Hof van Justitie bepaalde dus niet dat - kort gezegd - een
Volkswagen-voertuig met een illegaal manipulatie-instrument non-conform is.
Het Hof van Justitie oordeelde in OS/Porsche Inter Auto en Volkswagen over de uitleg van
een bepaling in de context van de Richtlijn consumentenkoop (met als sanctie: verlies van
het bewijsvermoeden van conformiteit). Deze uitleg moet in die context worden gezien en
kan niet één-op-één in een andere context - het Nederlandse nationale recht (met als
sanctie: non-conformiteit) - worden toegepast. Hierover zal in de derde fase nader moeten worden geoordeeld, aldus de Partners.
Ook is de update relevant, bij eventuele non-conformiteit van de Betrokken Voertuigen zal de verkoper (hier: de Partners) in de gelegenheid moeten worden gesteld om de beweerde non-conformiteit te herstellen.
Voor een normaal gebruik is toelating tot de weg voldoende; de NO-uitstootwaarden van een voertuig, of de instellingen van de motorsoftware die deze waarden beïnvloeden, spelen in het normale gebruik van de koper en bij de verwachtingen van de koper geen noemenswaardige rol, aldus de Partners.
Het oordeel van de rechtbank
2.12.
De Kaderrichtlijn en de Kaderverordening zijn, naar ook blijkt uit het betoog van Mercedes zoals weergegeven onder 2.3, gericht op harmonisatie van de regels inzake de toelating van voertuigen tot de weg. Dat de goedkeuringsprocedure voor de toelating van motorvoertuigen binnen de EU volledig is geharmoniseerd betekent voor de civiele rechter dan ook dat deze niet tot een ander oordeel mag komen als het de vraag betreft of een voertuig kan worden toegelaten tot de weg. In zoverre kan worden ingestemd met het betoog van Mercedes zoals weergegeven onder 2.3.
In deze procedure is die vraag echter niet aan de orde. De vorderingen van SDEJ en Car Claim strekken niet tot een verbod om de betrokken voertuigen op de weg te gebruiken. Hun vorderingen betreffen andere vragen, zoals de vraag of Mercedes door het op de Nederlandse markt brengen van voertuigen met IMI’s onrechtmatig handelt jegens de kopers van die voertuigen en de vraag of de Partners door die voertuigen te verkopen een zaak verkocht hebben die niet aan de overeenkomst beantwoordt.
2.13.
Anders dan Mercedes stelt in 2.4 is het oordeel van het KBA alleen bindend voor de civiele rechter voor zover het gaat om de vraag of een voertuig kan worden toegelaten tot de weg. Daarom is het niet slechts in het geval dat het KBA heeft vastgesteld dat er een IMI aanwezig is aan de civiele rechter om daarvan de civielrechtelijke gevolgen te bepalen, maar dient deze als een vordering een andere strekking heeft dan de beoordeling of een voertuig tot de weg kan worden toegelaten (zoals in dit geval, zie onder 2.12) de vraag of een IMI aanwezig is zelfstandig te beoordelen.
2.14.
In het arrest DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen7.is onder andere het volgende overwogen.
38 DS heeft beroep in Revision ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter, en ter onderbouwing aangevoerd dat het betrokken voertuig een gebrek vertoonde, aangezien het omschakelsysteem een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007 vormde. Volgens DS had de software-update dit gebrek niet verholpen, zodat als gevolg van deze update de waarde van het voertuig dreigde af te nemen en schade dreigde te ontstaan.
39 Porsche Inter Auto en Volkswagen stellen dat het thermovenster een op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007 geoorloofd manipulatie-instrument is. Het KBA deelt deze opvatting.
40 De verwijzende rechter is van oordeel dat het omschakelsysteem een verboden manipulatie-instrument is in de zin van artikel 3, punt 10, en artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007. Hoe dan ook was het betrokken voertuig gebrekkig in de zin van § 922 ABGB omdat het KBA niet over dat manipulatie-instrument was ingelicht.
41 In deze context twijfelt de verwijzende rechter eraan of het betrokken voertuig, gelet op de verplichting om een voertuig te leveren dat niet is uitgerust met een dergelijk manipulatie-instrument, een gebrek aan overeenstemming in de zin van richtlijn 1999/44 vertoonde. Indien dat het geval is, moet volgens hem worden onderzocht of dit voertuig na de software-update waarmee het uitlaatgasrecirculatiesysteem in werking werd gesteld, nog steeds was voorzien van een verboden manipulatie-instrument en moet worden verduidelijkt wat de rechtsgevolgen zijn als een dergelijk gebrek na de software-update zou zijn blijven bestaan.
42 Meer in het bijzonder vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of, als het betrokken voertuig, hoewel daaraan een EG-typegoedkeuring is verleend, is uitgerust met een manipulatie-instrument dat op grond van artikel 3, punt 10, en artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007 niet mag worden gebruikt, dit voertuig de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten in de zin van artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 1999/44, en het dus moet worden vermoed in overeenstemming te zijn met de overeenkomst.
(…)
55 Bijgevolg moet artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 1999/44 aldus worden uitgelegd dat een voertuig dat niet voldoet aan de vereisten van dat artikel 5, niet de kwaliteit en prestaties biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal zijn en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, gelet op de aard van deze goederen in de zin van dit artikel 2, lid 2, onder d).
56 Zoals de advocaat-generaal in punt 149 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt aan deze uitlegging niet afgedaan door het feit dat voor het voertuigtype in kwestie een EG-typegoedkeuring is verleend zodat ermee op de weg kan worden gereden. In richtlijn 2007/46 komt immers de situatie aan de orde waarbij pas na die goedkeuring wordt ontdekt dat een constructieonderdeel van een voertuig, bijvoorbeeld gelet op de vereisten van artikel 5 van verordening nr. 715/2007, onrechtmatig is. Zo bepaalt artikel 8, lid 6, van deze richtlijn dat de goedkeuringsinstantie de goedkeuring van een voertuig kan intrekken. Bovendien volgt uit artikel 13, lid 1, eerste en derde volzin, van deze richtlijn dat wanneer een fabrikant een lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend, in kennis stelt van een wijziging van de gegevens in het informatiepakket, deze lidstaat in overleg met de fabrikant zo nodig kan besluiten dat een nieuwe EG-typegoedkeuring moet worden verleend.
57 Dit lijkt in casu het geval te zijn, aangezien uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het KBA het in het hoofdgeding aan de orde zijnde voertuigtype oorspronkelijk had goedgekeurd zonder dat het was ingelicht over het omschakelsysteem. Bovendien blijkt uit deze beslissing dat het KBA, als het van dit systeem op de hoogte was geweest, de EG-goedkeuring van dit voertuigtype niet zou hebben verleend.
58 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 1999/44 aldus moet worden uitgelegd dat een motorvoertuig dat binnen de werkingssfeer van verordening nr. 715/2007 valt, niet de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, indien dit voertuig weliswaar een geldige EG-typegoedkeuring heeft en dus in het wegverkeer mag worden gebruikt, maar uitgerust is met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van deze verordening verboden is.”
2.15.
In het arrest QB/Mercedes8.is het volgende overwogen.
“66. Met zijn eerste en zijn tweede vraag, waarop een gezamenlijk antwoord moet worden gegeven, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46 van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007, aldus moeten worden uitgelegd dat zij, naast algemene belangen, de bijzondere belangen van een individuele koper van een motorvoertuig tegenover de fabrikant ervan beschermen, wanneer dit voertuig is uitgerust met een verboden manipulatie-instrument in de zin van deze laatste bepaling.
(…)
83 Het valt echter niet uit te sluiten dat een voertuigtype waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend waarmee dit voertuig op de weg mag worden gebruikt, aanvankelijk door de goedkeuringsinstantie is goedgekeurd zonder dat die instantie op de hoogte is gebracht van de in punt 24 van dit arrest bedoelde software. In de kaderrichtlijn komt in dat verband de situatie aan de orde waarbij pas na die goedkeuring wordt ontdekt dat een constructieonderdeel van een voertuig, bijvoorbeeld gelet op de vereisten van artikel 5 van verordening nr. 715/2007, onrechtmatig is. Zo bepaalt artikel 8, lid 6, van deze kaderrichtlijn dat deze instantie de goedkeuring van een voertuig kan intrekken. Bovendien volgt uit artikel 13, lid 1, eerste en derde volzin, van deze kaderrichtlijn dat wanneer een fabrikant een lidstaat die de EG-typegoedkeuring heeft verleend in kennis stelt van een wijziging van de gegevens in het informatiepakket, deze lidstaat in overleg met de fabrikant zo nodig kan besluiten dat een nieuwe EG-typegoedkeuring moet worden verleend (zie in die zin arrest van 14 juli 2022, Porsche Inter Auto en Volkswagen, C‑145/20, EU:C:2022:572, punt 56). Ten slotte bepaalt artikel 30, lid 1, van deze kaderrichtlijn dat een lidstaat die een EG-typegoedkeuring heeft verleend, indien deze lidstaat een gebrek aan overeenstemming met het door hem goedgekeurde voertuigtype vaststelt, de nodige maatregelen neemt, waaronder in voorkomend geval ook intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen in productie in overeenstemming te brengen met dit type.
84 Bijgevolg kan het feit dat een motorvoertuig met een manipulatie-instrument is uitgerust waarvan pas na de EG-typegoedkeuring voor dat voertuig is ontdekt dat het verboden is, afbreuk doen aan de geldigheid van deze goedkeuring en in het verlengde daarvan aan die van het certificaat van overeenstemming dat geacht wordt de zekerheid te bieden dat dit voertuig, als het behoort tot de reeks waarvoor typegoedkeuring is verleend, op het ogenblik van de productie aan alle regelgevingen voldeed. Gelet op de regel van artikel 26, lid 1, van de kaderrichtlijn kan een dergelijk verboden instrument met name onzekerheid scheppen over de mogelijkheid om dat voertuig te registreren, te verkopen of in het verkeer te brengen, en uiteindelijk leiden tot schade voor de koper van een voertuig dat is voorzien van een verboden manipulatie-instrument.”
2.16.
Uit deze overwegingen blijkt dat het HvJ EU in de zaak DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen een oordeel is gevraagd niet over de vraag of de civiele rechter mag oordelen over de toelating van voertuigen tot de weg, maar naar de betekenis van de Emissieverordening bij de beoordeling van de conformiteit van een verkocht voertuig. Er is dan ook geen sprake van dat de civiele rechter in het kader van die beoordeling “afwijkende emissievereisten” aan goedgekeurde voertuigen zou opleggen. De verwijzende rechter moest beoordelen of een voertuig dat voor de update was voorzien van een IMI en dat daarna nog is voorzien van een temperatuurvenster (dat volgens het KBA een geoorloofd manipulatie-instrument is) aan de overeenkomst beantwoordt.
2.17.
De rechtbank acht onwaarschijnlijk dat het HvJ EU indien het oordeel van het KBA over het temperatuurvenster bij de beoordeling van de conformiteit bindend zou zijn voor de civiele rechter, dit niet bij de beantwoording van de gestelde vragen zou betrekken.
Het antwoord op de eerste vraag had dan immers moeten luiden dat een voertuig de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, indien dit voertuig een geldige EG-typegoedkeuring heeft en dus in het wegverkeer mag worden gebruikt, ook al is dat uitgerust met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van deze verordening verboden is. Het HvJ EU antwoordt echter op de eerste vraag juist dat non-conformiteit kan bestaan ondanks een geldige typegoedkeuring.
2.18.
Dat het HvJ EU niet uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat het vervolgens aan de verwijzende rechter is om die beoordeling (of sprake is van een IMI) te doen, is niet relevant. De verwijzende rechter zal immers met inachtneming van het oordeel van het HvJ EU verder moeten beslissen over de conformiteit van het voertuig, en daarvoor is nodig dat hij vaststelt of dat voertuig “… uitgerust is met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van deze verordening verboden is.”
2.19.
De derde conclusie van prof. Dörr (zie onder 2.8) volgt niet logisch uit het door hem correct uiteengezette regulatief kader. Dat regulatieve kader is gericht op de toelating tot de weg en daaruit kan niet een algemene conclusie worden getrokken, die mede betrekking heeft op andere vragen, zoals die in deze procedure aan de orde zijn.
2.20.
De vierde conclusie is juist voor zover daarin gesteld wordt dat de uitspraak van het HvJ EU in de zaak DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen9.niets afdoet aan het bindend effect van een typegoedkeuring. Echter dit bindende effect ziet slechts op de toelating tot de weg; in genoemd arrest waren daar geen vragen over gesteld. Het ging niet over de vraag of een voertuig tot de weg kan worden toegelaten maar over de vraag of het voertuig voldoet aan de conformiteitseis in het kader van de koopovereenkomst.
2.21.
Terecht stelt prof. Dörr dat het HvJ EU in de zaak QB/Mercedes10.in punt 8411.erop wijst dat als achteraf blijkt dat in een goedgekeurd type toch een IMI aanwezig is, de bevoegde autoriteit maatregelen kan nemen, waaronder de intrekking van een typegoedkeuring. Ook juist is dat uit het arrest kan worden afgeleid dat de civiele rechter zich niet mag mengen in de specifieke procedure zoals voorgeschreven in de Kaderrichtlijn. Dat is in deze zaak echter ook niet aan de orde. In deze procedure wordt immers niet gevorderd dat de civiele rechter een oordeel uitspreekt over een typegoedkeuring of over toelating tot de weg, maar over de gestelde onrechtmatigheid van het op de markt brengen van voertuigen met een IMI jegens kopers van die voertuigen en de gestelde non conformiteit van die voertuigen. De rechtbank acht de conclusies van prof. Dörr dan ook niet relevant voor deze zaak.
2.22.
De slotsom is dat de rechtbank niet gebonden is aan de formele rechtskracht van de bestuursrechtelijke beslissingen inzake de toelating van de betrokken voertuigen tot de weg, maar in het kader van de ingestelde vorderingen gehouden is zelfstandig te beoordelen of de betrokken voertuigen zijn voorzien van IMI’s.
2.23.
Het door de Partners gestelde verschil tussen de Richtlijn consumentenkoop en artikel 7:17 BW en daarop voortbouwend de uitleg die de Partners geven aan het arrest DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen zijn niet relevant voor de vraag wie beoordeelt of van een IMI sprake is. Over de juistheid van hun stellingen zal nader worden geoordeeld bij de inhoudelijke behandeling van de zaak.
3. Hoofdlijnen van een bevel op grond van artikel 22 Rv
Ten onrechte toegeschreven erkenning
3.1.
Mercedes stelt dat de rechtbank aan haar ten onrechte heeft toegeschreven dat zij erkend zou hebben dat er manipulatie-instrumenten in haar voertuigen zouden zitten, maar dat die niet verboden zouden zijn. Volgens Mercedes is haar standpunt tot op heden dat de betrokken voertuigen geen manipulatie-instrument bevatten en slechts als daar anders over zou worden geoordeeld, dat die gerechtvaardigd zouden zijn.
3.2.
Dit is onjuist. Zie de Partiële conclusie van antwoord 'fase 2', inzake ontvankelijkheid en toepasselijk recht in de zaak SDEJ/Mercedes, nr. 191 en in de zaak Car Claim/Mercedes nr. 210 (de zin tussen vierkante haken komt alleen voor in de conclusie in de laatstgenoemde zaak):
“Functionaliteiten die de EGR-graad afhankelijk maakten van, onder meer, temperatuur zijn altijd industry standard geweest: alle autofabrikanten hebben die toegepast op dieselvoertuigen met een EGR. Dit geldt ook voor Mercedes-Benz Group AG. Of een temperatuurafhankelijke modulatie van de EGR-graad kan worden beschouwd als een IMI, moet worden beoordeeld door de nationale rechter en hangt af van vele factoren waaronder de kalibraties. [Juist die afhankelijkheid van de kalibraties benadrukt ook het HvJ EU in zijn arresten.]”
Mercedes heeft dus erkend dat zij een temperatuurvenster toepast.12.Uit het onder 4.8 aangehaalde arrest kan worden afgeleid dat dit een manipulatie-instrument is. Zij betwist dat het een IMI is. Of dat zo is, zal de rechtbank moeten beoordelen. Juist is wel dat Mercedes overigens niet erkend heeft dat er in haar voertuigen andere manipulatie-instrumenten aanwezig zijn. Voor andere manipulatie-instrumenten geldt dus dat de rechtbank zal moeten beoordelen of deze aanwezig zijn en zo ja, of deze al dan niet verboden zijn.
Het standpunt van SDEJ en Car Claim inzake het bevel op grond van artikel. 22 Rv
3.3.
SDEJ stelt in randnummer 253 van de dagvaarding naar aanleiding van het onderzoek van Ir. Domke:
“Het onderzoek onthult een onthutsend complexe en geraffineerde emissiemisleiding waarbij - voor zover de Stichting tot dusverre heeft kunnen vaststellen - ten minste acht Illegale (SCR en EGR) Manipulatie-instrumenten werden ingezet. Ieder van deze Illegale Manipulatie-instrumenten vermindert in werkelijke rijomstandigheden in aanzienlijke mate de algemene efficiëntie van het systeem. Als gevolg van de kunstgrepen van Daimler zijn deze Illegale Manipulatie instrumenten uitsluitend buiten de NEDC testcyclus operationeel.” In randnummer 403 van de dagvaarding stelt SDEJ het volgende. “De Stichting verlangt de verstrekking van bepaalde inlichtingen en onderliggende
bewijsstukken en vraagt de Rechtbank gebruik te maken van haar bevoegdheid op dit punt instructies te geven (art.. 22 Rv). In de optiek van de Stichting betreft een nauwkeurige opgaaf van de Getroffen Voertuigen waarin zich één of meer Illegale Manipulatie-instrumenten bevinden en de werking van deze al dan niet ingeschakelde Illegale Manipulatie-instrumenten de (feitelijke) kern van de vorderingen van Gedupeerden. Alleen met die informatie die zich bevindt in het domein van Daimler (en/of de Importeurs) kunnen zij hun vordering vorm geven. Dat maakt dat hier het door art. 6 EVRM gewaarborgde equality of arms-beginsel aan de orde is.”
3.4.
Car Claim heeft zich in randnummer 17, 47 en 79 van haar dagvaarding bij de dagvaarding van SDEJ aangesloten.
3.5.
SDEJ en Car Claim hebben in hun akte verschillende volgens hen in de voertuigen van Mercedes aangetroffen IMI’s besproken. Zij stellen dat uit de onderzoeken van Domke en Heitz blijkt dat in alle onderzochte voertuigen verschillende IMI’s aanwezig zijn, die er gezamenlijk voor zorgen dat de werking van het emissiecontrolesysteem buiten de test minder is dan daarbinnen.
3.6.
De rechtbank gaat daar nu niet op in; dit komt bij de inhoudelijke behandeling aan de orde.
Het standpunt van Mercedes en de Partners
3.7.
In het tussenvonnis van 17 april 2024 kwam de rechtbank volgens Mercedes plotseling – en zonder dat enige partij daarom had verzocht – van het voornoemde bevel terug en week daarmee af van de eerder bepaalde procesorde. Met het gegeven bevel op grond van artikel 22 Rv heeft de rechtbank het voornemen om 'feiten' te onderzoeken die niet door eiseressen zijn gesteld. Ook heeft de rechtbank feiten aan haar beslissing ten grondslag gelegd die de rechtbank niet in dit geding, maar in gedingen tussen andere partijen ter kennis zijn gekomen. Daarmee is zij buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Volgens Mercedes zeggen de onderzoeken van Domke en Heitz, die enkel betrekking hebben op enkele specifieke voertuigen, niets over andere voertuigen.
3.8.
Mercedes wijst erop dat het uitgangspunt is dat de civiele rechter lijdelijk is en dat het aan partijen is om de aard en omvang van het geschil te bepalen. De rechter kan alleen een toelichting vragen op bepaalde feitelijke stellingen. Hij mag geen bevel geven een juridische vraag te beantwoorden of een juridisch standpunt in te nemen. De rechter mag niet mee procederen of een van de partijen helpen.
3.9.
Ook de Partners hebben zich in gelijke zin uitgelaten. Zij wijzen erop dat de rechter slechts feiten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen die in het geding aan hem ter kennis zijn gekomen. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 149 Rv volgt uitdrukkelijk dat informatie die een rechter uit een ander (al dan niet samenhangend) geding heeft vernomen, géén onderdeel mag zijn van de beslissing van de rechter. Dat de rechter in sommige gevallen actiever regie voert (en in zoverre minder 'lijdelijk' is), betekent niet dat de rechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd mag treden met het oog op waarheidsvinding, aldus de Partners.
3.10.
Volgens Mercedes is de kern van het geschil niet de vraag of er in de voertuigen van Mercedes IMI’s voorkomen, maar of de stellingen van eiseressen over (volgens hen) in de Betrokken Voertuigen voorkomende IMI's overeenkomstig de regels van het procesrecht uiteindelijk vast kunnen komen te staan en die feitelijke stellingen vervolgens de vorderingen van eiseressen kunnen dragen. De stelling dat 'Mercedes' voertuigen IMI's bevatten’, is geen feitelijke stelling maar allereerst een juridische vraag. Het staat de rechtbank niet vrij Mercedes te bevelen een standpunt in te nemen over wat onder een IMI dient te worden verstaan.
3.11.
Zowel Mercedes als de Partners wijzen erop dat de rechtbank de verschillen tussen de bij de rechtbank aanhangige zaken betreffende IMI’s goed in het oog moet houden. De rechtbank mag geen vragen stellen over functionaliteiten (de zogenaamde 'postheating' en 'hot restart') die niet in het partijdebat in deze procedure aan de orde zijn geweest.
3.12.
Mercedes acht een bevel ex art. 22 Rv nu prematuur, omdat zij nog geen conclusie van antwoord heeft genomen. Ook de Partners achten het bevel op die grond voorbarig.Voor zover de rechtbank het uitgangspunt dat er sprake zou kunnen zijn van IMI's in de Betrokken Voertuigen baseert op de onderzoeken van Domke en Heitz, die enkel betrekking hebben enkele specifieke voertuigen voert Mercedes aan dat die onderzoeken niets zeggen over andere voertuigen, en dat Mercedes nog niet de gelegenheid heeft gekregen om inhoudelijk toe te lichten dat de conclusies van die onderzoeken onjuist zijn.
3.13.
Volgens Mercedes is er geen grond voor een bevel ex art. 22 Rv met betrekking tot voertuigen die vallen onder de emissienormen 6c, 6d-TEMP of 6d. Voor de emissienorm 6c wordt dat door SDEJ en Car Claim betwist. Mercedes stelt dat de rechtbank Mercedes hooguit zou kunnen bevelen haar stelling nader toe te lichten dat er géén Betrokken Voertuigen met emissienorm Euro 6c onderwerp zijn van een KBA-terugroepbevel.
3.14.
De Partners vragen zich af of de resultaten van een bevel op grond van art. 22 Rv daadwerkelijk voor de procedure bruikbaar zullen zijn. Het komt de Partners voor dat meer
(niet-gerubriceerde) informatie het debat tussen partijen juist meer zal vertroebelen dan
verduidelijken. Verder hebben zij gesteld dat het voorgenomen bevel zeer tijdrovend en kostbaar is indien dit er toe zou leiden dat naar 2600 groepen voertuigen een feitelijk onderzoek moet worden ingesteld.
De producties 129 en 130 van Car Claim
3.15.
Volgens Mercedes hebben SDEJ en Car Claim de producties 129 en 130 in het geding gebracht “om Mercedes’ bezwaren over het partijdebat te adresseren”. Voldoende concrete stellingen over Mercedes-voertuigen nemen zij nog altijd niet in (hun toelichting op de rapporten gaat vrijwel geheel over Renault-voertuigen). Zij doen hiermee een poging om op het laatste moment alsnog “stellingen in te nemen die vervolgens als basis zouden moeten dienen voor een bevel ex artikel 22 Rv”. Die poging mag niet slagen.
Het is in strijd met de goede procesorde dat Mercedes nu geconfronteerd wordt met deze
rapporten zonder dat er voldoende gelegenheid is om die rapporten te bestuderen en
analyseren.
De akte bevat enkel een opsomming van ‘gevonden functies’ in Renault-voertuigen; dit is onvoldoende concreet in verband met de stelling van eiseressen dat Mercedes-voertuigen IMI’s zouden bevatten. Uit niets blijkt dat de functionaliteiten die genoemd worden in het Heitz Renault-rapport ook zijn aangetroffen in Mercedes-voertuigen met een OM607 motor (of enig ander Betrokken Voertuig). Voor zover de notitie ingaat op functionaliteiten, beschrijft de notitie juist op welke manieren de OM607 in de onderzochte Mercedes-Benz 180 uit 2015 beter is dan de Renault K9K’s uit het Heitz Renault-rapport en daarvan dus verschilt.
3.16.
De Partners hebben verzocht de aanvullende producties 129 en 130 van SDEJ buiten beschouwing te laten bij een art. 22 Rv-bevel, omdat dit het partijdebat vertroebelt.
Het oordeel van de rechtbank
3.17.
De rechtbank is volgens artikel 22 Rv in elke stand van het geding bevoegd partijen of een van hen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten. Dit is ook door SDEJ al in haar dagvaarding verzocht (zie onder 3.3). Dit is een discretionaire bevoegdheid, waaruit voortvloeit dat het de rechtbank ook vrij staat een eerder gegeven bevel te wijzigen.
3.18.
Dat gedaagden in dit geval nog geen conclusie van antwoord hebben genomen maakt een bevel ex art. 22 Rv niet prematuur. De stellingen van eiseressen in combinatie met de onderzoeken van Domke en Heitz geven voldoende aanleiding voor een bevel en voor een zinvolle inhoudelijke behandeling zal de rechtbank tijdig over de benodigde informatie moeten beschikken. Bovendien wint de te nemen conclusie van antwoord aan relevantie als daarin ook de resultaten van het bevel ex art. 22 kunnen worden besproken. De beantwoording van vragen van de rechtbank in het kader van artikel 22 Rv doet op geen enkele wijze afbreuk aan de mogelijkheid van Mercedes om in haar te nemen conclusie van antwoord de conclusies van Domke en Heitz te bestrijden.
3.19.
Mercedes en de Partner stellen terecht dat de rechtbank deze zaak op zijn eigen merites dient te beoordelen. Dat zal de rechtbank ook doen.
3.20.
Mercedes en de Partners stellen ook terecht dat de rechtbank binnen de grenzen van de rechtsstrijd dient te blijven. Ook dat zal de rechtbank doen. Uit de onder 3.3 aangehaalde passage uit de dagvaarding van SDEJ (waarbij Car Claim zich heeft aangesloten) blijkt dat SDEJ zich baseert op een complexe en geraffineerde emissiemisleiding, waarbij zij stelt dat uit haar onderzoek blijkt dat er “ten minste acht Illegale (SCR en EGR) Manipulatie-instrumenten” zijn aangetroffen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat zij haar vorderingen wenst te beperken tot die acht manipulatie-instrumenten. In haar verzoek een bevel te geven op grond van artikel 22 stelt zij: In de optiek van de Stichting betreft een nauwkeurige opgaaf van de Getroffen Voertuigen waarin zich één of meer Illegale Manipulatie-instrumenten bevinden en de werking van deze al dan niet ingeschakelde Illegale Manipulatie-instrumenten de (feitelijke) kern van de vorderingen van Gedupeerden. Hieruit blijkt dat anders dan Mercedes stelt - de kern van het geschil is de vraag of er in de voertuigen van Mercedes IMI’s voorkomen. Het geschil is niet beperkt tot de door eiseressen in de Betrokken Voertuigen bij onderzoek volgens hen aangetroffen IMI's.
3.21.
Car Claim heeft de producties 129 en 130 kort voor de regiezitting in het geding gebracht. Dat was voor de rechtbank reden Mercedes en de Partners in de gelegenheid te stellen daarop nog bij akte te reageren. Gezien de relevantie van de producties voor de procedure heeft de rechtbank de producties niet geweigerd.Voor een reactie die beperkt kan blijven tot de vraag welke relevantie deze rapporten hebben voor het te geven art. 22-bevel is geen contra-expertise nodig. Mercedes en de partners kunnen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling desgewenst een contra-expertise laten verrichten. De goede procesorde is dan ook niet geschonden.
3.22.
Dat Mercedes in sommige van de betrokken voertuigen Renault-motoren heeft toegepast, is niet in geschil. SDEJ en Car Claim stellen dat de OM607 motor van Mercedes overeenkomt met Renault’s K9K-motor en zij hebben een rapport van Heitz over de Renault K9K-motor in het geding gebracht. Ook hebben SDEJ en Car Claim een vergelijking van de beide motoren in het geding gebracht, waarin gesteld wordt dat in de door Mercedes toegepaste Renault-motoren voor een deel dezelfde manipulatie-instrumenten voorkomen, zij het dat de kalibratie regelmatig afwijkt. Uit productie 130 blijkt evenwel niet dat de bij de K9K-motor aanwezige functionaliteiten die volgens Heitz manipulatie-instrumenten zijn bij de OM607-motor ontbreken, op een uitzondering na: de ‘planned obsolescence’ functie. Daarover zal de rechtbank dan ook geen vragen stellen.De rechtbank acht dan ook beide producties relevant voor een te geven artikel 22 Rv-bevel. Anders dan de Partners stellen vertroebelen zij het partijdebat niet, omdat zij juist heel concreet (mogelijke) IMI’s benoemen en het partijdebat daarover gaat.Deze twee producties hebben tot gevolg dat functionaliteiten die door SDEJ en Car Claim bij Renault motoren die ook door Mercedes (in gewijzigde vorm) worden gebruikt als (mogelijke) IMI’s zijn aangeduid in ieder geval vanaf het moment dat deze rapporten in het geding zijn gebracht tot de rechtsstrijd behoren. De vraag of dat daarvoor anders was, is niet meer relevant.
3.23.
De rechtbank leest – anders dan Mercedes - in artikel 22 Rv niet dat de door de rechtbank te vragen toelichting alleen betrekking zou mogen hebben op feitelijke stellingen. Die beperking zou ook gezien de rechterlijke taak onbegrijpelijk zijn, de rechter dient immers op basis van het partijdebat over zowel de feiten als het recht tot een oordeel te komen, dat laatste zo nodig met aanvulling van rechtsgronden, en kan partijen ter zitting vragen stellen over de rechtsgevolgen die volgens hen aan de feiten verbonden moeten worden. Niet is in te zien dat het in het kader van artikel 22 Rv de rechter niet vrij zou staan partijen een toelichting te vragen op hun stellingen voor zover deze de juridische standpunten van partijen betreffen. Wel stelt Mercedes terecht dat de juiste plaats hiervoor de conclusie van antwoord is.
3.24.
De Partners vrezen dat het te geven bevel niet bruikbaar zal zijn en het debat tussen partijen zal vertroebelen. De rechtbank deelt die vrees niet en acht de te verstrekken informatie juist essentieel om tot een inhoudelijke behandeling te komen waarbij op basis van de relevante feiten kan worden geoordeeld. De Partners vrezen verder dat het voorgenomen bevel zeer tijdrovend en kostbaar zou zijn als dit er toe zou leiden dat naar 2600 groepen voertuigen een technisch onderzoek moet worden ingesteld. Of en in welke mate technisch onderzoek nodig is kan echter pas na een inhoudelijke behandeling van de zaak worden beslist. In ieder geval kan dit nu geen argument zijn om het voorgenomen bevel op grond van artikel 22 Rv achterwege te laten.
4. De open slotvraag
4.1.
In het tussenvonnis van 17 april 2024 is een bevel gegeven ex artikel 22 Rv, dat bestaat uit een aantal vragen, waarvan de laatste als volgt luidt:
2.13.6.
F. Andere manipulatie-instrumenten
1. Zijn er andere dan de hierboven genoemde constructieonderdelen (hardware of software) aanwezig die de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meten om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd?
2. Zo ja,
a. bij welke waarde van de genoemde parameter(s) wordt de werking van het emissiecontrolesysteem verminderd of wordt dit uitgeschakeld?
b. Wat is hiervoor de rechtvaardiging?
4.2.
In de rolbeslissing van 31 juli 2024 is het volgende overwogen:
2.33.
Partijen verschillen van mening over de toelaatbaarheid van een open slotvraag. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank treedt zij daarmee niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd, omdat de kern van het geschil de vraag is of er in de voertuigen van Mercedes IMI’s voorkomen.
Er mag vanuit worden gegaan dat Mercedes als fabrikant tot in alle details weet welk emissiecontrolesysteem in elk van de geproduceerde voertuigen is ingebouwd. SDEJ en Car Claim hebben geen toegang tot die gegevens. Daarom mag van Mercedes verwacht worden dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting (inhoudende dat geen sprake is van IMI’s), teneinde eiseressen aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. In dat licht kan er ook geen bezwaar zijn tegen een bevel op grond van artikel 22 Rv, ook als dat tot gevolg zou hebben dat Mercedes melding zou moeten maken van een functionaliteit die niet eerder tussen partijen ter sprake is geweest, maar die mogelijk wel een IMI zou kunnen zijn. Partijen mogen in hun akte op dit voorlopig oordeel reageren.”
De rechtbank bespreekt nu de reacties van partijen op dit voorlopig oordeel.
Het standpunt van SDEJ en Car Claim
4.3.
Volgens SDEJ en Car Claim is een open slotvraag gerechtvaardigd. Hun vorderingen komen erop neer dat Mercedes dan wel de Partners jegens de gedupeerden aansprakelijk zijn omdat de getroffen voertuigen IMI’s bevatten en anderszins niet voldoen aan de Emissieverordening. Zij hebben die stelling nu al uitvoerig gemotiveerd. Het is dan aan Mercedes dit gemotiveerd te betwisten.
De stelling van Mercedes dat deze vraag niet over de feiten zou gaan achten SDEJ en Car Claim onjuist. De rechtbank verzoekt Mercedes immers in de voorgestelde open slotvraag niet om van de door haar toegepaste manipulatie-instrumenten een juridische kwalificatie te geven in de zin van artikel 5 lid 2 Emissieverordening, maar slechts om feitelijk aan te geven welke “andere dan de eerder genoemde constructieonderdelen die de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem verminderen in de Getroffen Voertuigen zijn toegepast”. Of die constructieonderdelen verboden zijn of toegestaan, is iets wat de rechtbank in de volgende fase zelf zal beoordelen.
Ook is het niet zo dat de rechtbank zich met het bevel ex artikel 22 Rv een te actieve rol zou aanmeten. Het bevel ex artikel 22 Rv valt volledig binnen de grenzen van de rechtsstrijd. Eiseressen stellen onder meer dat Mercedes de Getroffen Voertuigen heeft voorzien van IMI’s. Binnen dit kader mag (en moet) de rechter de relevante feiten in het kader van de waarheidsvinding actief vaststellen.
Ook is het bevel ex artikel 22 Rv niet in strijd met de beperkingen van artikel 24 Rv.
Mercedes verweert zich met de stelling dat haar voertuigen geen IMI’s zouden bevatten,
zodat de rechtsstrijd zich mede uitstrekt tot de vraag of IMI’s aanwezig zijn. De rechtbank
moet onderzoeken of de stelling van Mercedes klopt en dus ook of er in de Getroffen
Voertuigen inderdaad geen enkel IMI aanwezig is. Een beoordeling van alleen de door eiseressen al omschreven IMI’s is dan ook niet voldoende om het verweer
van Mercedes te beoordelen.
Artikel 22 Rv schrijft de rechter niet voor om uitsluitend “gesloten vragen” te stellen. Een dergelijke beperking volgt ook niet uit de wetsgeschiedenis. De wetgever beoogde met de invoering van artikel 22 Rv de waarheidsvinding te dienen. Dat belang dicteert dat “alle voor de beslissing van belang zijnde feiten boven tafel komen”. De rechter heeft dus een ruime bevoegdheid om te beoordelen welke informatie nodig is voor het beoordelen van de vorderingen.
Mercedes weet precies welke manipulatie-instrumenten zij inbouwde. Eiseressen en de rechtbank weten dat niet. De rechtbank overweegt dan ook terecht dat van Mercedes verwacht mag worden dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting (inhoudende dat geen sprake is van IMI’s) om zodoende eiseressen aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele (verdere) bewijslevering. Tegen deze achtergrond kan er geen gerechtvaardigd bezwaar zijn tegen een bevel ex art. 22 Rv, zelfs wanneer dat bevel tot gevolg zou hebben dat Mercedes melding zou moeten maken van een functionaliteit die niet eerder tussen partijen ter sprake is geweest maar mogelijk wel een IMI is.
Mercedes is bovendien verplicht de feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art.
21 Rv), aldus SDEJ en Car Claim.
Het standpunt van Mercedes en de Partners
4.4.
Mercedes heeft tegen de open slotvraag, behalve de al eerder genoemde bezwaren tegen het bevel op grond van art. 22 Rv in het algemeen, aangevoerd dat hiermee Mercedes wordt bevolen een juridisch standpunt in te nemen over wat onder een IMI dient te worden verstaan. Volgens Mercedes kan zij niet worden gedwongen een juridisch standpunt in te nemen.
4.5.
De Partners stellen dat de rechtbank met een open slotvraag meeprocedeert aan de zijde van SDEJ en Car Claim. SDEJ en Car Claim hebben tot op heden weinig concrete stellingen ingenomen als het gaat om de aanwezigheid van IMI’s in de Betrokken Voertuigen. Waar SDEJ en Car Claim dat wel hebben gedaan, zien die stellingen op (i) voertuigen die vallen onder de terugroepbevelen van het KBA dan wel het rapport van Heitz of Domke of (ii) informatie die (nog) geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier in deze procedure. De voorgenomen, ongerichte vragen van het aangepaste Rv-bevel zien op feiten die niet gerelateerd zijn aan de stellingen van SDEJ en Car Claim genoemd onder (i). Dat geldt in het bijzonder ook voor de open slotvraag. Verder is deze open slotvraag geen feitelijke vraag, maar behelst deze volgens de Partners een juridische kwalificatie.
Het oordeel van de rechtbank
4.6.
Van Mercedes wordt noch in de oorspronkelijk voorgestelde vragen noch in de in dit vonnis geformuleerde vragen bevolen een juridisch standpunt in te nemen over de vraag of haar manipulatie-instrumenten als IMI’s kunnen worden beschouwd. Het oordeel over de vraag of sprake is van een IMI is aan de rechtbank. Wel wordt Mercedes toelichting gevraagd op haar stelling dat er wel een koelmiddel-temperatuurvenster wordt toegepast, maar dat er overigens geen manipulatie-instrumenten zijn, en als deze er al zijn dat deze dan zijn toegestaan. De rechtbank wenst in de eerste plaats een feitelijke toelichting op die stelling, gezien de door SDEJ en Car Claim in het geding gebrachte onderzoeken, waaruit blijkt dat de onderzoekers in de onderzochte voertuigen verschillende manipulatie-instrumenten hebben aangetroffen.Mercedes stelt weliswaar dat dit onderzoek alleen gelding heeft voor de onderzochte voertuigen, maar nu het gaat om in serie gebouwde voertuigen, kan ten minste worden aangenomen dat er ook een aantal andere betrokken voertuigen dan de onderzochte voertuigen dezelfde manipulatie-instrumenten bevatten. De onderzoeken zijn dus niet slechts relevant voor de onderzochte voertuigen.
4.7.
Naast deze stelling over de feiten (te weten of er functionaliteiten aanwezig zijn die voldoen aan de omschrijving van manipulatie-instrument in de Emissieverordening) dient ook een juridische stelling nader te worden toegelicht, te weten de stelling dat voor zover er manipulatie-instrumenten aanwezig zijn, deze gerechtvaardigd zijn. Daarbij zal de stelling dat het om een geoorloofd manipulatie-instrument gaat moeten worden toegelicht door uiteen te zetten waarom het aldus gekalibreerde manipulatie-instrument volgens Mercedes toelaatbaar is, gezien de in artikel 5, lid 2 van de Emissieverordening genoemde criteria. Het oordeel daarover is uiteindelijk aan de rechtbank.
4.8.
Het temperatuurvenster zoals aan de orde was in de uitspraak van het HvJ EU in de zaak DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen13.geeft duidelijke aanwijzingen voor de manier waarop de rechter tot zijn oordeel moet komen. Het temperatuurvenster is een manipulatie-instrument omdat het buiten een bepaald temperatuurbereik het emissiecontrolesysteem moduleert, vertraagt of buiten werking stelt, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd. Blijkens het hierna te noemen citaat is de effectiviteit verminderd als de vastgestelde emissiegrenswaarden niet worden behaald. Het betoog van Mercedes dat een emissiecontrolesysteem altijd afhankelijk van de omstandigheden de verschillende onderdelen van dat systeem regelt gaat dan ook niet op, want het gaat om een zodanige regeling dat de doelmatigheid wordt verminderd.Of het ook een IMI is, zal echter afhangen enerzijds van de concrete kalibratie en anderzijds van de vraag of het systeem gezien die kalibratie gerechtvaardigd is in de zin van artikel 5, lid 2 Emissieverordening. Daarbij heeft het HvJ EU in het arrest een duidelijk kader geschapen, door op de tweede vraag het volgende te antwoorden.
“Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument dat met name enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, op grond van deze bepaling slechts kan worden gerechtvaardigd op voorwaarde dat wordt aangetoond dat dit instrument uitsluitend dient tot het voorkomen van acute risico’s op schade of defecten aan de motor ten gevolge van een zodanig gebrekkige werking van een onderdeel van het uitlaatgasrecirculatiesysteem dat daardoor tijdens het rijden met een met dit systeem uitgerust voertuig een concreet gevaar ontstaat. Hoe dan ook kan een manipulatie-instrument dat onder normale verkeersomstandigheden het grootste deel van het jaar zou moeten functioneren om de motor te beschermen tegen schade of defecten en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren, niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 vallen.”
Hieruit blijkt immers dat alleen een acuut gevaar tot een tijdelijke regeling van het emissiecontrolesysteem mag leiden waarin de in de emissieverordening vastgestelde grenswaarden niet worden nageleefd en dat dus een systeem dat onder normale verkeersomstandigheden het grootste deel van het jaar tot dat gevolg leidt, niet toelaatbaar is.
4.9.
Van meeprocederen aan de kant van SDEJ en Car Claim (zoals de Partners de rechtbank verwijten) is geen sprake, gezien de ruime formulering van het verzoek van SDEJ (waarbij Car Claim zich aansloot) om Mercedes op grond van artikel 22 Rv te bevelen informatie te verstrekken, zie het onder 3.3 aangehaalde citaat uit de dagvaarding.
4.10.
De stelling van de Partners dat de vragen niet zouden zijn gerelateerd aan de stellingen van SDEJ en Car Claim was reeds in het voorgenomen bevel op grond van art. 22 Rv onjuist, omdat de stellingen van SDEJ en Car Claim in het algemeen inhouden dat Mercedes IMI’s heeft toegepast. In het in dit vonnis te geven bevel zal nog meer bij de stellingen van SDEJ en Car Claim worden aangesloten door te vragen naar de in de dagvaarding en in de door hen in het geding gebrachte onderzoeksrapporten genoemde functionaliteiten. Daarnaast wordt de open slotvraag gehandhaafd.
4.11.
De rechtbank blijft bij haar voorlopig oordeel. De open slotvraag dient om zicht te krijgen op alle voor de beoordeling relevante feiten. Mercedes beschikt als enige over alle gegevens over de toegepaste motorbesturingssoftware; zij zal haar betwisting daarom moeten toelichten door alle gevraagde feitelijke gegevens in het geding te brengen. Dat daarbij wordt gevraagd naar manipulatie-instrumenten waarvan het bestaan aan SDEJ en Car Claim nog niet bekend is, betekent niet dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd treedt. SDEJ en Car Claim hebben niet het standpunt ingenomen dat uitsluitend de door hen genoemde manipulatie-instrumenten relevant zijn voor de beoordeling en evenmin dat zij bij onderzoek alle manipulatie-instrumenten hebben kunnen ontdekken.
5. Gewijzigd bevel op grond van art. 22 Rv
5.1.
De rechtbank heeft in de rolbeslissing van 31 juli 2024 partijen de gelegenheid gegeven te reageren op een te geven herzien bevel op grond van artikel 22 Rv volgens de volgende hoofdlijnen:
1. Vragen die er op gericht zijn een overzicht te krijgen van de functionaliteiten die in een of meer van de door het KBA of andere onderzoekers onderzochte Mercedes-voertuigen zijn aangetroffen en die mogelijk een manipulatie-instrument zijn.
2. Vragen die erop gericht zijn een overzicht te krijgen van de verschillende kalibraties van elk van die functionaliteiten,
3. Bij elke combinatie van functionaliteit en kalibratie: de vraag of zich een van de gevallen voordoet die zijn genoemd in artikel 5 lid 2 van de Emissieverordening, te weten gevallen waarin een manipulatie-instrument niet verboden is.
4. Indien een update beschikbaar is: de vraag welke functionaliteiten en/of kalibraties worden verwijderd en/of aangepast en een omschrijving van de functionaliteiten en hun kalibraties in de situatie na de update.
5. Vragen die er op gericht zijn een overzicht te krijgen van de voertuigen waarin deze functionaliteit en de verschillende kalibraties daarvan voorkomen.
Standpunt SDEJ en Car Claim
5.2.
SDEJ en Car Claim stellen dat uit de onderzoeken blijkt dat per motortype dezelfde of vergelijkbare IMI’s worden toegepast. Daarom ligt een indeling/clustering aan de hand van motortypen voor de hand, uitgesplitst naar emissieklasse. Daarnaast dienen de rechtbank en partijen inzicht te hebben in de beslissingen van het KBA en dient Mercedes inzicht te geven in de manipulatie-instrumenten die (nog) niet het onderwerp zijn van terugroepacties. Tevens stellen zij voor Mercedes te bevelen inzicht te geven in de criteria die Mercedes gebruikte om te bepalen of een auto wel of niet binnen de reikwijdte valt van een maatregel of onderzoek van het KBA of een andere toezichthouder.
Zij heeft deze vragen in haar akte nader uitgewerkt.
Standpunt Mercedes
5.3.
Over het algemeen denkt Mercedes dat de geschetste hoofdlijnen van een eventueel te geven bevel werkbaar kunnen zijn. In hoeverre de vragen in het uiteindelijke bevel beantwoord kunnen worden of toelaatbaar zijn, zal afhangen van de specifieke vragen die in het bevel worden opgenomen.
Wat de eerste vraag betreft tekent zij aan dat het zou moeten gaan om functionaliteiten waarvan het KBA de conclusie heeft getrokken dat het IMI’s zijn. Wat de andere onderzoeken betreft zou het moeten gaan om functionaliteiten die door Domke en Heitz aan de orde worden gesteld.Wat de tweede vraag betreft stelt Mercedes dat vragen in deze categorie werkbaar kunnen zijn, onder meer afhankelijk van de hoeveelheid voertuigen ten aanzien waarvan Mercedes dergelijke vragen moet beantwoorden en de tijd die zij daarvoor krijgt.
Wat de derde vraag betreft stelt Mercedes dat haar hiermee zou worden bevolen een juridisch standpunt in te nemen. Daarvoor is een bevel ex artikel 22 Rv niet bedoeld. Mercedes meent dat dergelijke vragen aan de orde dienen te komen in de conclusie van antwoord in fase 3.
Met betrekking tot vraag 4 stelt Mercedes dat zij kan toelichten of de door het KBA, SDEJ en Car Claim bekritiseerde functionaliteiten door de software-update zijn verwijderd of niet. SDEJ en Car Claim hebben evenwel geen concrete stellingen ingenomen over functionaliteiten in de software-updates. Integendeel: Domke concludeert dat alle door hem gestelde IMI's met de software-update zijn verwijderd. Een bevel over de functionaliteiten in de software-updates is daarom niet aan de orde. Bovendien zijn de software-updates uitvoerig door het KBA onderzocht en akkoord bevonden. Er is dus ook geen enkele aanleiding om de software-updates aan nader onderzoek te onderwerpen in deze civiele procedure.
Met betrekking tot vraag 5 stelt Mercedes dat voor de vraag of de door SDEJ en Car Claim bekritiseerde functionaliteiten mogelijk als IMI kunnen worden aangemerkt niet relevant is in welke specifieke Betrokken Voertuigen die bekritiseerde functionaliteiten voorkomen.
Het oordeel van de rechtbank
Inleidende overwegingen
5.4.
In plaats van de typegoedkeuring als ordenend principe toe te passen zal het motortype als ordenend principe worden gebruikt.
De rechtbank zal expliciet vragen naar alle functionaliteiten die in deze procedure zijn genoemd. De rechtbank handhaaft een open slotvraag.
Er zal een onderscheid worden gemaakt tussen vragen die Mercedes bij afzonderlijk te nemen akte zal moeten beantwoorden en vragen die zij in haar conclusie van antwoord kan beantwoorden.
Pas nadat de vraag is beantwoord of manipulatie-instrumenten aanwezig zijn en zo ja welke daarvan als IMI kunnen worden beschouwd, zal Mercedes moeten opgeven in welke betrokken voertuigen die IMI’s aanwezig zijn. Dit onderdeel wordt nu niet in het te geven bevel opgenomen.
De vragen behoeven alleen beantwoord te worden voor de emissieklasse 5 en 6 tot en met 6c.
5.5.
Met betrekking tot de stellingen van Mercedes inzake de updates overweegt de rechtbank het volgende.
SDEJ en Car Claim hebben niet het standpunt ingenomen dat met de software-update alle IMI’s zijn verwijderd, al zijn de kalibraties wel aangepast, zie de randnummers 359, 362 en 377 van de SDEJ-dagvaarding, waarbij Car Claim zich heeft aangesloten.
Dat de software-updates uitvoerig door het KBA zijn onderzocht en akkoord bevonden kan mogelijk bij de beoordeling betrokken worden, indien Mercedes op dat punt relevant bewijsmateriaal aandraagt. Omdat de rechtbank in het kader van de in deze zaken
ingestelde vorderingen tot een eigen oordeel zal moeten komen, kan een mogelijke goedkeuring van een update door het KBA niet automatisch tot het oordeel leiden dat na de update geen IMI’s meer aanwezig zijn.
Gewijzigd bevel op grond van art. 22 Rv
5.6.
Het voorafgaande leidt tot het volgende herziene bevel op grond van art. 22 Rv. De rechtbank beveelt Mercedes ter toelichting van haar stelling dat (behoudens het koelmiddel-temperatuurvenster) geen manipulatie-instrumenten aanwezig zijn en dat als dat al het geval is deze niet als IMI kunnen worden beschouwd de volgende vragen te beantwoorden.
1. Welke motortypen heeft Mercedes in de relevante periode in de betrokken voertuigen toegepast en in welke Emissieklasse vallen deze?
Toelichting
Onder de relevante periode wordt verstaan de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2019.
De betrokken voertuigen zijn de in de relevante periode door Mercedes in Nederland op de markt gebrachte voertuigen met dieselmotor.
Deze vraag dient ter inleiding en wordt gebruikt om de opgave van de manipulatie-instrumenten te ordenen.
Indien een motortype versies heeft die onder verschillende emissieklassen zijn toegepast, is het de bedoeling dat de vervolgvragen voor de verschillende emissieklassen afzonderlijk beantwoord worden. De vragen behoeven alleen beantwoord te worden voor de emissieklasse 5 en 6 tot en met 6c.
Onder de motoren die zijn toegepast vallen ook de motoren die van andere fabrikanten afkomstig zijn.
2. Vervolgvraag voor elk van de motortypes die bij vraag 1 genoemd zijn:Welke van de volgende manipulatie- instrumenten zijn in alle of een gedeelte van deze motoren toegepast:
a. een uitlaatgasmassastroom-functie, die de uitlaatgasstroom meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
b. een NOx-massastroom-functie, die de NOx-massastroom meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
c. een temperatuurvenster, te weten een functie die de inlaatluchttemperatuur meet om als deze boven of onder een bepaalde waarde komt een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
d. een herstart-functie (ook wel “hot restart functie” genoemd), die na het starten van de motor de SCR-temperatuur of enige andere temperatuur meet om als deze boven een bepaalde waarde is een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
e. een temperatuurvenster, te weten een functie die de SCR-temperatuur meet om als deze boven of onder een bepaalde waarde komt een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
f. een functie die het gemiddeld verbruik van AdBlue meet om als dit boven een bepaalde waarde komt een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
g. een temperatuurvenster,te weten een functie die de motortemperatuur dan wel daarmee samenhangende waarden zoals de koelvloeistoftemperatuur meet, om als deze boven of onder een bepaalde waarde komt een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
h. een "Engine Hot&ldle"-functie, die in werking treedt wanneer de motor een bepaalde temperatuur heeft bereikt en deze vervolgens stationair blijft draaien om in die situatie een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd
i. een snelheidsafhankelijke regeling van het emissiecontrolesysteem, te weten een functie die de snelheid van het voertuig meet om als deze boven of onder een bepaalde waarde komt een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd;
j. een postheating-functie, die uitsluitend bij een bepaalde motortempratuur en luchtdruk zoals die verwacht kunnen worden bij testomstandigheden de gloeipluggen inschakelt teneinde de NSC katalysator sneller te verwarmen,
k. andere constructieonderdelen (hardware of software) die de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meten om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd?
Toelichting: bedoeld wordt een manipulatie-instrument zoals gedefinieerd in art. 3 onder 10 van de Emissieverordening14.. Het gaat om de situatie voor een eventuele update.
3. Welke kalibratie of verschillende kalibraties zijn bij elk van de in vraag 2 genoemde manipulatie-instrumenten toegepast.
Toelichting:
Het gaat hier om kalibraties in de situatie voorafgaand aan een eventuele update. De bedoeling van deze vraag is inzicht te krijgen in de omstandigheden waaronder het manipulatie-instrument werkt. Bijvoorbeeld bij een temperatuurvenster: onder of boven welke temperatuur een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking wordt gesteld, wordt gemoduleerd, vertraagd of buiten werking gesteld, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd.
4. Is bij elk van de bij vraag 2 genoemde manipulatie-instrumenten (al dan niet in combinatie met specifieke kalibraties) sprake van- een door het KBA bevolen terugroepactie of- een vrijwillige terugroepactie of- geen terugroepactie?
5. Indien van een (verplichte of vrijwillige) terugroepactie sprake is, wordt het manipulatie-instrument dan in de update verwijderd of aangepast en indien het wordt aangepast, op welke wijze?
6. Bij elke combinatie van de in vraag 2 genoemde manipulatie-instrumenten en de daarbij toegepaste verschillende kalibraties: is volgens Mercedes sprake van een van de gevallen die zijn genoemd in artikel 5 lid 2 van de Emissieverordening, te weten gevallen waarin een manipulatie-instrument niet verboden is?
Toelichting
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte ter beantwoording van de vragen 1 tot en met 5. Het staat Mercedes vrij vraag 6 naar keuze ook in die akte, dan wel in haar conclusie van antwoord te beantwoorden.
Indien Mercedes het relevant acht staat het haar vrij over functionaliteiten die door het KBA als IMI zijn aangemerkt de stand van zaken te melden in de daarover lopende procedure.
6. De producties van Car Claim
6.1.
Mercedes heeft op de producties 143-151 van Car Claim gereageerd.
6.2.
De Partners hebben zich op het standpunt gesteld dat Car Claim niet aan haar wegwijsplicht heeft voldaan. Zij zal - bijvoorbeeld in haar nog te nemen akte ter aanvulling en actualisering van de dagvaarding - ook de inhoud en relevantie van deze stukken voor de
beslissing van de vorderingen van Car Claim moeten toelichten. Zo niet dan dient de inhoud van producties 143-151 wat de Partners betreft alsnog buiten beschouwing te worden gelaten.
6.3.
De rechtbank acht de producties 143-151 van Car Claim niet relevant voor de onderhavige beslissing en zal daarom nu niet op deze producties ingaan.De Partners hebben er terecht op gewezen dat Car Claim deze producties voorafgaand aan de inhoudelijke mondelinge behandeling nog nader zal moeten toelichten.
7. De SEC-procedure
7.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van de arresten van het hof Amsterdam van 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2245 en 22 oktober 2024,
ECLI:NL:GHAMS:2024:2941 in de zaak van Stichting Emission Claim (SEC) tegen Mercedes en 21 partners. In deze arresten is beslist dat de Nederlandse rechter absoluut bevoegd is en dat de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd is. Tevens is beslist dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 5 Voertuigen worden beheerst door artikel 3:305a (oud) BW. Voor zover de vorderingen zien op Euro 6 Voertuigen worden zij beheerst door de WAMCA. Het hof oordeelt dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar collectieve vorderingen met betrekking tot Euro 5 en Euro 6 voertuigen vanwege het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn zoals bedoeld in artikel 1018d lid 2 Rv.
Het hof heeft de zaak terugverwezen naar de rechtbank, maar ook cassatieberoep opgesteld.
7.2.
SDEJ en Car Claim hebben hun akte met SEC besproken en delen mee dat SEC hiermee instemt.
7.3.
De rechtbank verzoekt SDEJ en Car Claim om indien er duidelijkheid is over het al dan niet instellen van cassatie dat aan de griffier te laten weten. De ontwikkelingen in de SEC-zaak zijn geen reden om in de onderhavige zaken anders te beslissen dan in dit vonnis is beslist.
8. Gevolgen voeging
8.1.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.38 van de rolbeslissing overwogen dat de zaken gevoegd worden behandeld en dat de rechtbank de door eiseressen ingenomen standpunten en in het geding gebrachte producties zal aanmerken als te gelden in beide zaken, tenzij partijen uitdrukkelijk anders vermelden.
8.2.
De Partners hebben naar aanleiding daarvan erop gewezen dat de vorderingen en de stellingen van SDEJ en Car Claim tot op heden niet geheel overeenkomen en op sommige punten zelfs tegenstrijdig zijn. Zo verschilt de achterban en verschillen de vorderingen.De Partners zouden verwachten dat Car Claim en SDEJ vanaf heden hun standpunten gezamenlijk in één processtuk naar voren brengen. De rechtbank heeft in het vonnis van 24 januari 2024 de vraag naar noodzaak en nut van het naast elkaar voortzetten van twee grotendeels overeenstemmende zaken gesteld en de verwachting uitgesproken dat partijen daarover in overleg zouden treden.De Partners verzoeken de rechtbank om SDEJ en Car Claim sec te bevelen de resultaten van dit overleg in het geding te brengen.
8.3.
SDEJ en Car Claim hebben op deze opmerkingen nog niet kunnen reageren. Zij zullen dat nog kunnen doen nadat Mercedes haar akte heeft genomen, omdat zij dan in gelegenheid worden gesteld hun dagvaarding aan te vullen en te actualiseren. Daarbij beveelt de rechtbank hen (al dan niet na eiswijziging) duidelijk te maken of er in de achterban en de vorderingen van SDEJ en Car Claim verschillen bestaan en zo ja welke. Indien SDEJ en Car Claim de geboden gelegenheid elk afzonderlijk benutten, wordt hen bevolen toe te lichten wat de noodzaak en het nut is van het naast elkaar voortzetten van twee grotendeels overeenstemmende zaken. Indien zij hun standpunten in gezamenlijke processtukken neerleggen, is dat niet nodig.
9. Voortgang procedure
9.1.
De rechtbank blijft bij hetgeen daarover in de rolbeslissing van 31 juli 2024 onder 2.39 is opgemerkt.
10. Beslissing
De rechtbank
10.1.
beveelt Mercedes haar stellingen toe te lichten door beantwoording van de vragen zoals omschreven en toegelicht onder 5.6 en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 5 februari 2025,
10.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze rolbeslissing is gegeven door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. F.L. Bolkestein en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑11‑2024
HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:572, C-145/20 (DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen).
HvJ EU 21 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:229, C-100/21 (QB/Mercedes).
HvJ EU 21 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:229, C-100/21 (QB/Mercedes), r.o. 96.
HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:572, C-145/20 (DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen).
Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen.
HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:572, C-145/20 (DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen).
HvJ EU 21 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:229, C-100/21 (QB/Mercedes).
HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:572, C-145/20 (DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen).
HvJ EU 21 maart 2023, ECLI:EU:C:2023:229, C-100/21 (QB/Mercedes).
Prof. Dörr verwijst naar punt 84, maar zal punt 83 bedoeld hebben.
Zie ook de Partiële conclusie van antwoord 'fase 2', inzake ontvankelijkheid en toepasselijk recht in de zaak SDEJ/Mercedes, nr. 117 en in de zaak Car Claim/Mercedes eveneens nr. 117 over de koelvloeistoftemperatuurregeling (Kühlmittel-Sollwert-Temperaturregelung, KMST-R).
HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:572, C-145/20 (DS/Porsche Inter Auto en Volkswagen).
Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie.
Uitspraak 12‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolg op tussenvonnis van 17 april 2024. Bepaling van een regiezitting.
Partij(en)
rolbeslissing
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Rolbeslissing van 12 juni 2024
in de gevoegde zaken
C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG,
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna, gemeente Wierden,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ DEALER BEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEDIN AUTOMOTIVE 1M B.V., (voorheen STERN 1M B.V.),
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat mr. B. Kemp te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
en
C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim zal hierna Car Claim worden genoemd. Gedaagden 1 en 3 zullen hierna gezamenlijk Mercedes worden genoemd. Gedaagden 4 tot en met 12 en 14 tot en met 24 zullen hierna gezamenlijk de Partners worden genoemd.
1. Het verloop van de procedures
1.1.
Bij vonnis van 17 april 2024 zijn de zaken verwezen naar de rol van 10 juli 2024 voor conclusie van antwoord van Mercedes respectievelijk de Partners, waarbij Mercedes tevens dient te voldoen aan het op grond van artikel 22 Rv gegeven bevel zoals in dat vonnis vermeld onder 2.13.
1.2.
Vervolgens zijn bij de rechtbank de in het e-mailbericht van 7 juni 2024 van de griffier vermelde brieven en e-mailberichten ingekomen.
1.3.
In het e-mailbericht van de griffier is aangekondigd dat heden een rolbeslissing zal worden gegeven.
2. De beoordeling
Regiezitting
2.1.
Zoals in het e-mailbericht van 7 juni 2024 is vermeld, zal een regiezitting van maximaal een dagdeel worden bevolen. Deze dient ertoe (i) met partijen zodanige afspraken te maken dan wel hen op grond van artikel 19 Rv zodanige instructies te geven dat partijen en de rechtbank voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling over alle daarvoor relevante informatie beschikken en (ii) verder alles te bespreken wat voor een goed verloop van de verdere procedure van belang kan zijn.
Het bevel op grond van artikel 22 Rv
2.2.
Het HvJ EU heeft in het arrest van 17 december 2020, C‑693/18, ECLI:EU:C:2020:1040 (Manipulatie-instrument in dieselmotoren) als volgt beslist:
“1) Artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie moet aldus worden uitgelegd dat software die in het motormanagementsysteem is ingebouwd of die op dit systeem inwerkt, een „constructieonderdeel” in de zin van deze bepaling vormt, voor zover de software op de werking van het emissiecontrolesysteem inwerkt en de doelmatigheid ervan vermindert.
2) Artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „emissiecontrolesysteem” in de zin van deze bepaling ziet op zowel de technologieën en de zogenoemde uitlaatgasnabehandelingsstrategie die de emissies achteraf – te weten na de vorming ervan – beperken als de technologieën en de strategie die, net als het systeem van uitlaatgasrecirculatie, de emissies vooraf – te weten tijdens het ontstaan ervan – beperken.
3) Artikel 3, punt 10, van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een instrument dat parameters herkent die verband houden met het verloop van de in deze verordening bedoelde goedkeuringsprocedures, met de bedoeling de prestaties van het emissiecontrolesysteem tijdens deze procedures te verbeteren teneinde de goedkeuring van het voertuig te verkrijgen, een „manipulatie-instrument” in de zin van deze bepaling is, zelfs indien een dergelijke verbetering sporadisch ook kan worden waargenomen onder normale gebruiksomstandigheden.
4) Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument als aan de orde in het hoofdgeding, dat de prestaties van het systeem ter beheersing van de emissies van voertuigen tijdens de goedkeuringsprocedures systematisch verbetert om de bij deze verordening vastgelegde emissiegrenswaarden na te leven en aldus de goedkeuring van deze voertuigen te verkrijgen, niet kan vallen onder de in deze bepaling vastgestelde uitzondering op het verbod van dergelijke instrumenten die betrekking heeft op de bescherming van de motor tegen schade of ongevallen en op de veilige werking van het voertuig, ook al helpt het instrument veroudering of vervuiling van de motor te voorkomen.”
2.3.
Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-128/20, ECLI:EU:C:2022:570 (GSMB Invest/Auto Krainer) als volgt beslist:
“1) Artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat een instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, een „manipulatie-instrument” in de zin van dit artikel 3, punt 10, vormt.
2) Artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 moet aldus worden uitgelegd dat een manipulatie-instrument dat enkel bij een buitentemperatuur tussen 15 en 33 graden Celsius en op een rijhoogte van minder dan 1 000 meter waarborgt dat de in die verordening vastgestelde emissiegrenswaarden worden nageleefd, niet onder de in deze bepaling neergelegde uitzondering op het verbod op het gebruik van dergelijke instrumenten kan vallen louter omdat met dit instrument onderdelen zoals de uitlaatgasrecirculatieklep, de uitlaatgasrecirculatiekoeler en de roetfilter voor dieselvoertuigen worden ontzien, tenzij wordt aangetoond dat dit instrument uitsluitend dient tot het voorkomen van acute risico’s op schade of defecten aan de motor ten gevolge van een zodanig gebrekkige werking van een van deze onderdelen dat daardoor tijdens het rijden met een met dat systeem uitgerust voertuig een concreet gevaar ontstaat. Hoe dan ook kan een manipulatie-instrument dat onder normale verkeersomstandigheden het grootste deel van het jaar zou moeten functioneren om de motor te beschermen tegen schade of ongevallen en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren, niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 2, onder a), van verordening nr. 715/2007 vallen.”
2.4.
Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-134/20, ECLI:EU:C:2022:571 (IR/Volkswagen) als volgt beslist:
[1 en 2: gelijk aan het in de vorige overweging genoemde arrest]
“3) Artikel 5, leden 1 en 2, van verordening nr. 715/2007, gelezen in samenhang met artikel 3, punt 10, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een manipulatie-instrument in de zin van deze laatste bepaling ná het in het verkeer brengen van een voertuig, bij wijze van herstelling in de zin van artikel 3, lid 2, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, werd geïnstalleerd, niet van belang is ter beoordeling of het gebruik van dit instrument op grond van dit artikel 5, lid 2, verboden is.”
2.5.
Het HvJ EU heeft in het arrest van 14 juli 2022, C-145/20, ECLI:EU:C:2022:572 (DS/ Porsche Inter Auto en Volkswagen) als volgt beslist:
“Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, moet aldus worden uitgelegd dat een motorvoertuig dat binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, valt, niet de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten, indien dit voertuig weliswaar een geldige EG-typegoedkeuring heeft en dus in het wegverkeer mag worden gebruikt, maar uitgerust is met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van deze verordening verboden is.
2) [gelijk aan de beslissing onder 2 in de arresten van 14 juli 2022, C-128/20 en C-134/20, ECLI:EU:C:2022:570 en 571]
3) Artikel 3, lid 6, van richtlijn 1999/44 moet aldus worden uitgelegd dat een gebrek aan overeenstemming dat erin bestaat dat een voertuig is uitgerust met een manipulatie-instrument waarvan het gebruik op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007 verboden is, niet kan worden aangemerkt als een gebrek „van geringe betekenis”, zelfs al zou de consument dat voertuig ook hebben gekocht wanneer de aanwezigheid van dit manipulatie-instrument en de werking ervan hem bekend waren geweest.”
2.6.
De rechtbank leidt uit de genoemde beslissingen van het HvJ EU af dat ook als een typegoedkeuring is verleend los daarvan beoordeeld moet worden of sprake is van een verboden manipulatie-instrument. Dat oordeel is in ieder geval nodig om te beoordelen of het betrokken voertuig de kwaliteit biedt die voor goederen van dezelfde soort normaal is en die de consument redelijkerwijs mag verwachten. Een voertuig met een verboden manipulatie-instrument voldoet niet aan die norm en dit is geen gebrek van geringe betekenis. De beoordeling of sprake is van een of meer verboden manipulatie-instrumenten is in deze zaken aan de orde voor zover de vorderingen zich richten tegen de Partners omdat jegens hen een beroep wordt gedaan op het niet beantwoorden van het geleverde voertuig aan de overeenkomst. Maar de vraag of er al dan niet verboden manipulatie-instrumenten aanwezig zijn zal in deze zaak eveneens moeten worden beoordeeld om te kunnen beslissen over de vorderingen jegens Mercedes op grond van onrechtmatige daad.
2.7.
Doel van het in het tussenvonnis van 17 april 2024 onder 2.9-2.13.6 gegeven bevel is om voor elk in de relevante periode door Mercedes in Nederland op de markt gebracht dieselvoertuig duidelijkheid te verkrijgen over de volgende vragen:- bevat dit voertuig een of meer manipulatie-instrumenten?- zo ja, op welke wijze beïnvloeden deze de werking van het emissiecontrolesysteem?
- wat is hiervan de rechtvaardiging; gaat het hierbij al dan niet om een verboden manipulatie-instrument?
2.8.
De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan dat na een typegoedkeuring (bedoeld is daarbij inderdaad de emissietypegoedkeuring, niet de voertuigtypegoedkeuring) uitsluitend voertuigen op de markt worden gebracht die voorzien zijn van een emissiecontrolesysteem dat overeenstemt met het emissiecontrolesysteem zoals aanwezig in het ter keuring aangeboden voertuig. Vandaar dat de rechtbank bij de vraagstelling aansluiting heeft gezocht bij de typegoedkeuringen.
2.9.
De rechtbank begrijpt uit de brief van Mercedes dat volgens Mercedes voertuigen met dezelfde emissietypegoedkeuring niet dezelfde hard- en software behoeven te hebben voor zover het gaat om het emissiecontrolesysteem. Een indeling naar emissietypegoedkeuring is dan ook niet zinvol, zo stelt Mercedes. Zij stelt voor op de regiezitting te bespreken wat wel een zinnige indeling kan zijn.
2.10.
Dit roept de volgende vragen op:
- 1.
Staat het - mede gelet op het voor elk voertuig af te geven Certificaat van Overeenstemming - Mercedes vrij voertuigen op de markt te brengen met een bepaalde emissietypegoedkeuring en deze te voorzien van hard- en software die afwijkt van de hard- en software die aanwezig was in het geteste voertuig op basis waarvan de emissietypegoedkeuring is verleend? Zo ja, op grond van welke bepaling(en) is dat toegestaan?
- 2.
Indien de emissietypegoedkeuring geen zinvolle indeling oplevert, welke alternatieve indeling is dan zinvol teneinde de onder 2.7 genoemde vragen te kunnen beantwoorden?
2.11.
Mercedes heeft vragen gesteld over de in het op grond van artikel 22 Rv gegeven bevel genoemde verschillende functionaliteiten, waarvan een aantal volgens haar niet in het partijdebat aan de orde is geweest. Deze functionaliteiten zijn in andere zaken wel genoemd, zodat het de rechtbank dienstig voorkomt daar ook in dit geval expliciet naar te vragen. Verschil maakt dat niet, omdat in de slotvraag naar alle nog niet genoemde manipulatie-instrumenten wordt gevraagd.
Voor zover een functionaliteit niet aanwezig is, kan de vraag eenvoudig met nee worden beantwoord.
2.12.
Mercedes wenst ook duidelijkheid te krijgen over de vraag of van haar meer wordt verwacht dan uitleg over de emissiestrategieën die het KBA als IMI heeft aangemerkt. Het antwoord daarop is af te leiden uit rechtsoverweging 2.9 van het vonnis van 17 april 2024: “De rechtbank heeft daarnaast behoefte aan verdere informatie om te kunnen oordelen over de toelaatbaarheid van de in de betrokken voertuigen aanwezige manipulatie-instrumenten.” De rechtbank zal zich niet kunnen en mogen baseren op de beoordeling van het KBA, omdat – zoals uit de rechtspraak van het HvJ EU is af te leiden - de rechtbank over de aanwezigheid en toelaatbaarheid van manipulatie-instrumenten een eigen oordeel zal moeten geven.1.Daarvoor is vereist dat de rechtbank weet welke manipulatie-instrumenten aanwezig zijn en hoe deze werken, zodat de toelaatbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.
2.13.
Mercedes wil bevestigd krijgen dat zij haar conclusie van antwoord en de beantwoording van het op grond van art. 22 Rv gegeven bevel mag beperken tot die voertuigen waarvan de rechtbank de belangen bundelbaar heeft geacht.
De rechtbank heeft in het vonnis van 24 januari 2024 het volgende overwogen:
“10.6.9. Partijen hebben nader gedebatteerd over de vraag of en, zo ja, welke “Betrokken Voertuigen” (onder de collectieve vorderingen van SDEJ en Car Claim vallende dieselvoertuigen) ook “Getroffen Voertuigen” (dieselvoertuigen met een IMI) zijn. In dit verband zijn onder meer de (wel) door het KBA bevolen terugroepacties en de door Mercedes-Benz Group AG daartegen aanhangig gemaakte bezwaar- en beroepsprocedures aan de orde gekomen. Met betrekking tot de door het KBA geïdentificeerde series van (motoren van) dieselvoertuigen met IMI’s kan (zo lang daar in hoger beroep niet anders over is geoordeeld) uit worden gegaan van de aanwezigheid van IMI’s. Dus is sprake van bundelbaarheid van de bij de ingestelde vorderingen betrokken belangen die een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan bevorderen. De kopers en lessees van die dieselvoertuigen bevinden zich in dezelfde feitelijke positie en hebben er belang bij dat collectief voor hen wordt opgekomen. Bovendien kan bij de beoordeling of sprake is van een IMI, worden gedifferentieerd naar (bijvoorbeeld) type voertuig, model en/of uitvoering. Het argument dat voor de verschillende dieselvoertuigen en voertuigtypes vele duizenden softwareversies en kalibraties zijn gebruikt staat aan bundelbaarheid niet in de weg, omdat het kennelijk zo is dat het KBA series van voertuigen heeft aangewezen die van een(zelfde) IMI zijn voorzien. De eigenaren/lessees van alle voertuigen uit een dergelijke serie verkeren daarmee in een gelijke positie en hun belangen zijn dus bundelbaar.”
Uit deze overweging kan worden afgeleid dat het verweer dat voor de verschillende dieselvoertuigen en voertuigtypes vele duizenden softwareversies en kalibraties zijn gebruikt, zodat de belangen niet bundelbaar zijn, is verworpen, omdat de terugroepacties van het KBA duidelijk maken dat in ieder geval series van voertuigen volgens het KBA met dezelfde IMI zijn uitgerust. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat de bundelbaarheid beperkt is tot voertuigen die door het KBA zijn teruggeroepen. De bundelbaarheid geldt voor alle voertuigen die van eenzelfde manipulatie-instrument zijn voorzien. Vandaar ook dat de beantwoording van de door de rechtbank gestelde vragen betrekking heeft op alle door Mercedes in de relevante periode in Nederland op de markt gebrachte dieselvoertuigen.Anders gezegd: Mercedes mag haar conclusie van antwoord en de antwoorden op het art. 22-bevel niet beperken tot de voertuigen die onderwerp zijn van een terugroepactie door het KBA, het gaat om alle in de relevante periode op de markt gebrachte dieselvoertuigen, waarbij is te onderzoeken welke van die voertuigen van eenzelfde manipulatie-instrument zijn voorzien en of dit al dan niet een toelaatbaar manipulatie-instrument is.
2.14.
Mercedes heeft verder nog aangevoerd dat zij in algemene zin heeft betwist dat manipulatie-instrumenten aanwezig zijn, maar dat als dat al zo is die manipulatie-instrumenten gerechtvaardigd zijn.De rechtbank merkt hierover op dat Mercedes in ieder geval bij de bespreking van de functionaliteit koelvloeistoftemperatuurregeling (zie o.a. Partiële conclusie van antwoord 'fase 2', inzake ontvankelijkheid en toepasselijk recht inzake Car Claim, nr. 117) heeft opgemerkt dat dit volgens het KBA is sommige gevallen een toegestane en in andere gevallen een niet toegestane functionaliteit was. Daarmee is de aanwezigheid van een manipulatie-instrument in bepaalde gevallen in ieder geval erkend, al betwist Mercedes inderdaad wel steeds dat dit een ontoelaatbaar manipulatie-instrument zou zijn.
Voortgang procedure
2.15.
In het e-mailbericht van 7 juni 2024 is partijen gevraagd op de rol van heden opgave te doen van hun verhinderingen in de maand juli 2024. De datum van de regiezitting zal zo spoedig mogelijk per e-mail worden medegedeeld.
2.16.
De zaken zullen worden verwezen naar de rol van 26 juni 2024 voor het nemen van een akte door Mercedes ter beantwoording van de vragen zoals vermeld onder 2.10; eiseressen zullen bij de regiezitting hierop kunnen reageren en mogen zich daartoe bedienen van pleitaantekeningen die in het dossier zullen worden gevoegd.
2.17.
De zaken worden voor het houden van de regiezitting verwezen naar de enkelvoudige kamer. Mr. R.H.C. Jongeneel wordt benoemd als rechter-commissaris. Tijdens de regiezitting zal geen gelegenheid worden gegeven voor het toelichten van stellingen; de regiezitting dient uitsluitend ter bespreking van het verdere procesverloop. Voor zover met partijen geen overeenstemming kan worden bereikt over het verdere procesverloop zal de rechter-commissaris met toepassing van artikel 19 lid 2 Rv alle beslissingen nemen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure. Vervolgens zullen de zaken worden terugverwezen naar de meervoudige kamer voor de verdere behandeling en beslissing.
2.18.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
in beide zaken
3.1.
verwijst de zaken naar de rol van 26 juni 2024 voor het nemen van een akte door Mercedes ter beantwoording van de vragen die zijn vermeld onder 2.10;
3.2.
verwijst de zaken voor het houden van de regiezitting naar de enkelvoudige kamer;
3.3.
benoemt mr. R.H.C. Jongeneel als rechter-commissaris;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze rolbeslissing is gegeven door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑06‑2024
Zie HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:572, beantwoording van de eerste vraag.
Uitspraak 17‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Collectieve actie tegen Mercedes en haar Nederlandse dealers. Tussenvonnis waarin ook de tweede claimstichting (voorwaardelijk) ontvankelijk wordt verklaard. Bevel op grond van artikel 22 Rv om de rechtbank te informeren over typegoedkeuringen en per typegoedkeuring over de aanwezigheid van manipulatie-instrumenten, de instelling daarvan en de rechtvaardiging daarvan.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Vonnis van 17 april 2024
in de op de rol gevoegde zaken
C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.
gevestigd te ’s-Gravenhage,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.
gevestigd te ’s-Gravenhage,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna, gemeente Wierden,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ DEALER BEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEDIN AUTOMOTIVE 1M B.V., (voorheen STERN 1M B.V.),
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat eerst mr. M.H.C. Sinninghe Damsté, vervolgens mr. C.W.M. Lieverse, thans mr. B. Kemp te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
en
C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim zal hierna Car Claim worden genoemd. Gedaagden 1 en 3 zullen hierna gezamenlijk Mercedes worden genoemd. Gedaagden 4 tot en met 12 en 14 tot en met 24 zullen hierna gezamenlijk de Partners worden genoemd.
De zaken zullen hierna afzonderlijk ook de SDEJ-zaak en de Car Claim-zaak worden genoemd.
1. Het verloop van de procedures
In beide zaken
1.1.
Op 24 januari 2024 is een tussenvonnis (hierna: het tussenvonnis) gewezen.
1.2.
Op 20 maart 2024 is een herstelvonnis en aanvullend vonnis gewezen.
In de SDEJ-zaak
1.3.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat SDEJ ontvankelijk is in haar vorderingen, behoudens voor zover in de rechtsoverwegingen 10.6.13-10.6.28 anders is beslist.
1.4.
De zaak is verwezen naar de rol van 17 april 2024 voor beslissing over voortprocederen. Elke verdere beslissing is aangehouden.
In de Car Claim-zaak
De financieringsovereenkomst
1.5.
Bij het tussenvonnis is Car Claim in de gelegenheid gesteld alsnog volledig te voldoen aan de eerder gegeven instructies (waaronder het verstrekken van de financieringsovereenkomst zonder onleesbaar gemaakte gedeelten, behoudens het budget). Car Claim is verder in de gelegenheid gesteld enkele onderdelen van de financieringsovereenkomst (die (mogelijk) in tegenspraak zijn met de te hanteren regels) in overleg met CF ND Car uit de financieringsovereenkomst te schrappen, althans zodanig te wijzigen dat de bezwaren van de rechtbank worden ondervangen. Tot slot is Car Claim in de gelegenheid gesteld de rechtbank te laten weten of zij met CF ND Car een dergelijke wijziging van de financieringsovereenkomst is overeengekomen en om die wijziging bij akte in het geding te brengen.
1.6.
Car Claim heeft vervolgens een akte overlegging financieringsovereenkomst, met producties, ingediend.
1.7.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Mercedes daarna een akte uitlating gewijzigde financieringsovereenkomst ingediend.
1.8.
Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de Partners zich bij de inhoud van de akte van Mercedes aangesloten.
2. De verdere beoordeling
In de Car Claim-zaak
2.1.
Zoals in het tussenvonnis is aangekondigd, zal thans over de ontvankelijkheid van Car Claim worden beslist.
2.2.
Car Claim heeft overeenkomstig de instructies van de rechtbank de gehele (gewijzigde) financieringsovereenkomst in het geding gebracht. De artikelen 14.3 en 18.1 heeft zij laten vervallen, zodat is tegemoet gekomen aan de bezwaren van de rechtbank. Volgens Car Claim is er op artikel 20 van de financieringsovereenkomst niets aan te merken en zij heeft dat artikel niet gewijzigd.
2.3.
Mercedes merkt terecht op dat de rechtbank weliswaar in rechtsoverweging 11.28 onder f artikel 20 van de financieringsovereenkomst noemt als een bepaling waartegen bezwaar bestaat, maar dat zij daarbij het oog had op artikel 20 van de deelnemingsovereenkomst en dat ook de Partners hiertegen bezwaar hadden gemaakt.
2.4.
In het midden kan blijven of dit Car Claim duidelijk zou moeten zijn; de rechtbank ziet in het niet aanpassen van artikel 20 van de deelnameovereenkomst gezien de door de rechtbank zelf gemaakte vergissing geen reden Car Claim nu niet ontvankelijk te verklaren.Wel gaat de rechtbank er van uit dat Car Claim artikel 20 van de deelnameovereenkomst alsnog aanpast en dit voorafgaand aan de mondelinge behandeling in de inhoudelijke fase aan de rechtbank en partijen bevestigt. In zoverre is de ontvankelijkheid voorwaardelijk.
2.5.
Mercedes wijst erop dat in de eerder in het geding gebrachte versie van de financieringsovereenkomst artikel 21 grotendeels was zwartgelakt en uit 14 leden bestond. De nu in het geding gebrachte versie van artikel 21 is aanzienlijk korter en bestaat uit 8 leden. Volgens Mercedes heeft Car Claim door artikel 21 te wijzigen en de gewijzigde bepaling nu in het geding te brengen in plaats van de oorspronkelijke, gehandeld in strijd met de instructies van de rechtbank en met artikel 21 Rv.
2.6.
De rechtbank onderkent dat Car Claim kennelijk niet de zwartgelakte versie in het geding brengt maar een gewijzigde versie. Dit stond haar vrij. In rechtsoverweging 11.29 van het tussenvonnis was overwogen:
“De rechtbank merkt op dat indien in de tot op heden onleesbaar gemaakte passages bepalingen voorkomen die afbreuk doen aan de onafhankelijke positie van Car Claim jegens haar procesfinancier of anderszins in strijd zijn met het waarborgvereiste, niet nogmaals een herstelmogelijkheid zal worden geboden en dat die bepalingen in dat geval tot niet-ontvankelijkheid van Car Claim zullen leiden.”
Het stond Car Claim gezien deze overweging vrij de bepalingen die zij in het geding bracht zo te wijzigen dat zij redelijkerwijs kon aannemen dat deze toelaatbaar zouden zijn. Een verplichting om de zwartgelakte bepalingen ongewijzigd in het geding te brengen en dus een verbod om die te wijzigen kan uit de aangehaalde overweging niet worden afgeleid.
2.7.
De slotsom is dat ook Car Claim ontvankelijk is in haar vorderingen, behoudens voor zover in de rechtsoverwegingen 10.6.13-10.6.28 anders is beslist. Deze ontvankelijkheid van Car Claim is voorwaardelijk, in die zin dat Car Claim de bevestiging als bedoeld in rechtsoverweging 2.4. tijdig verstrekt.
In beide zaken
Voeging
2.8.
Daarmee is aan de orde de in rechtsoverweging 15.3 van het tussenvonnis aangekondigde ambtshalve voeging van de Car Claim-zaak met de SDEJ-zaak. Daartoe zal thans worden beslist.
Bevelen op grond van artikel 22 Rv
2.9.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 10.6.10 van het tussenvonnis al overwogen dat Mercedes (geactualiseerde) informatie moet verstrekken over terugroepacties en de daartegen gerichte bezwaren en beroepen. De rolverwijzing om hieraan te voldoen heeft nog niet plaatsgevonden.De rechtbank heeft daarnaast behoefte aan verdere informatie om te kunnen oordelen over de toelaatbaarheid van de in de betrokken voertuigen aanwezige manipulatie-instrumenten. De rechtbank begrijpt het standpunt van Mercedes tot op heden zo dat er weliswaar manipulatie-instrumenten aanwezig zijn, maar dat deze noodzakelijk zijn en dus niet kunnen worden gezien als verboden manipulatie-instrumenten. Om de juistheid van dat standpunt te kunnen beoordelen zal allereerst moeten komen vast te staan welke manipulatie-instrumenten aanwezig zijn en zal vervolgens beoordeeld moeten worden of deze toelaatbaar zijn.
2.10.
Het uitgangspunt van de Europese regelgeving is dat een fabrikant een type dat hij in serie wil gaan bouwen ter keuring aanbiedt, zodat kan worden vastgesteld of dit type voldoet aan de eisen van de Emissieverordening1.en dat vervolgens na typegoedkeuring exemplaren van dit type op de markt worden gebracht. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de verleende typegoedkeuringen en neemt als uitgangspunt dat de voertuigen die met deze typegoedkeuring overeenstemmen in ieder geval op het punt van het voldoen aan de Emissieverordening aan elkaar gelijk zijn en dus een identieke hardware en software hebben voor zover het gaat om het emissiecontrolesysteem. Uitgangspunt is dan ook dat als in het ter keuring aangeboden type sprake is van een manipulatie instrument) (te weten een constructieonderdeel dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd), dit bij elk exemplaar van het desbetreffende type hetzelfde manipulatie-instrument is. Te beoordelen is steeds de toelaatbaarheid van een manipulatie-instrument, te weten of dit al dan niet tot gevolg heeft dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn en of een van de uitzonderingen van artikel 5 lid 2 van de Emissieverordening van toepassing is.
2.11.
De rechtbank beveelt Mercedes op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv ter gelegenheid van de conclusie van antwoord in het geding te brengen: alle typegoedkeuringen in de zin van de Emissieverordening zoals die aan haar zijn afgegeven voor voertuigen met dieselmotor die in de periode 2009-2019 in Nederland op de markt zijn gebracht.Indien de typegoedkeuring (exclusief bijlagen) uit meer dan 25 pagina’s bestaat, kan worden volstaan met de pagina’s waaruit blijkt: op welk type de typegoedkeuring betrekking heeft, welk motortype in deze voertuigen aanwezig is en op welk moment de typegoedkeuring is afgegeven en door welke keuringsinstantie.Als het totaal aantal pagina’s van alle typegoedkeuringen meer dan 500 is, kan worden volstaan met het elektronisch aanleveren daarvan.
2.12.
De rechtbank beveelt Mercedes op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv haar stelling dat in geen van de betrokken voertuigen een verboden manipulatie-instrument is toegepast toe te lichten en wel in de conclusie van antwoord en/of de daarbij gevoegde producties de volgende vragen voor elke typegoedkeuring afzonderlijk te beantwoorden.De eerdere vragen zoals gesteld in het vorige tussenvonnis over de stand van zaken met betrekking tot bezwaar- en beroepsprocedures zijn in de onderstaande vragen verwerkt en deze vragen behoeven dan ook niet meer afzonderlijk beantwoord te worden.De rechtbank draagt Mercedes op deze antwoorden in de conclusie van antwoord of een daarbij te voegen productie overzichtelijk te presenteren, bij voorkeur in een Excel-overzicht. Voor zover antwoorden op vragen niet handig passen in een Excel-overzicht kan worden gewerkt met verwijzingen naar een afzonderlijk document. Als op vragen bij verschillende typegoedkeuringen hetzelfde antwoord wordt gegeven, mag worden verwezen naar een eerder gegeven antwoord.Als het totaal aantal pagina’s van dit overzicht meer dan 200 is of als het overzicht niet op maximaal A3 formaat kan worden uitgeprint, kan worden volstaan met het uitsluitend elektronisch aanleveren van deze toelichting.
2.13.
De te beantwoorden vragen per typegoedkeuring luiden als volgt.
2.13.1.
A. Algemeen
- 1.
Op welk type heeft de typegoedkeuring betrekking?
- 2.
Welk motortype is in deze voertuigen aanwezig?
- 3.
Op welke datum is de typegoedkeuring afgegeven?
- 4.
Door welke keuringsinstantie?
- 5.
Welke norm (Euro 5 dan wel een van de varianten Euro 6) is op deze typegoedkeuring van toepassing?
- 6.
Hoeveel voertuigen van dit type zijn in Nederland verkocht?
- 7.
Is voor dit type door de keuringsinstantie een terugroepactie bevolen wegens een verboden manipulatie-instrument?
a. Zo ja, welke wijzigingen hebben in de update plaatsgevonden?
b. Is tegen het bevel van de keuringsinstantie bezwaar gemaakt en/of beroep ingesteld en zo ja, wat is de uitkomst dan wel de stand van zaken in dat bezwaar/beroep.
8. Heeft voor dit type een vrijwillige terugroepactie plaatsgevonden om de instellingen van het uitlaatgasregulatiesysteem te wijzigen?
Zo ja, welke wijzigingen hebben in de update plaatsgevonden?
2.13.2.
B. Temperatuurvenster
- 1.
Is bij de voertuigen die voldoen aan deze typegoedkeuring een temperatuurvenster toegepast?
- 2.
Zo ja,
a. Wat zijn de instellingen van dit temperatuurvenster? Bij welke temperatuur wordt de werking van het emissiecontrolesysteem verminderd of wordt dat geheel uitgeschakeld?
b. Geldt dit het gehele emissiecontrolesysteem?
c. Indien vraag b met nee beantwoord wordt: bij welke temperatuur wordt elk van de afzonderlijke aanwezige onderdelen (zoals de EGR-klep, de LNT (Lean NOx Trap), de SCR (Selective Catalytic Reduction), de post-heating, het roetfilter en eventuele andere onderdelen van het emissiecontrolesysteem) uitgeschakeld of wordt de werking daarvan verminderd?
d. Welke rechtvaardiging is hiervoor?
2.13.3.
C. Hot restart
1. Is bij de voertuigen die voldoen aan deze typegoedkeuring een ‘hot restart’ functie toegepast, te weten een instelling van de hardware en software waardoor het emissiecontrolesysteem anders reageert bij het starten van een koude motor dan bij het starten van een warme motor?
2. Zo ja,
a. Wanneer is volgens deze instelling sprake van een koude start en wanneer van een warme start?
b. Welke verschillen in instelling zijn er tussen een koude start en warme start wat betreft de werking van het emissiecontrolesysteem?
c. Wat rechtvaardigt dit verschil?
2.13.4.
D. Snelheid
- 1.
Is bij de voertuigen die voldoen aan deze typegoedkeuring een instelling van de hardware en software actief waardoor het emissiecontrolesysteem bij bepaalde snelheden verminderd of niet actief is?
- 2.
Zo ja,
a. Bij welke snelheid is het emissiecontrolesysteem verminderd actief en in welke mate is dat het geval en bij welke snelheden is het geheel uitgeschakeld?
b. Wat is daarvoor de rechtvaardiging?
2.13.5.
E. Postheating
- 1.
Is bij de voertuigen die voldoen aan deze typegoedkeuring een ‘postheating-functie’ aanwezig?
- 2.
Zo ja,
a. Maakt deze deel uit van het emissiecontrolesysteem?
b. Is deze functie actief bij elke temperatuur of is hierop een temperatuurvenster van toepassing? (in dat laatste geval kunt u verwijzen naar de antwoorden bij vraag B2).
2.13.6.
F. Andere manipulatie-instrumenten
- 1.
Zijn er andere dan de hierboven genoemde constructieonderdelen (hardware of software) aanwezig die de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meten om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd?
- 2.
Zo ja,
a. bij welke waarde van de genoemde parameter(s) wordt de werking van het emissiecontrolesysteem verminderd of wordt dit uitgeschakeld?
b. Wat is hiervoor de rechtvaardiging?
Algemene opmerking over de rechtvaardiging van een manipulatie-instrument
2.14.
Mercedes wordt verzocht, indien zij meent dat een manipulatie-instrument aanwezig is, maar dat dit gerechtvaardigd is, expliciet in te gaan op de eisen die het Hof van Justitie aan die rechtvaardiging stelt, zie HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:570 (GSMB/Auto Krainer).
Het verdere verloop van de procedure
2.15.
In afwijking van rechtsoverweging 15.5 van het tussenvonnis zullen de zaken worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord van Mercedes respectievelijk de Partners. Mercedes dient daarbij tevens te voldoen aan het op grond van artikel 22 gegeven bevel zoals vermeld onder 2.13. Nadat deze conclusies zijn ingediend, zal de rechtbank het verdere verloop van de procedure bepalen. Daarbij zal zij opnieuw betrekken hetgeen in rechtsoverweging 15.5 van het tussenvonnis is overwogen.
2.16.
Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
in beide zaken
3.1.
voegt de Car Claim-zaak met de SDEJ-zaak;
3.2.
verwijst de zaak naar de rol van 10 juli 2024 voor conclusie van antwoord van Mercedes respectievelijk de Partners, waarbij Mercedes tevens dient te voldoen aan het op grond van artikel 22 Rv gegeven bevel zoals vermeld onder 2.13;
3.3.
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑04‑2024
Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie
Uitspraak 24‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Collectieve actie tegen Mercedes en haar Nederlandse dealers. Tussenvonnis met beslissingen over ontvankelijkheid.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Vonnis van 24 januari 2024
in de op de rol gevoegde zaken
C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.
gevestigd te ’s-Gravenhage,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.
gevestigd te ’s-Gravenhage,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna, gemeente Wierden,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ DEALER BEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HEDIN AUTOMOTIVE 1M B.V., (voorheen STERN 1M B.V.),
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat eerst mr. M.H.C. Sinninghe Damsté, vervolgens mr. C.W.M. Lieverse, thans mr. B. Kemp te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
en
C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim zal hierna Car Claim worden genoemd. Gedaagden 1 en 3 zullen hierna gezamenlijk Mercedes worden genoemd. Gedaagden 4 tot en met 12 en 14 tot en met 24 zullen hierna gezamenlijk de Partners worden genoemd.
De zaken zullen hierna afzonderlijk ook de SDEJ-zaak en de Car Claim-zaak worden genoemd.
1. Het verloop van de procedures
In beide zaken
1.1.
Bij tussenvonnis van 22 juni 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:3586) heeft de rechtbank (i) Stichting Emission Claim (hierna: SEC) niet-ontvankelijk verklaard, (ii) zich onbevoegd verklaard voor zover het betreft de door SDEJ en Car Claim tegen Mercedes-Benz Group AG ingestelde vorderingen ten behoeve van Niet NL Kopers, (iii) verstaan dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op deze zaken en de ingestelde vorderingen en (iv) de zaken verwezen naar de rol voor conclusies van Mercedes en de Partners met betrekking tot (a) de ontvankelijkheid van SDEJ respectievelijk Car Claim volgens artikel 3:305a (oud) BW en (b) het toepasselijk recht, in het bijzonder in de verhouding tussen de NL Kopers en Mercedes-Benz Group AG.
1.2.
Bij rolbeslissing van 19 oktober 2022 heeft de rechtbank de verzoeken van Mercedes en de Partners om de procedures te schorsen dan wel aan te houden voor de duur van het door SEC ingestelde hoger beroep afgewezen.
1.3.
Op 9 november 2022 heeft Mercedes in elk van beide zaken een partiële conclusie van antwoord ‘fase 2’ inzake ontvankelijkheid en toepasselijk recht, met producties, ingediend. Eveneens op 9 november 2022 hebben de Partners in de SDEJ-zaak een antwoordconclusie ontvankelijkheid SDEJ en toepasselijk recht, met producties, ingediend en hebben de Partners in de Car Claim zaak een antwoordconclusie ontvankelijkheid SCC en toepasselijk recht, met producties, ingediend.
1.4.
Bij tussenvonnis van 21 december 2022 is een mondelinge behandeling bepaald over onder meer de hiervoor onder 1.1 onder (iv) vermelde onderwerpen.
1.5.
Deze mondelinge behandeling is gehouden op 24 mei 2023. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
1.6.
Zoals ter zitting van 24 mei 2023 is aangekondigd, heeft de rechtbank op 7 juni 2023 een tussenvonnis gewezen (ECLI:NL:RBAMS:2023:8485) over, kort gezegd, de achterbannen, de procesfinancieringsovereenkomsten en de nagekomen producties, steeds van SDEJ en Car Claim. In dat vonnis is tevens overwogen dat partijen zich in de in te dienen akten desgewenst tevens kunnen uitlaten over de gevolgen voor elk van beide zaken van het op 14 maart 2023 uitgesproken faillissement van Cor Millenaar B.V. (gedaagde 15).
1.7.
Bij rolbeslissing van 5 juli 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:8583) zijn, kort gezegd, de beslissingen van het tussenvonnis van 7 juni 2023 gehandhaafd.
1.8.
Op 2 augustus 2023 heeft SDEJ in de SDEJ-zaak een akte overlegging gegevens omvang achterban en financieringsovereenkomst, met producties, ingediend en heeft Car Claim in de Car Claim-zaak een akte houdende uitlating ex artikel 22 Rv tevens houdende vordering tot bevel tot geheimhouding met vordering tot oplegging van dwangsommen tevens houdende akte overlegging producties, met producties, ingediend.
1.9.
Op 30 augustus 2023 heeft Mercedes in elk van beide zaken een akte inzake de onderbouwing van een daadwerkelijke achterban en de overgelegde financieringsovereenkomst ingediend en hebben de Partners in elk van beide zaken een antwoordakte omvang achterban en financieringsovereenkomsten, met producties, ingediend.
1.10.
Bij brief van 11 september 2023 heeft de griffier, voor zover hier van belang, aan de advocaten van Car Claim en Mercedes geschreven:
De rechtbank stelt voorop dat de accountantsverklaring een rol speelt bij de – ambtshalve – beoordeling van de ontvankelijkheid van Car Claim met het oog op (de omvang van) haar achterban. De door Mercedes in haar antwoordakte naar voren gebrachte bezwaren tegen de accountantsverklaring zullen in deze beoordeling worden betrokken. Hetzelfde geldt voor het verweer van de accountant tegen deze bezwaren. De brief van 30 augustus 2023 van de advocaat van Car Claim en de brief van dezelfde datum van de advocaat van Mercedes worden daarom toegevoegd aan het dossier. Indien en voor zover bij de beoordeling vanuit een oogpunt van hoor en wederhoor daartoe aanleiding blijkt te bestaan, zal (zullen) de betrokken partij(en) in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte (nader) over de accountantsverklaring uit te laten.
1.11.
Tot slot is vonnis bepaald.
Overzicht van dit vonnis
In dit vonnis beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van SDEJ en Car Claim in hun vorderingen. Daarbij is onder meer van belang of de belangen waarvoor de stichtingen opkomen voldoende gelijksoortig zijn, zodat deze bundelbaar zijn. Dat is voor de meeste vorderingen het geval. De beide stichtingen zijn gezien de omvang van hun achterban voldoende representatief. Uit de door SDEJ in het geding gebrachte overeenkomst met haar procesfinancier blijkt dat zij voldoende onafhankelijk is van haar financier. Bij Car Claim wordt weliswaar een bepaling aangetroffen waarin deze onafhankelijkheid is neergelegd, maar omdat niet de volledige overeenkomst in het geding is gebracht kan de rechtbank de onafhankelijkheid nog niet beoordelen. Car Claim krijgt de gelegenheid de financieringsovereenkomst alsnog volledig in het geding te brengen. Het oordeel over haar ontvankelijkheid zal hier van afhangen. SDEJ wordt in dit vonnis al ontvankelijk verklaard in de meeste vorderingen. Verder bevat het vonnis bepalingen over de verdere voortgang van de procedure
2. De feiten
In beide zaken
In het tussenvonnis van 22 juni 2022 zijn een aantal feiten opgenomen. Deze feiten worden hier, voor zover nog van belang, herhaald en aangevuld.
In de SDEJ-zaak
2.1.
De op 19 mei 2020 gewijzigde statuten van SDEJ openen, voor zover hier van belang, als volgt:
DEFINITIES
In de statuten wordt verstaan onder:
(…)
b. Claim of Claims: klachten, eisen en/of vorderingen van de Gedupeerden en/of de stichting in het belang van de Gedupeerden, op welke rechtsgrondslag dan ook, jegens een of meer Entiteiten en/of hun Beleidsbepalers met betrekking tot iedere vorm van benadeling, verlies of schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden of te lijden, individueel of gezamenlijk, als gevolg van ongeoorloofde manipulatie van de uitstoot van voertuigen in bepaalde testsituaties en/of de verkeerde voorstelling van zaken door de Entiteiten met betrekking tot de daadwerkelijke niveaus van deze uitstoot, algemeen bekend als het dieselemissieschandaal, dat uitdrukkelijk omvat, maar niet beperkt is tot vorderingen van Gedupeerden in verband met de aankoop, het bezit of de lease van voertuigen en vorderingen in verband met de uitstoot van milieugevaarlijke stoffen;
c. Gedupeerden: alle natuurlijke personen, dan wel privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen, of hun rechtsopvolgers die direct of indirect op welke manier dan ook geschaad of benadeeld zijn door het handelen of nalaten van de Entiteiten en Beleidsbepalers en waarop de Claims zijn gebaseerd, dit in de ruimste zin van het
woord;
d. Entiteiten:
i. alle (rechts)personen, in het bijzonder fabrikanten van personenauto's, bedrijfswagens, vrachtwagens en andere voertuigen, inclusief de aan hen gelieerde ondernemingen, die zich richten op de productie en/of verkoop van dergelijke voertuigen, waarvan is gebleken of bij de stichting enig vermoeden bestaat dat die één of meer Ongeoorloofde Manipulatie-instrumenten bevatten, dit alles in de ruimste zin van het woord;
ii. alle (rechts)personen die betrokken zijn of waren bij de productie en/of ontwikkeling van een Ongeoorloofd Manipulatie-instrument, dit alles in de ruimste zin van het woord;
iii. alle (rechts)personen die betrokken zijn of waren bij de import, distributie en/of verkoop of lease van voertuigen met een Ongeoorloofd Manipulatie-instrument, waaronder begrepen de (exclusieve) importeurs en dealers van de betreffende autofabrikanten bedoeld onder sub i. hiervoor, dit alles in de ruimste zin van het woord;
iv. de Beleidsbepalers van de hiervoor onder sub i. tot en met sub iii. bedoelde entiteiten; en/of
v. andere entiteiten en/of (toezichthoudende) organisaties, en/of hun Beleidsbepalers, die op enigerlei wijze betrokken zijn (geweest) bij de toelating en/of goedkeuring van de betreffende voertuigen;
e. Ongeoorloofd Manipulatie-instrument of Ongeoorloofde Manipulatie-instrumenten een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3 sub 10 van Europese Verordening nr. 715/2007, dan wel in de zin van een vergelijkbare bepaling in opvolgende wetgeving, dat niet valt onder een van de in deze verordening of opvolgende wetgeving omschreven uitzonderingen;
f. Participant: een Gedupeerde die een overeenkomst met de stichting heeft gesloten;
2.2.
De statuten van SDEJ luiden verder, voor zover hier van belang:
DOEL
ARTIKEL 2
1. De stichting heeft ten doel het behartigen en voortzetten van de belangen van de Gedupeerden in het algemeen en de Participanten in het bijzonder, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claim;
b. het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden, waaronder Participanten, stellen te hebben geleden;
d. het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in milieuzaken, in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
e. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.
2. De stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door:
a het voeren van juridische procedures op welke basis dan ook in alle jurisdicties, waaronder begrepen maar niet beperkt tot procedures op grond van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek, het beschermen van de belangen van de Gedupeerden, in naam van de stichting en/of in naam van de Gedupeerden, naargelang hetgeen van toepassing is, het onderhandelen over en het aangaan van overeenkomsten namens of in het belang van de Gedupeerden en de Participanten, het oplossen van openstaande geschillen via een of meer vaststellingsovereenkomsten, waaronder begrepen maar niet beperkt tot vaststellingsovereenkomsten die vervolgens op verzoek van de stichting door het gerechtshof Amsterdam bindend kunnen worden verklaard op grond van artikel 7:907 van het Burgerlijk Wetboek;
b. het optreden als woordvoerder en vertegenwoordiger van Gedupeerden, Participanten en andere uiteindelijk belanghebbenden;
c. het stroomlijnen en coördineren van de overeenkomsten tussen de Gedupeerden en derden;
d. het verkrijgen van financiering tegen een financieringsvergoeding om haar doelstelling te vervullen;
e. het selecteren, aanhouden en toezicht houden op de advocaten, advocatenkantoren en experts die door de stichting zijn gekozen om te procederen en/of te onderhandelen namens de stichting en/of de Participanten;
f. het verkrijgen en het distribueren – of het monitoren en toezicht houden op – de distributie van iedere financiële compensatie of uitkering ten behoeve van de Participanten;
g. de mogelijkheid te bieden aan geïnteresseerde partijen binnen en buiten Nederland om deel te nemen aan de stichting als Participanten door het aangaan van de Participatieovereenkomst.
3. De stichting heeft geen winstoogmerk.
ORGANEN EN GOVERNANCE STRUCTUUR
ARTIKEL 3
1. De stichting kent de volgende organen:
a. een bestuur;
b. een raad van toezicht; en
c. een gemeenschappelijke vergadering van bestuur en raad van toezicht.
2. De stichting kent Participanten.
(…)
BESTUUR: TAAK EN BEVOEGDHEDEN
ARTIKEL 6
(…)
4. De hoofdlijnen van de governance structuur van de stichting worden elk jaar, aan de hand van de principes uit de Claimcode door het bestuur uiteengezet. Het bestuur geeft aan in hoeverre zij de in de Claimcode opgenomen bepalingen opvolgt.
Voor zover de stichting de bepalingen in de Claimcode niet opvolgt, geeft het bestuur aan
waarom en in hoeverre zij daarvan afwijkt.
5. Het bestuur is verplicht om elke voorgenomen substantiële wijziging in de governance structuur van de stichting ter bespreking voor te leggen aan de raad van toezicht. Het bestuur zal het voorafgaande als een afzonderlijk agendapunt op de agenda van de vergadering zetten.
(…)
RAAD VAN TOEZICHT: SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN
ARTIKEL 10
1. De raad van toezicht van de stichting bestaat uit drie of meer natuurlijke personen.
(…)
3. Leden van raad van toezicht worden benoemd en geschorst door de raad van toezicht. De Claimcode bevat bepalingen inzake de gewenste samenstelling van de raad van toezicht van de stichting. Bij het benoemen van leden van de raad van toezicht worden deze bepalingen zoveel mogelijk opgevolgd.
In de Car Claim-zaak
2.3.
De op 3 juli 2020 gewijzigde statuten van Car Claim openen, voor zover hier van belang, als volgt:
DEFINITIES
In de statuten wordt verstaan onder:
(…)
b. Autobezitter: (rechts)persoon die in de Relevante Periode één of meerdere Gemanipuleerde Voertuigen heeft gekocht of geleased;
c. Autofabrikant: alle rechtspersonen (en hun (feitelijke) beleidsbepalers) die behoren of hebben behoord tot de groep van vennootschappen van een autofabrikant die betrokken is of is geweest bij een emissieschandaal (…);
(…)
i. Gemanipuleerd Voertuig: een voertuig van een van de merken die gevoerd worden door een Autofabrikant, uitgerust met of voorzien van hard- en/of software (…) met de bedoeling om emissietesten te manipuleren en/of ten gevolge waarvan de wettelijke emissienormen worden overschreden;
(…)
k. Lokale Handelaar: een officieel door een Autofabrikant erkende handelaar in (een of meerdere) Gemanipuleerde Voertuigen gedurende de Relevante Periode met (destijds) een verkooppunt in Nederland;
l. Participant: (rechts)persoon die een participatieovereenkomst met de stichting heeft gesloten;
(…)
o. Relevante Periode: de periode waarin Gemanipuleerde Voertuigen zijn verkocht en/of geleverd;
(…)
u. Update: op (een deel van) de Gemanipuleerde Voertuigen toegepaste soft- en/of hardware aanpassingen waarmee de verboden soft- en/of hardware beweerlijk is verwijderd, waardoor de Gemanipuleerde Voertuigen beweerlijk aan wettelijke emissienormen zouden voldoen;
(…)
w. Vordering: klachten, eisen en/of claims van de Autobezitters en/of van de stichting in het belang van de Autobezitters, op welke rechtsgrondslag dan ook, jegens een of meer Autofabrikanten met betrekking tot iedere vorm van benadeling, verlies en/of schade die de Autobezitters hebben geleden, lijden en/of nog zullen lijden, ten gevolge van de manipulatie van de uitstoot van Gemanipuleerde Voertuigen in bepaalde testsituaties en/of de verkeerde voorstelling van zaken door Autofabrikanten met betrekking tot de werkelijke niveaus van deze uitstoot.
2.4.
De statuten van Car Claim luiden verder, voor zover hier van belang:
DOEL
ARTIKEL 2
1. De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Autobezitters, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van verboden soft- en/of hardware in de Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van de Gemanipuleerde Voertuigen aan de Autobezitters;
b. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (de gevolgen van) de toepassing van een of meer Updates op de Gemanipuleerde Voertuigen;
c. het vaststellen en het onderzoeken van (i) alle (financiële) gevolgen van het bovenstaande voor de Autobezitters, (ii) de mogelijkheid voor de Autobezitters om Vorderingen jegens (een of meer) Autofabrikanten geldend te (doen) maken, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot het ontbinden van de door hen gesloten koopovereenkomsten van Gemanipuleerde Voertuigen met Lokale Handelaren tegen (volledige) terugbetaling van de koopprijs, (iii) de mogelijkheid voor de Autobezitters tot (algehele) vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade te verkrijgen van de verantwoordelijke partijen, (iv) de mogelijkheid voor de Autobezitters om alle noodzakelijke vrijwaringen en/of garanties te (doen) verkrijgen ten aanzien van alle mogelijke negatieve gevolgen van de manipulatie van de Gemanipuleerde Voertuigen – zowel voor als na één of meer Updates – voor Gemanipuleerde Voertuigen, ten einde het ongestoord gebruik van de Gemanipuleerde Voertuigen te continueren en (v) alternatieve mogelijkheden tot oplossing van de uitstootproblemen van Gemanipuleerde Voertuigen;
d. het verkrijgen van een (aansprakelijkheids)verklaring voor recht van iedere bevoegde rechtbank dat (een of meer) Autofabrikanten, Bosch, hun (voormalige) besturen, hun (voormalige) raden van commissarissen, (een of meer) Importeurs, (een of meer) Lokale Handelaren en/of andere verwijtbare partijen toepasselijke wet- en regelgeving waaronder begrepen maar niet beperkt tot schending van wet- en regelgeving op het gebied van milieu(normen), oneerlijke handelspraktijken, misleidende reclame en/of het (consumenten)kooprecht en enige daaruit voor hen voortvloeiende plichten jegens de Autobezitters hebben geschonden;
e. het instellen van ge- of verbodsacties in rechte en/of het leggen van beslagen;
f. het verkrijgen van compensatie voor de (financiële) gevolgen voor de Autobezitters; en
g. al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.
2. De stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door:
a. het mogelijk te maken dat Autobezitters zich als Participant bij de stichting kunnen aansluiten;
b. het onderhandelen en het aangaan van overeenkomsten om geschillen tussen respectievelijk (een of meer) Autofabrikanten, (…), (een of meer) Importeurs, (een of meer) Lokale Handelaren en/of andere verwijtbare partijen enerzijds en de stichting en/of de Participanten en/of de Autobezitters anderzijds te schikken door middel van een vaststellingsovereenkomst, die onder de Nederlandse wetgeving algemeen verbindend kan worden verklaard op basis van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (Wamca) en/of de Wet Collectieve Afwikkeling Masschade (Wcam);
c. het identificeren en voeren van mogelijke juridische procedures tegen respectievelijk (een of meer) Autofabrikanten, (…), (een of meer) Importeurs, (een of meer) Lokale Handelaren en/of andere verwijtbare partijen voor hun verantwoordelijkheid met betrekking tot hetgeen beschreven wordt in artikel 2 lid 1;
d. het eisen van compensatie voor de (financiële) gevolgen voor de Participanten en/of de Autobezitters van respectievelijk (een of meer) Autofabrikanten, (…), (een of meer) Importeurs, (een of meer) Lokale Handelaren en/of andere verwijtbare partijen voor hun verantwoordelijkheid met betrekking tot hetgeen beschreven wordt in artikel 2 lid 1;
e. het uitzoeken, onderzoeken, analyseren en nagaan van alle mogelijke wegen binnen en buiten Nederland voor het verkrijgen van compensatie voor de Participanten en/of de Autobezitters zowel in als buiten rechte;
f. het bijstaan van ieder openbaar onderzoeksorgaan binnen en buiten Nederland bij het onderzoeken van hetgeen werkelijk gebeurd is inzake het handelen en/of het nalaten van (een of meer) Autofabrikanten, (…), (een of meer) Importeurs en/of (een of meer) Lokale Handelaren inzake het ontwikkelen, het produceren en het installeren van verboden soft- en/of hardware in de Gemanipuleerde Voertuigen en/of het importeren, verkopen en/of het (doen) leveren van de Gemanipuleerde Voertuigen aan de Autobezitters, zoals beschreven in artikel 2 lid 1, en mogelijk het initiëren van onderzoeken binnen en buiten Nederland daaromtrent;
g. het verkrijgen van financiering – in overeenstemming met het bepaalde in de Claimcode – om haar doelstellingen te vervullen;
h. het selecteren, aanhouden en toezicht houden op de advocaten, advocatenkantoren en experts die door de stichting zijn gekozen om te procederen en/of te onderhandelen namens de stichting, de Participanten en/of de Autobezitters;
i. het verkrijgen en het distribueren – of het monitoren en toezicht houden op de distributie – van iedere financiële compensatie of uitkering ten behoeve van de Participanten en/of de Autobezitters.
3. De stichting heeft geen winstoogmerk.
ORGANEN EN GOVERNANCE STRUCTUUR
ARTIKEL 3
1. De stichting kent de volgende organen:
a. een bestuur;
b. een raad van toezicht; en
c. een gemeenschappelijke vergadering van bestuur en raad van toezicht.
2. De governance structuur van de stichting is opgezet in overeenstemming met de bepalingen van de Claimcode. Deze code is opgesteld door de Commissie Claimcode en is van toepassing op onder meer stichtingen die optreden overeenkomstig artikel 3:305a BW en stichtingen die optreden met het oog op het aangaan en verbindendverklaring van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:907 BW.
3. Het bestuur en de raad van toezicht zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van de governance structuur van de stichting en voor de naleving van Claimcode.
4. De stichting kent Participanten.
BESTUUR: SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN
ARTIKEL 5
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van drie of meer natuurlijke personen.
2. In de Claimcode zijn bepalingen over de gewenste samenstelling van het bestuur van de stichting opgenomen. Bij de benoeming van bestuursleden worden deze bepalingen zoveel mogelijk gevolgd.
(…)
BESTUUR: TAAK EN BEVOEGDHEDEN
ARTIKEL 6
(…)
4. Het bestuur is verplicht jaarlijks de hoofdlijnen van de governance structuur van de stichting aan de hand van de Claimcode uiteen te zetten. In deze uiteenzetting neemt het bestuur op in hoeverre de stichting de bepalingen in de Claimcode opvolgt. Voor zover van de Claimcode wordt afgeweken, geeft het bestuur aan waarom en in hoeverre de stichting daarvan afwijkt.
5. Het bestuur is verplicht om elke voorgenomen wijziging in de governance structuur van de stichting en in de naleving van de Claimcode ter bespreking voor te leggen aan de raad van toezicht. Het bestuur zal het voorafgaande als een afzonderlijke agendapunt op de agenda van de vergadering zetten.
RAAD VAN TOEZICHT: SAMENSTELLING, BENOEMING, DEFUNGEREN
ARTIKEL 10
1. De raad van toezicht van de stichting bestaat uit een door de raad van toezicht vast te stellen aantal van drie of meer natuurlijke personen.
2. In de Claimcode zijn bepalingen over de gewenste samenstelling van raad van toezicht van de stichting opgenomen. Bij de benoeming van leden van de raad van toezicht worden deze bepalingen zoveel mogelijk gevolgd.
In beide zaken
2.5.
Mercedes-Benz Group AG produceert onder meer voertuigen met dieselmotoren. Mercedes-Benz Nederland B.V. importeert onder meer deze voertuigen in Nederland.
2.6.
De als de Partners aangeduide groep van gedaagden bestaat uit dealers en servicepartners. De dealers verkopen nieuwe door Mercedes-Benz Group AG geproduceerde (en door Mercedes-Benz Nederland B.V. geïmporteerde) voertuigen. Zij voeren ook onderhoud aan deze voertuigen uit. De servicepartners verkopen geen nieuwe door Mercedes-Benz Group AG geproduceerde (en door Mercedes-Benz Nederland B.V. geïmporteerde) voertuigen. Zij voeren wel onderhoud aan deze voertuigen uit. Zij handelen daarnaast in gebruikte voertuigen, waaronder door Mercedes-Benz Group AG geproduceerde (al dan niet door Mercedes-Benz Nederland B.V. geïmporteerde) voertuigen.
In de SDEJ-zaak
2.7.
Bij brief van 20 mei 2020 heeft SDEJ, voor zover hier van belang, aan Mercedes-Benz Group AG (en in kopie aan Mercedes-Benz Nederland B.V. en “Other Mercedes-Benz dealers in the Netherlands”) geschreven:
This letter is sent to you on behalf of Stichting Diesel Emissions Justice, a foundation established under the laws of the Netherlands (also referred to as DEJF or the Foundation), acting in the collective interest of all the persons and entities whose interests the Foundation represents, and on behalf of the individual participants that the Foundation represents.
Introduction
This letter is a notification of liability to:
- Daimler AG (Daimler);
(…);
- the importers of Mercedes-Benz vehicles in the Netherlands, i.e. Mercedes-Benz Cars Nederlands B.V. (MBCN) for passenger cars and Mercedes-Benz Vans Nederland B.V. (MBVN) for vans; and
- individual car dealers based in the Netherlands (as listed in enclosed attachment as Annex 1, the Dealers),
collectively referred to as: the Respondents and the entities mentioned above in sub (i), (ii), (iii) and (iv) collectively referred to as: Mercedes. This notice of liability concerns the design, development, manufacturing, installation and utilization of impermissible defeat devices (Defeat Devices) in diesel engines that were installed in vehicles of the Mercedes-Benz brand or any other brand of the Daimler group (Vehicles), which Vehicles were sold or leased in the European market.
The Defeat Device, the presence and functioning of which was not disclosed to the relevant authorities, regulators, consumers and the market in general, falsely and fraudulently influenced measurements during vehicle emissions testing in accordance with EU type-approval legislation. The Defeat Devices were installed in hundreds of thousands or even millions of Vehicles which Mercedes sold or leased in the European Union (EU).
The Vehicles were developed by Daimler (…). MBCN and MBVN imported the Vehicles into the Netherlands and the Dealers sold or leased the Vehicles. Due to the presence of the Defeat Devices, the Vehicles were not in compliance with the EU applicable emission and type approval regulations that are applicable to the Vehicles. Daimler also issued false certificates of conformity (CoCs), in which Mercedes incorrectly stated that the Vehicles complied with the relevant applicable European emission regulations. As a result, the value of the Vehicles has greatly depreciated, and owners and lessees of the Vehicles run the risk that they may no longer be able to use their Vehicles on the road, or may be confronted with use restrictions. Moreover, there are strong indications that software updates proposed by Daimler (…) do not fix the problem but rather create additional problems, leading to additional damage. For the same reasons, the qualities of the Vehicles were inconsistent with the reasonable expectations of their purchasers or lessees, particularly as Daimler has marketed the Vehicles as ‘clean’ (or even the ‘cleanest’) and ‘environmentally friendly’. In this letter, we refer to this constellation of facts as: the Fraud.
With the development and large-scale application of Defeat Devices in their Vehicles, Daimler (…) aimed to circumvent the ever-stricter European emissions standards. These standards found their way into the regulations as set out in the EU vehicle type-approval framework Directive 2007/46/EC and developed further in the Euro 4 Regulation (applicable as of January 2005), the Euro 5 Regulation (applicable as of September 2009) and, currently, the Euro 6 Regulation (applicable as of September 2014). These regulations aim to curb ever-growing emissions substances in car exhaust fumes with deleterious effects on public health and the environment.
This letter contains a description of the objectives of the Foundation, a summary of the relevant facts within their legal context, a brief analysis of the legal grounds of liability of the Respondents under Dutch law and a description of the remedies sought by the Foundation. We conclude with a few remarks concerning the way forward.
This letter also serves as formal notice aimed at interrupting the limitation period (stuitingsbrief), as referred to in Section 3:317 of the Dutch Civil Code (DCC) for any and all claims relating to the Fraud of any and all parties whose interests the Foundation represents.
(…)
Next steps
The Foundation primarily intends to resolve this matter through settlement negotiations and requests the Respondents to enter into settlement discussions (Section 3:305a(3)(c) DCC (Recast)).
We would like to point out specifically that the Foundation is willing to discuss a pan-European settlement with you in order to ensure that Daimler can move forward with its (truly) green transition. Through its pan-European basis of participants, its expertise and experience, the Foundation is best placed to ensure the implementation of a European settlement, both in and out of court.
However, if this invitation remains unanswered or does not result in a first settlement discussion being scheduled within two weeks from the date of receipt of this letter, the Foundation will pursue litigation without giving prior notice to the Respondents.
2.8.
Mercedes-Benz Group AG heeft niet, althans niet inhoudelijk, op deze brief gereageerd. Op één uitzondering na hebben ook de partijen aan wie een kopie is gezonden niet, althans niet inhoudelijk, op deze brief gereageerd.
In de Car Claim-zaak
2.9.
Bij brief van 20 juli 2020 heeft Car Claim, voor zover hier van belang, aan Mercedes-Benz Group AG geschreven:
Introduction
1. This is a claim letter on behalf of the Dutch foundantion, Stichting Car Claim (the ‘Foundation’). The Foundation represents the interests of all former and current owners and users of cars with Euro 5 and Euro 6 diesel engines (the ‘Car Owners’), which cars are equipped with illegal defeat devices (the ‘Affected Vehicles’).
2. This claim letter contains a notice of liability and an invitation from the Foundation to Daimler AG (‘Daimler’) to enter into discussions regarding a collective resolution of the claims of European Car Owners against Daimler. The Foundation wishes to enter into a dialogue and explore an amicable settlement. Such settlement can be declared binding by the Amsterdam Court of Appeal in the Netherlands, providing a swift and cost-efficient solution for the European Car Owners and Daimler.
(…)
Daimler’s involvement in the diesel emission scandal
10. In the past few years, it became apparent that Daimler is (…) involved in the diesel emission scandal. Daimler recalled many of its diesel models for reasons related to the emission control system. The German type approval authority (KBA) has repeatedly ordered Daimler to recall its diesel cars and to implement measures to fix the defects related to the emission control systems. To date, Daimler conducted over 30 recalls in connection with the emission control systems in different categories of its Euro 5 and Euro 6 diesel models equipped with various engine types.
11. According to KBA, all Daimler Affected Vehicles that are registered in KBA’s database as being recalled contain inadmissible defeat devices. KBA explains that these defeat devices reduce the effectiveness of the emission control systems in the recalled Affected Vehicles, which is not permitted under Regulation 715/2007. KBA indicates that the published list of recalled vehicles is not exhaustive, because the test procedures are still being conducted. Daimler has already recalled over three million Affected Vehicles and is likely to recall more, as the investigations are ongoing.
12. The Foundation noticed in the media that Daimler has applied software updates to some of its Affected Vehicles. However, as recent test results confirm, the applied software updates have not solved the emission problems. Even after the software updates, the emissions of Daimler Affected Vehicles still exceed the European limits. The German Minister of Transport had accused Daimler of trickery and asked Daimler “to clean up the mess”.
(…)
Legal obligations of car manufacturers including Daimler
(…)
29. Aforementioned investigations and tests show that car manufacturers use various types of defeat devices reducing the effectiveness of emission control systems under normal conditions of operation. To date, at least the following types of defeat devices have been identified in Affected Vehicles of various car manufacturers:
(1) thermal window defeat device;
(2) test recognition defeat device;
(3) hot restart defeat device; and
(4) timer defeat device.
Daimler fails to comply with EU emission regulation
30. Unfortunately, Daimler is no exception. Test results show that Daimler uses at least three of these defeat devices: the thermal window defeat device, the hot restart defeat device and the test recognition defeat device. The latter is reported to be present for the purpose of limiting the injection of (a sufficient amount of) urea mixture Adblue, which neutralizes the NOx, to test situations. Other reports identify Daimler Affected Vehicles also being fitted with a so-called “coolant setpoint temperature control”. This ensures that the coolant circuit is artificially kept cooler, delaying the warm-up of the engine oil and thus ensuring that the test cycle complies with the emission limit values in the laboratory, while on the road the same car exceeds these limits.
31. Aforementioned investigations and tests have also revealed that many diesel cars made by Daimler fail to meet the European emission limits under normal operational conditions. The Euro 5 limits allow diesel cars to emit no more than 180 mg NOx per kilometre. The Euro 6 limits allow diesel cars to emit no more than 80 mg NOx per kilometre. The Affected Vehicles of Daimler emit more NOx than allowed under the European emission regulations. The Foundation elaborates a few.
(…)
Notice of liability
47. Daimler Euro 5 and Euro 6 Affected Vehicles are fitted with illegal defeat devices. Daimler developed, produced, marketed and distributed its Affected Vehicles to the European Car Owners. Therefore, the Foundation holds Daimler accountable and liable for all damage of the European Car Owners in connection with the illegal defeat devices in their Affected Vehicles.
Interruption of prescription period
48. If and insofar any prescription period would apply to claims of Car Owners against Daimler in relation to the Affected Vehicles, and to the extent legally possible, the Foundation herewith interrupts these prescription periods.
Invitation to enter into settlement negotiations
49. The infringement of the emission limits and the use of illegal defeat devices have been going on for years. Daimler has not solved this problem and to date did not show any intention to solve the problem properly. The reasonable period of time in which it should have dealt with its problems has passed.
50. The Foundation requests Daimler to
(1) recall all Daimler Affected Vehicles owned by European Car Owners and ensure that their Affected Vehicles will fully comply with the applicable emission limits under normal conditions of use and with the emission regulations of the European Union and the respective Member States, all within a reasonable period of time;
(2) ensure and guarantee that the measures that will be taken in order to have the Affected Vehicles to comply with the applicable emission limits and regulations of the European Union and the respective Member States, will not have any negative effects whatsoever on the Affected Vehicles or the way these are being used by the Car Owners under normal conditions of operation,
if and to the extent that it is not possible to properly and fully repair the Affected Vehicles and to ensure that the measures will have no negative effects, to
(1) make it possible for the European Car Owners to return their Affected Vehicles to Daimler (dealers) and to repay to the Car Owners the purchase price thereof; or
(2) if Car Owners for whatever reason cannot or do not wish to return the Affected Vehicle to (a) Daimler (dealer), to properly and fully compensate those Car Owners for the damage due to the presence of defeat devices in their Affected Vehicles.
51. The Foundation would appreciate and urge you to review these claims of the European Car Owners and consider whether it is willing to meet these claims. We kindly invite you to enter into a constructive dialogue with the Foundation about the available options in order to reach a Pan-European solution for all European Car Owners along the lines set out above. The Foundation truly believes that its initiative may provide a real opportunity for you to come to a meaningful and solid solution on a European level, in the interest of all parties and resolve the diesel emission crisis once and for all.
52. The Foundation kindly requests you to reply to this letter within 30 days after today.
2.10.
Bij brief van 18 augustus 2020 heeft Mercedes-Benz Group AG, voor zover hier van belang, aan Car Claim geschreven:
We refer to a claim notice of 20 July 2020 (…) of Stichting Car Claim (SCC).
In the claim notice SCC suggests it has the power to act on behalf of all former and current European owners and users of cars with Euro 5 and Euro 6 diesel engines. It is unclear to us what the basis would be for such a wide representation – no evidence has been provided.
We kindly request you to send us the documentation showing your authority to represent the persons you call ‘Car Owners’, in the absence of which we will regard your letter as to have no effect whatsoever.
In the meantime, we reject SCC’s allegations and do not accept any liability. We reserve all rights and defences.
2.11.
Bij e-mailbericht van 15 december 2020 heeft de advocaat van Car Claim, voor zover hier van belang, aan de advocaat van Mercedes-Benz Nederland B.V. geschreven:
Namens mijn cliënte Stichting Car Claim (‘Stichting’) wend ik mij tot u met het volgende.
De Stichting behartigt onder andere de belangen van de voormalige en huidige eigenaren en gebruikers van Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen van Daimler AG (‘Daimler’), die gedupeerd zijn door het Daimler-dieselemissieschandaal (‘Autobezitters’). In dit verband heeft de Stichting op 20 juli 2020 Daimler aansprakelijk gesteld en uitgenodigd om in overleg te treden over een redelijke oplossing. Een kopie van die brief met bijlage treft u hierbij aan (…). Voor meer informatie over de Stichting, haar initiatief en het Daimler-emissieschandaal verwijs ik graag naar de inhoud van deze bijlage.
Op 30 juli 2020 heeft een andere belangenorganisatie, Stichting Diesel Emissions Justice (‘SDEJ’), tegen Daimler, haar Nederlandse importeurs Mercedes-Benz Vans Nederland B.V. en Mercedes-Benz Cars Nederland en haar Nederlandse dealers, een WAMCA-procedure aanhangig gemaakt (hier gezamenlijk: ‘Daimler c.s.’). (…). U treedt in die procedure op als advocaat van zowel Daimler, als van de Importeurs.
De dagvaarding van SDEJ van 30 juli 2020 is in het centrale register voor collectieve actieprocedures ingeschreven op 31 juli 2020 ingeschreven op 31 juli 2020. Bij rolbeslissing van 30 september 2020 heeft de rechtbank de termijn waarbinnen de Stichting aan Daimler c.s. een dagvaarding vorderingen (‘Vorderingen’) dient uit te brengen, met twee maanden verlengd (dus tot en met 31 december 2020). Kopie van deze rolbeslissing is bijgevoegd (…).
Evenals SDEJ, is de Stichting van opvatting dat Daimler c.s. tegenover de Autobezitters aansprakelijk is voor de gevolgen van het Daimler-dieselemissieschandaal. De Stichting is daarom voornemens om Daimler c.s. te dagvaarden op dezelfde gronden en met instelling van de Vorderingen zoals SDEJ heeft opgenomen in haar dagvaarding van 30 juli 2020. Ik verwijs in dit verband naar de dagvaarding van SDEJ, met de inhoud waarvan uw cliënten bekend zijn.
De Stichting begrijpt dat de Importeurs niet inhoudelijk zijn ingegaan op de uitnodiging tot overleg van SDEJ van 20 mei 2020 (…). Desalniettemin nodigt de Stichting (…) de Importeurs hierbij uit om met haar in overleg te treden over een redelijke oplossing voor de gevolgen van het Daimler-dieselemissieschandaal en de Vorderingen van de Stichtingen jegens uw cliënten. Namens de Stichting houd ik mij graag beschikbaar voor overleg en verneem in ieder geval uiterlijk op dinsdag 29 december 2020 van u of uw cliënten bereid zijn om de Vorderingen jegens uw cliënten volledig te voldoen, bij gebreke waarvan de Stichting uw cliënten zal dagvaarden. Deze uitnodiging geldt ook voor Daimler, die he eerste voorstel van de Stichting om in overleg te treden over een redelijke oplossing, niet heeft aanvaard.
Mercedes-Benz Nederland B.V. is op deze uitnodiging tot overleg niet ingegaan.
2.12.
Bij e-mailbericht van dezelfde datum heeft de advocaat van Car Claim, voor zover hier van belang, aan de toenmalige advocaat van de Partners geschreven:
Namens mijn cliënte Stichting Car Claim (‘Stichting’) wend ik mij tot u met het volgende.
De Stichting behartigt onder andere de belangen van de voormalige en huidige eigenaren en gebruikers van Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen van Daimler AG (‘Daimler’), die gedupeerd zijn door het Daimler-dieselemissieschandaal (‘Autobezitters’). In dit verband heeft de Stichting op 20 juli 2020 Daimler aansprakelijk gesteld en uitgenodigd om in overleg te treden over een redelijke oplossing. Een kopie van die brief met bijlage treft u hierbij aan (…). Voor meer informatie over de Stichting, haar initiatief en het Daimler-emissieschandaal verwijs ik graag naar de inhoud van deze bijlage.
Op 30 juli 2020 heeft een andere belangenorganisatie, Stichting Diesel Emissions Justice (‘SDEJ’), tegen Daimler, haar Nederlandse importeurs Mercedes-Benz Vans Nederland B.V. en Mercedes-Benz Cars Nederland en haar Nederlandse dealers, een WAMCA-procedure aanhangig gemaakt (hier gezamenlijk: ‘Daimler c.s.’). (…). U treedt in die procedure op als advocaat van de Nederlandse dealers van Daimler.
De dagvaarding van SDEJ van 30 juli 2020 is in het centrale register voor collectieve actieprocedures ingeschreven op 31 juli 2020. Bij rolbeslissing van 30 september 2020 heeft de rechtbank de termijn waarbinnen de Stichting aan Daimler c.s. een dagvaarding met gelijksoortige vorderingen (‘Vorderingen’) dient uit te brengen, met twee maanden verlengd (dus tot en met 31 december 2020). Kopie van deze rolbeslissing is bijgevoegd (…).
Evenals SDEJ, is de Stichting van opvatting dat Daimler c.s. tegenover de Autobezitters aansprakelijk is voor de gevolgen van het Daimler-dieselemissieschandaal. De Stichting is daarom voornemens om Daimler c.s. te dagvaarden op dezelfde gronden en met instelling van de Vorderingen zoals SDEJ heeft opgenomen in haar dagvaarding van 30 juli 2020. Ik verwijs in dit verband naar de dagvaarding van SDEJ, met de inhoud waarvan uw cliënten bekend zijn.
De Stichting begrijpt dat uw cliënten inhoudelijk niet zijn ingegaan op de uitnodiging tot overleg van SDEJ van 20 mei 2020 (…). Desalniettemin nodigt de Stichting (…) hierbij uit om met haar in overleg te treden over een redelijke oplossing voor de gevolgen van het Daimler-dieselemissieschandaal en de Vorderingen van de Stichtingen jegens uw cliënten. Namens de Stichting houd ik mij graag beschikbaar voor overleg en verneem in ieder geval uiterlijk op dinsdag 29 december 2020 van u of uw cliënten bereid zijn om de Vorderingen jegens uw cliënten volledig te voldoen, bij gebreke waarvan de Stichting uw cliënten zal dagvaarden. Deze uitnodiging geldt ook voor Daimler, die het eerste voorstel van de Stichting om in overleg te treden over een redelijke oplossing, niet heeft aanvaard.
Indien uw cliënten niet voornemens zijn om op de uitnodiging van de Stichting tot overleg in te gaan, dan verneem ik graag uiterlijk op maandag 28 december a.s. vóór 9.00 uur van u of de dagvaardingen tegen uw cliënten aan uw kantoor kunnen worden betekend.
De Partners zijn op deze uitnodiging tot overleg niet ingegaan. Het voor de Partners bestemde exploot van dagvaarding is op 30 december 2020 met toestemming van hun toenmalige advocaat gedaan aan het kantoor van deze advocaat.
3. De geschillen
In de SDEJ-zaak
3.1.
Na het tussenvonnis van 22 juni 2022 (waarin is verstaan dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op de ingestelde vorderingen) zijn de onderdelen 1, 2 en 3 van de gewijzigde eis van SDEJ vervallen (zie hierna in 8.1). De overige onderdelen luiden (woordelijk) als volgt:
REDENEN WAAROM de Stichting de Rechtbank verzoekt, zo veel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te oordelen als volgt:
Voor zover de Rechtbank oordeelt dat op de vorderingen de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie van toepassing is, zoals die op 1 januari 2020 in werking is getreden,
Ontvankelijkheid, exclusieve belangenbehartiger en nauw omschreven groep
(…)
Verklaringen voor recht
4. voor recht te verklaren dat:
4.1
ten aanzien van de bescherming van kleine zelfstandigen, dat verenigingen en stichtingen zonder winstoogmerk, alsmede, alsmede eenmanszaken, combinaties van natuurlijke personen zoals bijvoorbeeld vennootschappen onder firma, of rechtspersonen met slechts één werknemer waarvan de omzet in het boekjaar voorafgaand aan het jaar van aankoop van het Getroffen Voertuig niet hoger was dan EUR 100.000, in de in deze procedure toe te wijzen vonnissen hebben te gelden als consumenten.
4.2
ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken:
4.2.1
de gedragingen van de Daimler en de Importeur(s) (thans na de fusie Mercedes-Benz Nederland B.V., hierna in enkelvoud de “Importeur”) als omschreven in het lichaam van deze dagvaarding kwalificeren als een oneerlijke handelspraktijk en mitsdien jegens de Consumenten onrechtmatig zijn;
4.2.2
de gedragingen van de Daimler en de Importeur als omschreven in het lichaam van deze dagvaarding aan de Dealers zijn toe te rekenen zodat de oneerlijke handelspraktijken ook aan de Dealers kunnen worden tegengeworpen en hun gedragingen onrechtmatig zijn jegens de Consumenten;
4.2.3
de Overeenkomsten die tussen Consumenten en de Dealers tot stand zijn gekomen – althans voor 14 juni 2014 – tot stand zijn gekomen als gevolg van voornoemde oneerlijke handelspraktijken, vernietigbaar zijn;
4.2.4
de Dealers, Daimler en de Importeur gelet op de oneerlijke handelspraktijken jegens de Consumenten hoofdelijk schadeplichtig zijn.
4.3
ten aanzien van dwaling:
4.3.1
de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers bevoegd zijn de Overeenkomsten te vernietigen.
4.4
ten aanzien van conformiteit, productaansprakelijkheid en wanprestatie:
4.4.1
dat de Getroffen Voertuigen niet aan de Overeenkomsten beantwoorden;
4.4.2
dat de redelijke termijn tot herstel of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ongebruikt is verstreken;
4.4.3
dat de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers gerechtigd zijn van de betreffende Dealers vervanging van het onderhavige Getroffen Voertuig te vorderen voor zover zij hun Getroffen Voertuig nog in hun bezit hebben;
4.4.4
dat de Consumenten, Lessees Kopers en Zakelijke Kopers de bevoegdheid hebben om hun respectieve Overeenkomsten met de respectievelijke Dealers te ontbinden.
4.5
ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, non-conformiteit, productaansprakelijkheid en wanprestatie:
4.5.1
dat de Consumenten, Lessees Kopers en Zakelijke Kopers die op grond van de in het kader van dit petitum toe te wijzen vorderingen, waaronder verklaringen voor recht, vernietiging dan wel ontbinding van de Overeenkomst met de desbetreffende Dealers vorderen, dan wel zaaksvervanging, bij toewijzing daarvan geen vergoeding voor het gebruik van het betreffende Getroffen Voertuig verschuldigd zijn;
4.6
ten aanzien van onrechtmatige daad:
4.6.1
dat ieder van Daimler, de Importeur en de Dealers, althans een of meer van hen, jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees onrechtmatig hebben gehandeld;
4.6.2
dat het onrechtmatig handelen van de Daimler en de Importeur jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees eveneens aan de Dealers kan worden tegengeworpen;
4.6.3
dat ieder van Daimler, de Importeur en de Dealers, althans een of meer van hen, zich jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatig handelen in groepsverband in de zin van artikel 6:166 BW;
Vorderingen tot vernietiging, ontbinding, zaaksvervanging en schadevergoeding
5. ten aanzien van de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers die ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis nog in het bezit van hun voertuig zijn en die voor het in deze procedure te wijzen eindvonnis niet kenbaar hebben gemaakt hun Getroffen Voertuig te willen behouden, te oordelen als volgt:
5.1
primair:
5.1.1
de vernietiging van de Overeenkomst tussen de Consument, Lessees Kopers of de Zakelijke Koper en de desbetreffende Dealers uit te spreken, de betreffende Dealers te veroordelen de gehele koopprijs van het Getroffen Voertuig terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
5.2
Subsidiair:
5.2.1
de betreffende Dealers van wie de Consument, Lessees Koper of de Zakelijke Koper het Getroffen Voertuig heeft gekocht te veroordelen het Getroffen Voertuig terug te nemen en te vervangen door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
subsidiair
5.2.2
de Daimler en de Importeur hoofdelijk te veroordelen het Getroffen Voertuig terug te nemen en te vervangen door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
5.3
Meer subsidiair:
5.3.1
Te verklaren voor recht dat de Overeenkomsten die de Consumenten, Lessees Kopers of de Zakelijke Kopers met de desbetreffende Dealers hebben gesloten zijn ontbonden en deze gehouden zijn aan de betreffende Consumenten en de Zakelijke Kopers de koopprijs terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
5.4
Meer subsidiair:
5.4.1
Te verklaren voor recht dat de Overeenkomsten die de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers met de desbetreffende Dealers hebben gesloten op eerste verzoek daartoe van een Consument, Lessees Kopers of een Zakelijke Koper als vernietigd dan wel meer subsidiair ontbonden hebben te gelden, waarna de desbetreffende Dealers gehouden zijn aan de betreffende Consumenten, Lessees Kopers of Zakelijke Kopers de koopprijs terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
5.5
meer subsidiair:
5.5.1
Daimler, de Importeur en de Dealers hoofdelijk te veroordelen de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers de schade te vergoeden die zij hebben geleden door middel van:
5.5.1.1 – indien de Consument, Lessees Koper en de Zakelijke Koper daarvoor opteert en verzoekt – een schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door vervanging van het Getroffen Voertuig door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat de Verweerders daarbij aanspraak zullen kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
5.5.1.2 een schadevergoeding.
6. ten aanzien van de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers die ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis niet langer in het bezit van hun Getroffen Voertuig zijn dan wel die voor het in deze procedure te wijzen eindvonnis kenbaar hebben gemaakt hun Getroffen Voertuig te willen behouden:
6.1
Daimler, de Importeur en de Dealers hoofdelijk te veroordelen de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers de schade te vergoeden die zij hebben geleden, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen.
7. ten aanzien van Lessees:
7.1
Daimler en de Importeur hoofdelijk te veroordelen de Lessees de schade te vergoeden die zij hebben geleden, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen
8. In alle gevallen waarin een geldvordering wordt toegewezen, deze te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment dat de Gedaagden, dan wel een of meer van hen, in verzuim zijn, waarbij de Stichting ten behoeve van de zakelijke gedupeerden aanspraak maakt op wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW.
9. Gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief, indien van toepassing, de redelijke en evenredige kosten als bedoeld in artikel 1018l lid 2 BW die de Stichting met het oog op de procedure heeft gemaakt, één en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis.
een en ander met dien verstande dat voor zover Uw Rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 1, 2 en 3 van dit petitum komen te vervallen, alsmede de vorderingen tot betaling van een schadevergoeding in geld.
3.2.
De in de dagvaarding van SDEJ opgenomen lijst van afkortingen en definities luidt (woordelijk), voor zover hier van belang:
Consument | Een persoon, op wie de wettelijke consumentenbescherming van toepassing is – al dan niet via de zogenoemde reflexwerking – en die een Getroffen Voertuig heeft aangeschaft, geleaset of anderszinds gebruikt. |
(…) | |
Daimler | Daimler Aktiengesellschaft, fabrikant van voertuigen van onder meer het merk Mercedes-Benz en één van de Gedaagden in deze procedure. |
Dealers | In Nederland gevestigde autodealers en leasemaatschappijen die één of meer Getroffen Voertuigen van het merk Mercedes-Benz aan één of meer Gedupeerden hebben geleased, verkocht of geleverd en die medegedaagden zijn in deze procedure. |
Dieselschandaal | De grootschalige en systematische inzet van Illegale Manipulatie-instrumenten in dieselvoertuigen van onder meer autofabrikanten, zoals VW c.s. en Daimler, waarmee onder meer autoriteiten en bezitters van Getroffen Voertuigen zijn misleid. |
(…) | |
Gedupeerden | De (rechts)personen, waaronder Consumenten, Zakelijke Kopers, en Lessees, die benadeeld zijn door het Dieselschandaal, omdat zij een Getroffen Voertuig hebben gekocht, geleaset of geleverd hebben gekregen. |
Getroffen Voertuig | Een door Daimler, waaronder begrepen een of meer aan haar gelieerde ondernemingen, gefabriceerde en van een Illegaal Manipulatie-instrument voorzien dieselvoertuig van het merk Mercedes-Benz dat door een typegoedkeuringsinstantie in de Europese Unie, zoals het KBA, is goedgekeurd op basis van de Euro 5 or Euro 6 grenswaarden en door een Gedupeerde in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2019 is gekocht, geleaset of anderszins is verkregen. |
(…) | |
Illegaal Manipulatie-instrument of Illegale Manipulatie-instrumenten | Een of meer manipulatie-instrumenten zoals bedoeld in artikel 5 lid 2 eerste zin van Europese Verordening nr. 715/2007 en dus de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen, zonder dat één of meer van de uitzonderingen genoemd in hetzelfde lid 2 (tweede zin en de opsomming) van toepassing is. |
Importeurs | MBCN en MBVN, beide importeurs van voertuigen van onder meer het merk Mercedes-Benz in Nederland. |
(…) | |
KBA | Het Kraftfahrt Bundesamt, de Duitse organisatie die verantwoordelijk is voor het testen en goedkeuren van in Duitsland ter typegoedkeuring aangeboden voertuigtypen. Het KBA is het equivalent van de Nederlandse Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). |
Lessee | Een Consument of een Zakelijke Koper, die een Getroffen Voertuig heeft geleaset. |
Lessee Koper | Een Lessee die zijn of haar Getroffen Voertuig uit hoofde van een financial leaseovereenkomst heeft verworven en na afloop van de leaseovereenkomst juridisch eigenaar geworden is. |
Manipulatie-instrument | Een manipulatie-instrument in de zin van artikel 3 sub 10 van Europese Verordening nr. 715/2007, zijnde een constructieonderdeel dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn. |
(…) | |
Nauw Omschreven Groep | De nauw omschreven groep bedoeld in art. 1018e lid 2 Rv die in deze dagvaarding in onderdeel VI.B nader is afgebakend. |
(…) | |
Overeenkomst(en) | De koopovereenkomst(en), dan wel leaseovereenkomst(en) op grond waarvan de Gedupeerden de beschikking gekregen hebben over de Getroffen Voertuigen. |
(…) | |
Stichting | Stichting Diesel Emissions Justice, de eiseres. |
(…) | |
Vergelijkbaar Type | Een voertuig dat qua (milieu-)prestaties, rijstijl, uitstraling en waarde – ervan uitgaande dat er geen sprake zou zijn geweest van een Illegaal Manipulatie-Instrument bij het Getroffen Voertuig – en dat vergelijkbaar is met het Getroffen Voertuig. |
(…) | |
Zakelijke Koper | Een (rechts)persoon die een Getroffen Voertuig heeft gekocht die geen Consument is. |
“Daimler” staat inmiddels voor “Mercedes-Benz Group A-G” en “Importeurs” voor “Importeur”.
3.3.
Mercedes sluit haar hiervoor onder 1.3 bedoelde conclusie in de SDEJ-zaak als volgt af:
Mercedes-Benz Group c.s. verzoekt uw Rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. SDEJ niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, dan wel haar deze te ontzeggen;
2. SDEJ te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van EUR 163,- zonder betekening, dan wel EUR 248,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.4.
De Partners sluiten hun hiervoor onder 1.3 bedoelde conclusie in de SDEJ-zaak als volgt af:
MET CONCLUSIE:
dat het uw Rechtbank behage bij vonnis, steeds voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- SDEJ in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans die vorderingen af te wijzen;
- SDEJ te veroordelen tot betaling van de proceskosten, inclusief de nakosten van een bedrag van EUR 255 zonder betekening, verhoogd met een bedrag van EUR 85 in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.
In de Car Claim-zaak
3.5.
Na het tussenvonnis van 22 juni 2022 (waarin is verstaan dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op de ingestelde vorderingen) zijn de onderdelen 1 en 2 van de gewijzigde eis van Car Claim vervallen (zie hierna in 8.2). De overige onderdelen luiden (woordelijk) als volgt:
REDENEN WAAROM Car Claim de Rechtbank verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te oordelen als volgt:
Voor zover de Rechtbank oordeelt dat op de vorderingen de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie van toepassing is, zoals die op 1 januari 2020 in werking is getreden,
Ontvankelijkheid exclusieve belangenbehartiger en nauw omschreven groep
A. voor recht te verklaren dat Car Claim ontvankelijk is in deze collectieve actieprocedure;
(…)
Verklaringen voor recht
3. voor recht te verklaren dat:
3.1
ten aanzien van de bescherming van kleine zelfstandigen, dat verenigingen en stichtingen zonder winstoogmerk, alsmede eenmanszaken, combinaties van natuurlijke personen zoals bijvoorbeeld vennootschappen onder firma, of rechtspersonen met slechts één werknemer waarvan de omzet in het boekjaar voorafgaand aan het jaar van aankoop van het Getroffen Voertuig niet hoger was dan EUR 100.000, in de in deze procedure toe te wijzen vonnissen hebben te gelden als consumenten;
3.2
ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken:
3.2.1
de gedragingen van Mercedes-Benz en de Importeur als omschreven in het lichaam van deze dagvaarding kwalificeren als oneerlijke handelspraktijk en mitsdien jegens de Consumenten onrechtmatig zijn;
3.2.2
Mercedes-Benz en de Importeur gelet op de oneerlijke handelspraktijken jegens de Consumenten hoofdelijk schadeplichtig zijn;
3.3
ten aanzien van dwaling:
3.3.1
de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers bevoegd zijn de tussen hen en de respectieve Handelaren gesloten Overeenkomsten te vernietigen;
3.4
ten aanzien van non-conformiteit en wanprestatie:
3.4.1
dat de Getroffen Voertuigen niet aan de Overeenkomsten beantwoorden;
3.4.2
dat de redelijke termijn tot herstel of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ongebruikt is verstreken;
3.4.3
dat de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers gerechtigd zijn van de betreffende Handelaren vervanging van het onderhavige Getroffen Voertuig te vorderen voor zover zij hun Getroffen Voertuig nog in hun bezit hebben;
3.4.4
dat de Consumenten, Lessees Kopers en Zakelijke Kopers de bevoegdheid hebben om hun respectieve Overeenkomsten met de respectieve Handelaren te ontbinden, althans gedeeltelijk te ontbinden en daarbij recht hebben op een nader door de Rechtbank vast te stellen prijsvermindering;
3.5
ten aanzien van dwaling, non-conformiteit en wanprestatie:
3.5.1
dat de Consumenten, Lessees Kopers en Zakelijke Kopers die op grond van de in het kader van dit petitum toe te wijzen vorderingen tot ongedaanmaking van hun Overeenkomsten, dan wel tot zaaksvervanging geen vergoeding voor het gebruik van het betreffende Getroffen Voertuig verschuldigd zijn;
3.6
ten aanzien van onrechtmatige daad:
3.6.1
dat Mercedes-Benz en de Importeur jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees onrechtmatig hebben gehandeld;
Vordering tot schadevergoeding
4. Mercedes-Benz en de Importeur hoofdelijk te veroordelen de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers de schade te vergoeden die zij hebben geleden, door middel van:
4.1
indien de Consument, Lessees Koper en de Zakelijke Koper daarvoor opteert en verzoekt – een schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door vervanging van het Getroffen Voertuig door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat de Gedaagden daarbij aanspraak zullen kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
4.2
een schadevergoeding, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen;
5. Mercedes-Benz en de Importeur hoofdelijk te veroordelen de Lessees de schade te vergoeden die zij hebben geleden, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen;
6. In alle gevallen waarin een geldvordering wordt toegewezen, deze te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment dat de Gedaagden, dan wel een of meer van hen, in verzuim zijn, waarbij Car Claim ten behoeve van de zakelijke gedupeerden aanspraak maakt op wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW;
7. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief, indien van toepassing, de redelijke en evenredige kosten als bedoeld in artikel 1018l lid 2 BW die Car Claim met het oog op de procedure heeft gemaakt, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen, één en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis;
een en ander met dien verstande dat voor zover de Rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 1 en 2 van dit petitum komen te vervallen, alsmede de vorderingen tot betaling van een schadevergoeding in geld.
3.6.
De in de dagvaarding van Car Claim opgenomen begrippenlijst luidt (woordelijk), voor zover hier van belang:
Autobezitters | De (rechts)personen, waaronder Consumenten, Zakelijke Kopers, Lessees en Lessees Kopers zoals gedefinieerd in de SDEJ Dagvaarding, die benadeeld zijn door het dieselemissieschandaal, omdat zij een Getroffen Voertuig hebben gekocht, geleaset of geleverd hebben gekregen |
(…) | |
Consumenten | Personen, op wie de wettelijke consumentenbescherming van toepassing is – al dan niet via de zogenoemde reflexwerking – en die een Getroffen Voertuig hebben aangeschaft, geleaset of anderszins gebruikt |
Daimler | Daimler AG, gedaagde sub 1 |
(…) | |
Getroffen Voertuigen | Een door Daimler, waaronder begrepen een of meer aan haar gelieerde ondernemingen, gefabriceerde en van een Illegaal Manipulatie-instrument voorzien dieselvoertuig van het merk Mercedes-Benz dat door een typegoedkeuringsinstantie in de Europese Unie, zoals het KBA, is goedgekeurd op basis van de Euro 5 of Euro 6 grenswaarden en door een Gedupeerde in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2019 is gekocht, geleaset of anderszins is verkregen |
Handelaren | De Nederlandse handelaren en/of leasemaatschappijen, gedaagden sub 4 t/m sub 23, die één of meer Getroffen Voertuigen aan één of meer Autobezitters hebben geleased, verkocht of geleverd |
(…) | |
Importeurs | MBCN en MBVN tezamen |
KBA | Het Kraftfahrt Bundesamt, de Duitse organisatie die verantwoordelijk is voor het testen en goedkeuren van in Duitsland ter typegoedkeuring aangeboden voertuigtypen. Het KBA is het equivalent van de Nederlandse Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) |
Lessees | Consumenten of Zakelijke Kopers, die een Getroffen Voertuig hebben geleaset |
Lessees Kopers | Lessees die hun Getroffen Voertuig uit hoofde van een financial leaseovereenkomst hebben verworven en na afloop van de leaseovereenkomst juridisch eigenaar zijn geworden |
(…) | |
Illegaal Manipulatie-instrument | Een of meer manipulatie-instrumenten zoals bedoeld in artikel 5 lid 2 eerste zin van de Verordening en dus de doelmatigheid van de emissiecontrolesystemen verminderen, zonder dat één of meer van de uitzonderingen genoemd in hetzelfde lid 2 (tweede zin en de opsomming) van toepassing is |
Nauw Omschreven Groep | De nauw omschreven groep zoals bedoeld in artikel 1018e lid 2 Rv, die in paragraaf VI.B van de SDEJ Dagvaarding nader is afgebakend |
(…) | |
Overeenkomsten | De door de Autobezitters gesloten koop- en/of leaseovereenkomsten, zoals gedefinieerd in paragraaf II.B.3 van de SDEJ Dagvaarding |
(…) | |
SDEJ | De stichting Stichting Diesel Emissions Justice |
SDEJ Dagvaarding | Dagvaarding van SDEJ d.d. 30 juli 2020 |
(…) | |
Stichting | De stichting Stichting Car Claim, eiseres |
Vergelijkbaar Type | Een voertuig dat qua (milieu-)prestaties, rijstijl, uitstraling en waarde – ervan uitgaande dat er geen sprake zou zijn geweest van een Illegaal Manipulatie-Instrument bij het Getroffen Voertuig – en dat vergelijkbaar is met het Getroffen Voertuig |
Verordening | Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie |
(…) | |
Zakelijke Kopers | (Rechts-)personen, niet zijnde een Consument, die een Getroffen Voertuig hebben gekocht |
“Daimler” staat inmiddels voor “Mercedes-Benz Group A-G” en “Importeurs” voor “Importeur”.
3.7.
Mercedes sluit haar hiervoor onder 1.3 bedoelde conclusie in de Car Claim-zaak als volgt af:
Mercedes-Benz Group c.s. verzoekt uw Rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. Car Claim niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, dan wel haar deze te ontzeggen;
2. Car Claim te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van EUR 163,- zonder betekening, dan wel EUR 248,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.8.
De Partners sluiten hun hiervoor onder 1.3 bedoelde conclusie in de Car Claim-zaak als volgt af:
MET CONCLUSIE:
dat het uw Rechtbank behage bij vonnis, steeds voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de dagvaarding van SCC nietig te verklaren;
- SCC in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans die vorderingen af te wijzen;
- SCC te veroordelen tot betaling van de proceskosten, inclusief de nakosten van een bedrag van EUR 255 zonder betekening, verhoogd met een bedrag van EUR 85 in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.
4. De verdere beoordeling – inleiding
In de SDEJ-zaak
4.1.
De rechtbank merkt op dat de advocaat van SDEJ bij brief van 31 mei 2023, voor zover hier van belang, aan haar heeft geschreven:
Tijdens de mondelinge behandeling (…) op 24 mei 2023 stelde de rechtbank de vraag of Emissions Justice of zij bereid is haar vorderingen in te trekken voor de volgende groep van Gedupeerden: (rechts)personen die een Getroffen Voertuig in Nederland (van het merk Mercedes-Benz) hebben gekocht of geleased, maar woonplaats hebben in een ander EU land dan Nederland (hierna: de Niet-NL Bezitters).
(…)
Hoewel Emissions Justice onverminderd blijft opkomen voor alle (buitenlandse) Gedupeerden, waaronder de Niet-NL Bezitters, is Emissions Justice evenwel bereid om haar eis in de onderhavige procedure dusdanig te wijzigen dat zij de vorderingen die ten behoeve van deze Niet-NL Bezitters zijn ingesteld niet langer handhaaft. Emissions Justice zal haar eis in de volgende (inhoudelijke) fase overeenkomstig wijzigen (uiteraard alleen indien aan de orde).
Het feit dat een Getroffen Voertuig op enig moment naar het buitenland is geëxporteerd, laat overigens onverlet dat het betreffende voertuig toen als nieuw in Nederland is verkocht en mogelijk daarna, ook een of meerdere keren, als gebruikt voertuig weer is verkocht aan een koper/afnemer in Nederland. De vorderingen die zien op deze transacties en betrekking hebben op (uiteindelijk) geëxporteerde Getroffen Voertuigen blijven gewoon binnen het bereik van de ingestelde vorderingen.
In de Car Claim-zaak
4.2.
Car Claim heeft haar eis bij akte houdende overlegging producties tevens houdende vermindering van eis ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 24 mei 2023 gewijzigd. Deze wijzigingen zijn al verwerkt in de weergave van de gewijzigde eis in 3.5 hiervoor. Verder luidt deze akte als volgt:
III. 2 Eisverminderingen
III.2.1 Ten aanzien van alle Gedaagden
12. Car Claim komt in deze procedure niet langer op voor buitenlandse gedupeerden (Petitum (oud), sub 1.1). Zij komt uitsluitend op voor Nederlandse gedupeerden, die op het moment dat zij de betreffende overeenkomst(en) aangingen hun verblijfplaats in Nederland hadden en in Nederland een Getroffen Voertuig hebben aangeschaft (Petitum, sub 1.1, 1.1.1 en 1.2.1).
(…)
15. Car Claim beperkt de definitie van Getroffen Voertuigen tot Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen van de categorie M1, M2, N1 en/of N2 van art. 2 van de Emissieverordening, die onder het merk Mercedes-Benz vanaf 1 september 2009 tot en met 31 december 2019 op de markt zijn gebracht.
5. Nietigheid van de dagvaarding
In de Car Claim-zaak
5.1.
Zoals hiervoor onder 3.8 is vermeld, concluderen de Partners allereerst tot nietigverklaring van de dagvaarding van Car Claim. Zij voeren hiertoe het volgende aan.
In het tussenvonnis van 22 juni 2022 is beslist dat de Car Claim-zaak en de SDEJ-zaak afzonderlijk dienen te worden voortgezet. De rolvoeging doet aan de zelfstandigheid van elk van beide zaken niet af, zoals in de rolbeslissing van 19 oktober 2022 is bevestigd. De dagvaarding van Car Claim moet dan ook zelfstandig voldoen aan de vereisten van artikel 111 lid 2 aanhef en onder d Rv. De dagvaarding van Car Claim voldoet niet aan deze vereisten. Zowel voor een deel van de feitelijke onderbouwing van haar vorderingen als voor een deel van de juridische onderbouwing van haar vorderingen verwijst Car Claim in haar dagvaarding enkel naar delen van de daarbij als productie 1 in het geding gebrachte dagvaarding van SDEJ. Car Claim merkt daarbij op dat die delen van de dagvaarding van SDEJ als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. Deze benadering volstaat niet, aldus de Partners.
5.2.
Car Claim voert verweer.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
a. Op grond van artikel 111 lid 2 aanhef en onder d Rv moet het exploot van dagvaarding de eis en de gronden daarvan vermelden. In de gronden van de eis vermeldt de eiser de feiten en rechten waarop zijn eis is gebaseerd, anders gezegd: motiveert de eiser zijn eis. De eiser die feiten en rechten wil inroepen die niet in de dagvaarding zijn vermeld, dient dit op een zodanige wijze te doen dat voor de rechter duidelijk is wat hem als grondslag voor de eis ter beoordeling wordt voorgelegd, en voor de gedaagde waarop hij zijn verdediging dient af te stemmen. Artikel 120 lid 1 Rv verbindt aan niet-inachtneming van artikel 111 lid 2 aanhef en onder d Rv de sanctie van nietigheid van het exploot van dagvaarding.
b. Uitgaande van de toepasselijkheid van de WAMCA heeft SDEJ op de voet van het huidige artikel 3:305a BW in verbinding met artikel 1018c Rv een geding aanhangig gemaakt tegen de Partners (en Mercedes).
c. Op de voet van artikel 1018d Rv heeft vervolgens ook Car Claim een collectieve vordering ingesteld tegen de Partners (en Mercedes). Artikel 1018d lid 1 Rv bepaalt dat een dergelijke volgende collectieve vordering slechts kan worden ingesteld voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de eerste collectieve vordering betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen. De Partners voeren niet aan dat Car Claim zich niet aan dit voorschrift heeft gehouden.
d. Car Claim heeft de dagvaarding van SDEJ als productie 1 in het geding gebracht en in haar dagvaarding daarbij vermeld:
15. In de aanloop naar het uitbrengen van deze dagvaarding heeft de Stichting verkend in welke vorm zij Gedaagden in rechte wil betrekken, en welke (rechts)positie zij jegens SDEJ en de Gedaagden wil innemen in de reeds door SDEJ gestarte WAMCA-procedure. In dit verband heeft de Stichting met SDEJ op de achtergrond overleg gevoerd. Na overleg te hebben gevoerd met SDEJ en met het oog op een efficiënte procesvoering, heeft de Stichting geopteerd voor het uitbrengen van een beknopte dagvaarding, waarbij zij zoveel als mogelijk aansluiting zoekt bij de door SDEJ (…) ingestelde vorderingen, alsmede bij de daartoe door SDEJ gestelde feiten, omstandigheden en rechtsgrondslagen, tenzij de Stichting in deze dagvaarding uitdrukkelijk anders vermeldt.
16. Waar toepasselijk doet de Stichting dit door middel van expliciete verwijzingen naar de paragrafen met relevante stellingen en onderbouwing uit de SDEJ Dagvaarding, die op de daartoe aangewezen plaats in deze dagvaarding steeds als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd.
e. Car Claim heeft, “indien en voor zover ook Emissions Justice ontvankelijk is”, gevorderd dat SDEJ wordt aangewezen als exclusieve belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv en dat wordt bepaald dat het haar, Car Claim, wordt toegestaan zelfstandig proceshandelingen te verrichten, “een en ander zo veel mogelijk afgestemd met de exclusieve belangenbehartiger” (onderdelen B en C van haar vordering).
f. Met verwijzing naar artikel 1018d lid 3 Rv is in de rolbeslissing van 20 januari 2021 overwogen dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de door SDEJ ingestelde collectieve vordering en de door Car Claim ingestelde collectieve vordering gezamenlijk worden behandeld als één zaak. In die ene zaak waren zowel de eis (en de gronden daarvan) van SDEJ als de eis (en de gronden daarvan) van Car Claim aan de orde. Vergelijk de doorwerking van dit gegeven in artikel 1018e lid 2 Rv (de rechter beoordeelt, naast de aanwijzing van de meest geschikte eiser als exclusieve belangenbehartiger, wat de collectieve vordering precies inhoudt) en artikel 1018g Rv (de rechter stelt na de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger een termijn voor het aanvullen van de gronden).
g. De hiervoor onder 1.1 onder (iii) weergegeven beslissing van 22 juni 2022 heeft aan de behandeling van de door SDEJ en Car Claim ingestelde collectieve vorderingen aan de hand van de WAMCA een einde gemaakt. SDEJ en Car Claim (die tot dan toe in procesrechtelijke zin ook volgens de Partners niets verkeerd hadden gedaan), en met hen de Partners (en Mercedes), zijn hierdoor in een wezenlijk ander procesrechtelijk regime terechtgekomen, te weten dat van artikel 3:305a (oud) BW (en Rv zonder titel 14A). In plaats van een zaak is er nu sprake van twee zaken.
h. Mede gelet op doel en strekking van artikel 111 lid 2 aanhef en onder d Rv moet worden aangenomen dat de verwijzing door Car Claim naar de dagvaarding van SDEJ ook nadat de zaak als twee zaken is voortgezet geacht moet worden haar betekenis te behouden. Dus kunnen de Partners Car Claim onder de hiervoor geschetste, enigszins ongewone, omstandigheden niet tegenwerpen dat zij duidelijker had kunnen zijn – en onder gewone omstandigheden mogelijk had moeten zijn – over de gronden van haar eis. De Partners voeren ook niet, althans niet voldoende, aan dat zij door de benadering van Car Claim in hun processuele positie zijn geschaad.
5.4.
Het beroep van de Partners op nietigheid van de dagvaarding van Car Claim wordt daarom verworpen.
6. Ontvankelijkheid - inleiding
In beide zaken
6.1.
De vraag of SDEJ en Car Claim zelf ontvankelijk zijn en de vraag of zij ontvankelijk zijn in de door hen ingestelde collectieve vordering zijn procesrechtelijk van aard. Mede gelet op artikel 10:3 BW moeten deze vragen worden beantwoord naar Nederlands recht. Dit geldt ook in de verhouding tussen SDEJ respectievelijk Car Claim enerzijds en Mercedes-Benz Group AG anderzijds, voor zover in die verhouding materieel geen Nederlands maar buitenlands recht van toepassing is.
6.2.
Artikel 3:305a (oud) BW luidt, voor zover hier van belang:
1. Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.
2. Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is niet ontvankelijk, indien hij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken. Een termijn van twee weken na de ontvangst door de verweerder van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde, is daartoe in elk geval voldoende. Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is eveneens niet ontvankelijk, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn.
3. Een rechtsvordering als bedoeld in lid 1 (…) kan niet strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld.
6.3.
De hiervoor onder 6.1 bedoelde vragen moeten ambtshalve worden beantwoord, en wel op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beantwoording (‘ex nunc’).
6.4.
Op SDEJ respectievelijk Car Claim rust in beginsel de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast met betrekking tot de vereisten van artikel 3:305a lid 1 (oud) BW: het zogeheten gelijksoortigheidsvereiste en het zogeheten statutenvereiste. Dit zijn immers (positief geformuleerde) voorwaarden voor ontvankelijkheid. Op Mercedes en de Partners rust in beginsel de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden van artikel 3:305a lid 2 (oud) BW: het zogeheten overlegvereiste en het zogeheten waarborgvereiste. Dit zijn immers (negatief geformuleerde) voorwaarden voor niet-ontvankelijkheid.
7. Ontvankelijkheid – stichtingen
In de SDEJ-zaak
7.1.
SDEJ is een stichting (in de zin van artikel 2:285 lid 1 BW), zodat zij een vordering in kan stellen als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 (oud) BW.
In de Car Claim-zaak
7.2.
Ook Car Claim is een stichting (in de zin van artikel 2:285 lid 1 BW).
8. Ontvankelijkheid – geldelijke schadevergoeding
In de SDEJ-zaak
8.1.
Gelet op het hiervoor onder 6.2 weergegeven deel van artikel 3:305a lid 3 (oud) BW geldt de slotzin van het petitum: de onderdelen 1, 2 en 3 alsmede de vorderingen tot betaling van een schadevergoeding in geld vervallen. Naar de rechtbank begrijpt, betreft dit laatste de onderdelen 5.5.1.2, 6, 6.1, 7 en 7.1 alsmede onderdeel 8, voor zover het op deze onderdelen voortbouwt.
In de Car Claim-zaak
8.2.
Gelet op het hiervoor onder 6.2 weergegeven deel van artikel 3:305a lid 3 (oud) BW geldt de slotzin van het petitum: de onderdelen 1 en 2 alsmede de vorderingen tot betaling van een schadevergoeding in geld vervallen. Naar de rechtbank begrijpt, betreft dit laatste de onderdelen 4.2, 5 en 6, voor zover de nevenvorderingen die daarmee samenhangen op deze onderdelen voortbouwen .
9. Ontvankelijkheid – statuten
In beide zaken
9.1.
Artikel 3:305a lid 1 (oud) BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een belangenorganisatie een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen, “voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt”.
9.2.
Het statutenvereiste omvat twee subvereisten. Het eerste subvereiste is dat de statuten van de belangenorganisatie voorzien in de behartiging van de met de rechtsvordering te beschermen belangen van andere personen. Het tweede subvereiste is dat uitgangspunt is dat de enkele doelomschrijving van een belangenorganisatie deze nog niet bevoegd maakt om een rechtsvordering in te stellen tot bescherming van belangen van andere personen; uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn echter denkbaar (HR 27 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:AO8410; De Nieuwe Meer).
In de SDEJ-zaak
9.3.
SDEJ stelt dat haar vorderingen passen binnen haar statutaire doelstelling en dat zij actief was en is op het gebied van, wat zij noemt, het Dieselschandaal.
In de Car Claim-zaak
9.4.
Car Claim stelt dat haar collectieve vorderingen passen binnen haar (gewijzigde) statutaire doelstelling en dat zij actief was en is ten behoeve van de Autobezitters zoals door haar gedefinieerd.
In beide zaken
9.5.
Mercedes en de Partners voeren geen verweer.
9.6.
De rechtbank ziet in de processtukken geen aanleiding om ambtshalve te oordelen dat SDEJ en/of Car Claim niet aan het statutenvereiste voldoen (voldoet). De conclusie is dan ook dat SDEJ en Car Claim voldoen aan het statutenvereiste.
10. Ontvankelijkheid – gelijksoortigheid
In beide zaken
10.1.
Artikel 3:305a lid 1 (oud) BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de ingestelde rechtsvordering moet strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen.
10.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is aan het gelijksoortigheidsvereiste voldaan als de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. “Aldus kan immers in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden” (HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756, Baas in Eigen Huis/Plazacasa). Hierbij past een zekere abstracte toetsing; vergelijk HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162 (WorldOnline).
In de SDEJ-zaak
10.3.
SDEJ stelt dat aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan.
In de Car Claim-zaak
10.4.
Car Claim stelt dat aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan.
In beide zaken
10.5.
Mercedes en de Partners voeren hiertegen, kort samengevat, aan dat de zaken in meerdere opzichten te divers zijn om te kunnen spreken van gelijksoortigheid, of van bundelbaarheid van de bij de ingestelde vorderingen betrokken belangen die een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan bevorderen. Volgens Mercedes en de Partners betreft dit zowel de personen voor wie SDEJ en Car Claim opkomen als de betrokken dieselvoertuigen als de (grondslagen van de) ingestelde vorderingen. De Partners voegen hieraan toe dat ook zijzelf in meerdere opzichten te divers zijn om van gelijksoortigheid of bundelbaarheid te kunnen spreken. Volgens de Partners betreft dit zowel de feitelijke positie als de juridische positie van ieder van hen.
10.6.
De rechtbank bespreekt hierna de gelijksoortigheid aan de hand van drie onderwerpen: de groepen belanghebbenden voor wie wordt opgekomen (10.6.1 en verder), de dieselvoertuigen (10.6.6 en verder) en de grondslagen van de ingestelde vorderingen, waarbij zes categorieën vorderingen worden besproken (10.6.13 en verder). De conclusie is dat voldoende sprake is van gelijksoortigheid voor een deel van de vorderingen.
De “andere personen” van artikel 3:305a lid 1 (oud) BW
In de SDEJ-zaak
10.6.1.
SDEJ definieert in het petitum van haar dagvaarding de “Nauw Omschreven Groep” als “alle personen en/of rechtspersonen die (...) een of meer nieuwe of gebruikte Getroffen Voertuigen hebben gekocht (…) of (…) een of meer nieuwe of gebruikte Getroffen Voertuigen uit hoofde van financial lease in bezit hebben, waarbij de Lessee nog geen juridisch eigenaar geworden is”. Daarbij maakt SDEJ bij koop onderscheid tussen (i) Consumenten die hun Getroffen Voertuig nieuw of tweedehands van een Dealer (Partner; rechtbank) hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben, (ii) Consumenten die hun Getroffen Voertuig nieuw of tweedehands van een Dealer hebben gekocht en die het Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben, (iii) Lessees Kopers die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben, (iv) Lessees Kopers die hun Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben, (v) Consumenten die hun Getroffen Voertuig van een ander dan een Dealer hebben gekocht, (vi) Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuigen nieuw of tweedehands van een Dealer hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben, (vii) Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuigen nieuw of tweedehands van een Dealer hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuigen niet langer in bezit hebben en (viii) Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuig van een ander dan een Dealer hebben gekocht.
10.6.2.
Bij de hiervoor onder 4.1 geciteerde brief van 31 mei 2023 heeft de advocaat van SDEJ aangekondigd dat SDEJ bij voortzetting van de procedure haar eis zal wijzigen in die zin dat zij de ten behoeve van “Niet-NL Bezitters” ingestelde vorderingen niet zal handhaven. “Niet-NL Bezitters” wordt in die brief gedefinieerd als “(rechts)personen die een Getroffen Voertuig in Nederland (van het merk Mercedes-Benz) hebben gekocht of geleased, maar woonplaats hebben in een ander EU land dan Nederland”.
In de Car Claim-zaak
10.6.3.
Car Claim definieert de “Nauw Omschreven Groep” volgens haar laatste eiswijziging als “alle personen en/of rechtspersonen die, een of meer nieuwe of gebruikte Getroffen Voertuigen hebben gekocht (…) of (…) een of meer nieuwe of gebruikte Getroffen Voertuigen uit hoofde van financial lease in bezit hebben, waarbij de Lessee nog geen juridisch eigenaar geworden is en die op het moment dat de betreffende overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden”. Bij koop maakt Car Claim onderscheid tussen (i) Consumenten die hun Getroffen Voertuig nieuw of tweedehands van een Handelaar (Partner; rechtbank) hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben, (ii) Consumenten die hun Getroffen Voertuig nieuw of tweedehands van een Handelaar hebben gekocht en die het Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben, (iii) Lessees Kopers die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben, (iv) Lessees Kopers die hun Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben, (v) Consumenten die hun Getroffen Voertuig van een ander dan een Handelaar hebben gekocht, (vi) Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuigen nieuw of tweedehands van een Handelaar hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben, (vii) Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuigen nieuw of tweedehands van een Handelaar hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuigen niet langer in bezit hebben en (viii) Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuig van een ander dan een Handelaar hebben gekocht.
In beide zaken
10.6.4.
Het uit de WAMCA afkomstige begrip “Nauw Omschreven Groep” is in deze zaken niet (meer) van toepassing, maar bakent ook naar het wel toepasselijke artikel 3:305a lid 1 (oud) BW de groep van personen af tot bescherming van wier belangen de door SDEJ respectievelijk Car Claim ingestelde vorderingen strekken, oftewel bepaalt wie de belanghebbenden zijn bij de door SDEJ respectievelijk Car Claim ingestelde collectieve vorderingen.
10.6.5.
De na de (aangekondigde) eiswijzigingen resterende groep van belanghebbenden is nog altijd divers. Dat blijkt ook uit de hiervoor onder 10.6.1 en 10.6.3 aangehaalde definities. Zo behoren tot de groep van belanghebbenden kopers en lessees, kopers en lessees van nieuwe dieselvoertuigen en kopers en lessees van gebruikte dieselvoertuigen, kopers en lessees van een Partner en kopers en lessees van een andere wederpartij, consumenten en zakelijke gebruikers. Dit neemt niet weg dat al deze (rechts)personen, naar SDEJ en Car Claim stellen, één ding gemeen hebben: zij zijn koper of lessee (geweest) van een of meer door Mercedes-Benz Group AG geproduceerde dieselvoertuigen (van het merk Mercedes-Benz) met een illegaal manipulatie-instrument (hierna: IMI). Alle belanghebbenden hebben dus, naar SDEJ en Car Claim stellen, dezelfde feitelijke positie. In deze zin is sprake van voldoende gelijksoortigheid, althans van bundelbaarheid van de bij de ingestelde vorderingen betrokken belangen die een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden bevorderen.
De dieselvoertuigen
In de SDEJ-zaak
10.6.6.
SDEJ definieert in haar dagvaarding “Getroffen Voertuig” als “een door Daimler (inmiddels Mercedes-Benz Group AG; rechtbank) (…) gefabriceerde en van een Illegaal Manipulatie-instrument voorzien dieselvoertuig van het merk Mercedes-Benz dat door een typegoedkeuringsinstantie in de Europese Unie, zoals het KBA, is goedgekeurd op basis van de Euro 5 of Euro 6 grenswaarden en door een Gedupeerde in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2019 is gekocht, geleaset of anderszins is verkregen”.
In de Car Claim-zaak
10.6.7.
Car Claim hanteert in haar dagvaarding dezelfde definitie van “Getroffen Voertuig” als SDEJ. Bij haar akte van 24 mei 2023 heeft Car Claim haar eis verminderd in die zin dat zij de definitie van “Getroffen Voertuigen” beperkt tot “Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen van de categorie M1, M2, N1 en/of N2 in de zin van art. 2 van de Emissieverordening, die onder het merk Mercedes-Benz vanaf 1 september 2009 tot en met 31 december 2019 op de markt zijn gebracht”.
In beide zaken
10.6.8.
Mercedes en de Partners voeren, kort samengevat, het volgende aan.
Mercedes-Benz Group AG heeft in de door SDEJ en Car Claim gehanteerde relevante periode (1 januari 2009 respectievelijk 1 september 2009 tot en met 31 januari 2019) een grote verscheidenheid aan technieken voor het beheersen van NOx-uitstoot in dieselvoertuigen gebruikt. Deze technieken waren toelaatbaar en nuttig. Voor de vele verschillende dieselvoertuigen en voertuigtypes die in de bedoelde periode op de markt zijn gebracht, zijn vele duizenden softwareversies ontworpen met verschillende instellingen (‘kalibraties’). Voor zover de softwareversies van de dieselvoertuigen die onder de door SDEJ en Car Claim ingestelde vorderingen vallen op een bepaald punt dezelfde kalibratie bevatten, kan de vraag of de desbetreffende “Betrokken Voertuigen” een IMI bevatten nog steeds niet op collectieve basis beantwoord worden. Daarvoor moeten ook andere kalibraties in aanmerking worden genomen die met de kalibratie in kwestie samenhangen, evenals de fysieke eigenschappen van deze voertuigen. Eenzelfde kalibratie kan namelijk uiteenlopende invloed hebben op het emissiegedrag van het voertuig, afhankelijk van (onder meer) de carrosserie, het gewicht, de transmissie, de engine control unit en de luchtweerstand van het voertuig. Uiteindelijk zal altijd onderzocht moeten worden hoeveel NOx het voertuig uitstoot in welke omstandigheden. Ook de vraag of een bekritiseerde functionaliteit gerechtvaardigd is kan alleen worden beantwoord aan de hand van de individuele kenmerken van het desbetreffende voertuig. Gevolg van dit alles is dat de “Betrokken Voertuigen” zo divers zijn dat er geen algemene conclusies kunnen worden getrokken over de (onderling zeer verschillende) functionaliteiten daarin. Dat verklaart overigens ook waarom ten aanzien van Mercedes-Benz het Kraftfahrt-Bundesamt (KBA) geen terugroepactie heeft bevolen voor een hele vloot voertuigen met dezelfde motor, of zelfs maar voor voertuigen met hetzelfde typegoedkeuringsnummer.
10.6.9.
Partijen hebben nader gedebatteerd over de vraag of en, zo ja, welke “Betrokken Voertuigen” (onder de collectieve vorderingen van SDEJ en Car Claim vallende dieselvoertuigen) ook “Getroffen Voertuigen” (dieselvoertuigen met een IMI) zijn. In dit verband zijn onder meer de (wel) door het KBA bevolen terugroepacties en de door Mercedes-Benz Group AG daartegen aanhangig gemaakte bezwaar- en beroepsprocedures aan de orde gekomen. Met betrekking tot de door het KBA geïdentificeerde series van (motoren van) dieselvoertuigen met IMI’s kan (zo lang daar in hoger beroep niet anders over is geoordeeld) uit worden gegaan van de aanwezigheid van IMI’s. Dus is sprake van bundelbaarheid van de bij de ingestelde vorderingen betrokken belangen die een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan bevorderen. De kopers en lessees van die dieselvoertuigen bevinden zich in dezelfde feitelijke positie en hebben er belang bij dat collectief voor hen wordt opgekomen. Bovendien kan bij de beoordeling of sprake is van een IMI, worden gedifferentieerd naar (bijvoorbeeld) type voertuig, model en/of uitvoering. Het argument dat voor de verschillende dieselvoertuigen en voertuigtypes vele duizenden softwareversies en kalibraties zijn gebruikt staat aan bundelbaarheid niet in de weg, omdat het kennelijk zo is dat het KBA series van voertuigen heeft aangewezen die van een(zelfde) IMI zijn voorzien. De eigenaren/lessees van alle voertuigen uit een dergelijke serie verkeren daarmee in een gelijke positie en hun belangen zijn dus bundelbaar.
10.6.10.
Mede gelet op de omstandigheid dat de dagvaardingen dateren van enkele jaren geleden, de omstandigheid dat Mercedes en de Partners in deze zaken inmiddels nadere informatie hebben gegeven over de “Betrokken Voertuigen” en de omstandigheid dat zich inmiddels buiten deze zaken relevante ontwikkelingen (kunnen) hebben voorgedaan, is er wel aanleiding om nader te bezien welke voertuigen behoren tot de “Getroffen Voertuigen”. Allereerst ligt het op de weg van Mercedes om SDEJ en Car Claim en de rechtbank te informeren over het volgende, omdat zij over de gegevens beschikt:
- zijn er behoudens de in de processtukken genoemde door het KBA bevolen terugroepacties nog andere terugroepacties bevolen met betrekking tot dieselvoertuigen van Mercedes op grond van de aanwezigheid van een IMI?
- welke bezwaar- en/of hoger beroepsprocedures tegen bevolen terugroepacties lopen nog?
- zijn er bevelen tot het houden van een terugroepactie vernietigd?
- in welke gevallen is het bevel tot het houden van een terugroepactie in kracht van gewijsde gegaan?
De rechtbank beveelt Mercedes op grond van het bepaalde in artikel 22 Rv haar stellingen nader toe te lichten door het beantwoorden van bovenstaande vragen. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen. Het verdere procesverloop wordt besproken aan het einde van dit vonnis.
De Partners
10.6.11.
De Partners voeren daarnaast, kort samengevat, nog het volgende aan.
Ieder van de gedaagden voert een totaal verschillend bedrijf en heeft een eigen rol in het ontwikkelings-, productie-, import- en verkoopproces van de Betrokken Voertuigen. Met name tussen de Partners zijn wezenlijke verschillen aan te wijzen, zowel in (omvang van) hun bedrijfsactiviteiten als in hun kennisniveau en hoedanigheid (dealers en/of servicepartners). Ook bestaan verschillen in de transacties die de Partners gedurende de relevante periode hebben verricht (waaronder maar niet beperkt tot typen voertuigen en technische specificaties daarvan) en de daarbij gehanteerde voorwaarden. Deze verschillen maken dat de Partners niet als homogene groep kunnen worden aangemerkt.
10.6.12.
Niet in geschil is dat alle in Nederland verkochte nieuwe “Betrokken Voertuigen” zijn verkocht door de Partners. De Partners hebben daarnaast gebruikte “Betrokken Voertuigen” verkocht. Dit betekent in ieder geval dat, indien en voor zover Mercedes in Nederland nieuwe “Getroffen Voertuigen” op de markt heeft gebracht, elk van deze voertuigen door een van de Partners is verkocht. Onder deze omstandigheden is voor gelijksoortigheid en bundelbaarheid niet vereist dat ieder van de Partners “Betrokken Voertuigen” aan elke groep van belanghebbenden heeft verkocht en is ook het aantal voertuigen dat elk van de Partners heeft verkocht niet relevant. Wel is vereist dat elke groep van belanghebbenden van ten minste een van de Partners heeft gekocht. Omdat de Partners samen alle nieuwe Betrokken Voertuigen hebben verkocht en ook een deel van de gebruikte Betrokken Voertuigen, kan dit worden aangenomen. De Partners stellen dat alleen dealers nieuwe voertuigen verkopen en dealers en servicepartners tweedehands voertuigen. Omdat de vorderingen mede betrekking hebben op tweedehands voertuigen met een IMI is dat onderscheid echter voor de bundelbaarheid niet van belang. Er kan vanuit worden gegaan dat als de servicepartners tweedehands voertuigen hebben verkocht dat ook voertuigen met een IMI (kunnen) zijn geweest. Indien een Partner meent dat zij in de relevante periode geen enkel (nieuw of tweedehands) Betrokken Voertuig heeft verkocht, kan zij dat in de inhoudelijke fase stellen en onderbouwen. De Partners stellen dat er tussen hen verschillen in kennisniveau zijn. Zij hebben echter niet toegelicht waarom dat relevant zou zijn voor de bundelbaarheid van de vorderingen die in dit geding zijn ingesteld, zodat de rechtbank aan dat argument voorbij gaat.
SDEJ en Car Claim zullen evenwel niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen tegen de Partners voor zover deze strekken tot behartiging van belangen van (rechts)personen die in de relevante periode een dieselvoertuig van Mercedes door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen (‘leaserijders’). De Partners hebben toegelicht dat zij geen leaseovereenkomsten sluiten en dat lease-activiteiten zijn ondergebracht in aparte vennootschappen. Hierop hebben SDEJ en Car Claim niet gereageerd. Bij deze stand van zaken hebben SDEJ en Car Claim onvoldoende onderbouwd dat de ‘leaserijders’ een vordering hebben tegen de Partners, zodat ook geen sprake is van gelijksoortige belangen. SDEJ en Car Claim zullen in deze vorderingen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De (grondslagen van de) vorderingen
10.6.13.
Zoals in het tussenvonnis van 22 juni 2022, onder 6.15, al is opgemerkt, zijn niet alle vorderingen tegen alle gedaagden ingesteld ten behoeve van dezelfde (groepen van) belanghebbenden.
10.6.14.
Hierna zal per (categorie van) vorderingen worden beoordeeld of het belangen betreft die zich voldoende laten veralgemeniseren. Hierbij geldt als uitgangspunt of bij de beoordeling van de vordering (voldoende) kan worden geabstraheerd van de bijzonderheden van individuele gevallen.
I. Verklaring voor recht dat bepaalde partijen hebben te gelden als consumenten
10.6.15.
Dit betreft onderdeel 4.1 van de vordering van SDEJ en onderdeel 3.1 van de vordering van Car Claim.
10.6.16.
Deze onderdelen, die zien op de zogeheten reflexwerking ten behoeve van de betrokken belanghebbenden, kunnen niet collectief worden beoordeeld. Voor beantwoording van de vraag of de betrokken belanghebbenden een beroep kunnen doen op de aan een consument toekomende bescherming zijn de individuele omstandigheden van de betrokkene van belang, bijvoorbeeld voor welk voorgenomen gebruik het dieselvoertuig is gekocht. SDEJ en Car Claim zijn in deze onderdelen van hun vorderingen dus niet ontvankelijk.
II. Verklaringen voor recht ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken
10.6.17.
Dit betreft onderdeel 4.2 (met subonderdelen 4.2.1 tot en met 4.2.4) van de vordering van SDEJ en onderdeel 3.2 (met subonderdelen 3.2.1 en 3.2.2) van de vordering van Car Claim. SDEJ en Car Claim beginnen hetzelfde. Hun eerste subonderdeel strekt ertoe dat voor recht wordt verklaard dat de gedragingen van Mercedes oneerlijke handelspraktijken zijn en “mitsdien jegens de Consumenten onrechtmatig zijn”.
Vervolgens neemt (alleen) SDEJ een afslag. Haar tweede subonderdeel strekt ertoe dat voor recht wordt verklaard dat de gedragingen van Mercedes zijn toe rekenen aan de Partners, zodat de oneerlijke handelspraktijken ook aan hen kunnen worden tegengeworpen en hun gedragingen onrechtmatig zijn jegens de Consumenten. Het derde subonderdeel van SDEJ strekt ertoe dat de overeenkomsten die tussen Consumenten en de Partners tot stand zijn gekomen (althans, naar de rechtbank begrijpt, voor 14 juni 2014 tussen Consumenten en de Partners tot stand zijn gekomen) als gevolg van voornoemde oneerlijke handelspraktijken vernietigbaar zijn. Tot slot eindigen SDEJ en Car Claim weer voor een groot deel hetzelfde. Hun vierde, respectievelijk tweede, subonderdeel strekt ertoe dat voor recht wordt verklaard dat Mercedes gelet op de oneerlijke handelspraktijken jegens de Consumenten hoofdelijk schadeplichtig zijn. SDEJ betrekt hierbij ook de Partners.
10.6.18.
De belangen van de personen voor wie SDEJ en Car Claim opkomen zijn voldoende gelijksoortig en bundelbaar voor zover het gaat om de gedragingen die Mercedes op dit onderdeel worden verweten. Het gaat daarbij in essentie om het niet vermelden dat de voertuigen een IMI bevatten, hetgeen volgens SDEJ en Car Claim bij alle getroffen voertuigen het geval was.Gelet hierop zijn de belangen van de personen voor wie SDEJ opkomt ook voldoende gelijksoortig en bundelbaar voor zover het gaat om de toerekenbaarheid van de gedragingen van Mercedes aan de Partners. De voor deze toerekening gestelde gronden (tekst en strekking van de richtlijn en de wet, de rol van Mercedes-Benz Nederland B.V. en de Partners in de productie- en verkoopketen en de maatschappelijke maatstaven) vereisen geen individuele beoordeling per Partner maar gelden voor alle Partners. Dat geldt ook voor de op deze grond gebaseerde vernietigbaarheid van de overeenkomsten tussen Consumenten en Partners. Dat niet iedere Partner betrokken is geweest bij verschillende verkopen maakt dit niet anders. Tot slot zijn de belangen van de personen voor wie SDEJ en Car Claim opkomen voldoende gelijksoortig en bundelbaar voor zover het gaat om de hoofdelijke schadeplichtigheid, ook voor zover het de Partners betreft.
III. Verklaringen voor recht ten aanzien van dwaling
10.6.19.
Dit betreft onderdeel 4.3 en subonderdeel 4.3.1 van de vordering van SDEJ en onderdeel 3.3 en subonderdeel 3.3.1 van de vordering van Car Claim.
10.6.20.
In het algemeen vereist een beroep op dwaling (en de daarop gebaseerde vernietiging van de rechtshandeling) een beoordeling van individuele omstandigheden aan de zijde van de belanghebbende en de invloed daarvan op diens wilsvorming. In deze zaken gaat het echter bij alle belanghebbenden om precies dezelfde omstandigheid, namelijk de onbekendheid met de (gestelde) aanwezigheid van een IMI bij de aankoop van het dieselvoertuig en het als gevolg daarvan niet voldoen aan de toepasselijke Nederlandse en Europese wet- en regelgeving. Deze omstandigheid, als dit komt vast te staan, is van dermate groot belang dat dit ook zonder bijkomende individuele omstandigheden tot toewijzing van de gevorderde verklaringen voor recht kan leiden. Hetzelfde geldt voor de onbekendheid van de belanghebbenden met de (gestelde) minder milieuvriendelijke prestaties van de dieselvoertuigen. De belangen van de personen voor wie SDEJ en Car Claim opkomen zijn dus in zoverre voldoende gelijksoortig om in collectief te worden beoordeeld. Of de aanwezigheid van een IMI en/of de minder milieuvriendelijke prestaties van een voertuig zulke essentiële eigenschappen zijn dat geen weldenkende koper bij wetenschap daarvan het betrokken voertuig zou kopen, zal in de inhoudelijke fase van de procedure worden beoordeeld.
10.6.21.
Dat de vorderingen uit hoofde van dwaling bundelbaar zijn heeft tot gevolg dat de daaruit voortvloeiende en daarop voortbouwende vorderingen (5.1-5.5.1.1 van SDEJ en 4/4.1 van Car Claim) dat eveneens zijn.
IV. Verklaringen voor recht ten aanzien van conformiteit, productaansprakelijkheid en wanprestatie
10.6.22.
Dit betreft onderdeel 4.4 (met subonderdelen 4.4.1 tot en met 4.4.4) van SDEJ en onderdeel 3.4 (met subonderdeel 3.4.1 tot en met 3.4.4) van Car Claim. Anders dan SDEJ baseert Car Claim zich als gevolg van haar laatste eiswijziging niet langer op productaansprakelijkheid, zoals ook blijkt uit nummer 14 van haar hiervoor onder 4.2 geciteerde akte van die datum.
10.6.23.
Indien het gestelde verwijt over de aanwezigheid van een IMI komt vast te staan, komen de posities van de belanghebbenden op dat essentiële punt met elkaar overeen. De vraag ligt dan voor of de gestelde omstandigheid dat een dieselvoertuig is voorzien van een IMI en daardoor niet voldoet aan de geldende wet- en regelgeving moet worden gekwalificeerd als non-conform. Of dat zo is, is een vraag die in zijn algemeenheid kan worden beantwoord. In dit verband is van belang dat over de aanwezigheid van het gestelde IMI niets is medegedeeld aan de belanghebbenden. De informatie die door de Partners wel is verstrekt (en die van geval tot geval verschillend kan zijn geweest), heeft in elk geval niet de strekking gehad dat werd gewaarschuwd voor de aanwezigheid van een IMI of dat werd medegedeeld dat het voertuig niet voldeed aan de toepasselijke wet- en regelgeving. Daarom staan de verschillen in wat aan de kopers en lessees is medegedeeld in zoverre niet aan gelijksoortigheid en bundelbaarheid in de weg. SDEJ zal in het vervolg van haar zaak de gestelde productaansprakelijkheid en de plaats daarvan in het kader van conformiteit en wanprestatie nader moeten toelichten.
10.6.24.
De gevorderde verklaring voor recht dat de redelijke termijn tot herstel of vervanging van de gebreken (de rechtbank leest: wegens de gebreken) in de Getroffen Voertuigen ongebruikt is verstreken (subonderdeel 4.4.2 van de vordering van SDEJ, subonderdeel 3.4.2 van de vordering van Car Claim) kan eveneens worden beoordeeld zonder individuele omstandigheden van de belanghebbenden in aanmerking te nemen. Ook de gevorderde verklaring voor recht dat de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers gerechtigd zijn van de betreffende Partners vervanging van het onderhavige Getroffen Voertuig te vorderen voor zover zij hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben (subonderdeel 4.4.3 van de vordering van SDEJ, subonderdeel 3.4.3 van de vordering van Car Claim) kan worden beoordeeld zonder individuele omstandigheden van de belanghebbenden in aanmerking te nemen. Ook deze vorderingen zijn dus bundelbaar.
10.6.25.
Subonderdeel 4.4.4 van de vordering van SDEJ en subonderdeel 3.4.4 van de vordering van Car Claim lopen niet helemaal parallel. Het subonderdeel van Car Claim ziet ook op gedeeltelijke ontbinding en strekt ook tot prijsvermindering. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat de gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot non-conformiteit voldoende gelijksoortig zijn. De gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot ontbinding liggen in het verlengde daarvan, omdat ontbinding een van de remedies is bij non-conformiteit. Op de voet van artikel 7:22 lid 1 aanhef en onder a BW moet worden beoordeeld of een betrokken voertuig met een IMI aan de overeenkomst beantwoordt. Of een betrokken voertuig met een IMI een afwijking van het overeengekomene vormt, die de gevolgen van ontbinding rechtvaardigt, kan in het algemeen worden beantwoord. Individuele omstandigheden hoeven bij dit oordeel niet te worden betrokken. Ook de vraag of in dit geval is voldaan aan het verzuimvereiste laat zich in algemene zin beantwoorden nu de aard van het gestelde gebrek in de prestatie voor alle belanghebbenden gelijk is. De vraag of de Partners zich kunnen beroepen op de “tenzij-formule” van artikel 6:265 BW/7:22 lid 1 aanhef en onder b BW kan in ieder geval voor zover het gaat om een op grond van de aanwezigheid van een IMI ingeroepen (gedeeltelijke) ontbinding dan wel prijsverlaging beoordeeld worden zonder dat daarvoor individuele omstandigheden van belang zijn. De posities van alle eigenaren/lessees van Getroffen voertuigen zijn immers op dat punt gelijk. In het geval dat de verwijten van Car Claim terecht zijn, kan de vraag of een koopprijsvermindering geboden is bij een op de gestelde non-conformiteit gebaseerde gedeeltelijke ontbinding (of in geval van consumentenkoop op grond van art. 7:22 lid 1 onder b BW), ook in algemene zin worden beantwoord. Mogelijk dat in dit geval ook over de omvang van een koopprijsvermindering vanwege de gestelde aanwezigheid van een IMI (welke omstandigheid voor alle belanghebbenden zou gelden) in zijn algemeenheid een oordeel kan worden gegeven. In dat geval kan worden geabstraheerd van individuele omstandigheden. In het verlengde hiervan is Car Claim ook ontvankelijk in subonderdeel 6 van haar vordering die betrekking heeft op de verschuldigdheid van wettelijke rente over een prijsvermindering. De vraag of wettelijke rente is verschuldigd, laat zich namelijk ook in algemene zin beantwoorden.
V. Vorderingen waarin wordt meegenomen dat Mercedes geen aanspraak kan maken op een vergoeding in verband met gebruik of waardevermindering van een Getroffen Voertuig
10.6.26.
Dit betreft diverse subonderdelen van de vorderingen van SDEJ en Car Claim.Het standpunt dat het in alle gevallen onjuist en onredelijk is om te bepalen dat belanghebbenden enige gebruiks- of waardevergoeding verschuldigd zijn vanwege de opzettelijke en structurele misleiding door Mercedes-Benz Group AG die aan ieder van de gedaagden zou zijn toe te rekenen, laat zich in zijn algemeenheid beoordelen. Aan dat standpunt ligt immers ten grondslag dat de specifieke omstandigheden van de individuele belanghebbende er vanwege de opzettelijke misleiding niet toe doen. Voor het overige – dat wil zeggen voor zover inhoudelijk zou worden geoordeeld dat voornoemd standpunt niet wordt gevolgd – lenen voornoemde vorderingen zich niet voor collectieve beoordeling. Indien komt vast te staan dat bij het bepalen van de gevolgen van een (gedeeltelijke) vernietiging, ontbinding of zaaksvervanging gedaagden wel aanspraak kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het voertuig en/of de waardevermindering daarvan, moeten bij de vaststelling van de hoogte daarvan de individuele omstandigheden van de belanghebbende, zoals de staat van het voertuig, in aanmerking worden genomen.
VI. Verklaringen voor recht ten aanzien van onrechtmatige daad
10.6.27.
Dit betreft onderdeel 4.6 (subonderdelen 4.6.1 tot en met 4.6.3) van SDEJ en onderdeel 3.6 en subonderdeel 3.6.1 van Car Claim. Anders dan SDEJ richt Car Claim sinds de laatste eiswijziging geen op onrechtmatige daad gebaseerde vordering meer tegen de Partners. Verder vordert Car Claim, anders dan SDEJ, vanaf die datum geen verklaring voor recht meer dat Mercedes zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:166 BW (zie de nummers 13 en 16 van haar akte van 24 mei 2023).
10.6.28.
Deze onderdelen strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen, zodat ze collectief kunnen worden beoordeeld. Gelet op wat SDEJ en Car Claim aan de jegens Mercedes gevorderde verklaringen voor recht ten grondslag hebben gelegd, zal in de inhoudelijke fase moeten worden beoordeeld of de dieselvoertuigen die gedurende de relevante periode op de Nederlandse markt zijn gebracht en vervolgens door de belanghebbenden zijn gekocht of geleased IMI’s bevatten. Bij de beoordeling van de vraag of onrechtmatig is gehandeld, kan worden geabstraheerd van bijzondere omstandigheden aan de zijde van de belanghebbenden. Die omstandigheden zijn pas relevant bij vragen over bijvoorbeeld schade-omvang en causaal verband. Die vragen liggen in deze procedure niet voor en kunnen na een gegeven onrechtmatigheidsoordeel in individuele vervolgprocedures aan de orde komen.. Dat verschillen bestaan tussen belanghebbenden, doet dus niet af aan de mogelijkheid deze onderdelen collectief te behandelen. De belangen van de personen voor wie SDEJ en Car Claim opkomen, komen op dit punt met elkaar overeen en zijn dus bundelbaar. Ook de verwijten die SDEJ in haar zaak de Partners maakt, zijn collectief te behandelen. Ook in zoverre is sprake van voldoende gelijksoortigheid en bundelbaarheid.
Verschillen in toepasselijke voorwaarden
10.6.29.
In de door de Partners aangevoerde verschillen in verkooptransacties en de daarbij gehanteerde voorwaarden ziet de rechtbank onvoldoende reden om SDEJ en Car Claim in een of meer van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Als het gaat om een beperking van een eventuele schadevergoedingsplicht geldt dat de omvang van schade in deze procedure niet aan de orde is vanwege de toepasselijkheid van het oude collectieve actierecht. Verder zal in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld of (ook) de zakelijke kopers de rechten kunnen uitoefenen die de wet hen toekent bij non-conformiteit. Dat zal in elk geval voor een gedeelte collectief kunnen worden beoordeeld. Als het gaat om de termijn waarbinnen moet worden geklaagd, geldt dat eveneens algemene vragen moeten worden beantwoord, zoals de vraag of kan worden gevergd dat wordt geklaagd. Het beroep van de Partners op de toepasselijke voorwaarden betekent dus niet dat de beoordeling van een of meer vorderingen noodzakelijkerwijs en volledig beperkt is tot een beoordeling van de individuele omstandigheden van een betrokkene. Hetzelfde geldt voor het beroep van de Partners op schending van de klachtplicht en op verjaring.
Conclusie
10.6.30.
Binnen de hiervoor getrokken grenzen is zowel in de SDEJ-zaak als in de Car Claim-zaak voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste.
11. Ontvankelijkheid – waarborgvereiste
In beide zaken
11.1.
Artikel 3:305a lid 2, laatste volzin, (oud) BW bepaalt dat een belangenorganisatie niet ontvankelijk is indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie deze is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn.
11.2.
In het tussenvonnis van 7 juni 2023 is, voor zover hier van belang, overwogen:
De achterbannen
2.3.
SDEJ en Car Claim hebben in hun dagvaardingen de toepasselijkheid van de WAMCA als uitgangspunt genomen. Mercedes en de Partners voeren aan dat SDEJ en Car Claim niet hebben aangetoond dat zij opkomen voor een daadwerkelijk bestaande, voor deze zaken relevante achterban en dat zij geen verifieerbare stellingen hebben ingenomen over het aantal bij hen aangesloten belanghebbenden. Mercedes en de Partners voeren voorts aan dat zij niet of nauwelijks klachten hebben ontvangen over hun dieselvoertuigen. Mercedes en de Partners achten een en ander eens te meer van belang omdat SDEJ en Car Claim ad hoc zouden zijn opgericht door Amerikaanse advocatenkantoren met eigen commerciële doelstellingen.
2.4.
SDEJ stelt hier tegenover dat op 12 mei 2023 15.456 Mercedes-dieselvoertuigen bij haar waren geregistreerd en dat de aanmelders hun steun hebben uitgesproken voor haar werkzaamheden en de door haar aanhangig gemaakte procedure. Car Claim stelt tegenover het verweer van Mercedes en de Partners dat zich op 24 mei 2023 ongeveer 6.000 Autobezitters (zoals gedefinieerd in haar dagvaarding) bij haar hadden aangemeld.
2.5.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het zogenoemde waarborgvereiste uit artikel 3:305a lid 2 (oud) BW heeft tot doel belangenorganisaties met onzuivere motieven te weren. Of de belangen waarop de collectieve actie ziet voldoende zijn gewaarborgd moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij de beoordeling of met de collectieve actie de belangen van de betrokken personen al dan niet voldoende zijn gewaarborgd, de rechter dient te onderzoeken i) in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen en ii) in hoeverre erop vertrouwd mag worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren. In de wetsgeschiedenis worden een aantal factoren genoemd die bij de beantwoording van deze vragen in algemene zin een rol kunnen spelen. De omvang van de groep benadeelden die zijn aangesloten bij de belangenorganisatie en in hoeverre zij de collectieve actie ondersteunen zijn zulke factoren. Artikel 3:305a (oud) BW stelt, anders dan het huidige artikel 3:305a lid 2 BW, voor ontvankelijkheid in een collectieve actie niet de eis dat de belangenorganisatie voldoende representatief is. Wel kunnen de factoren die een rol spelen bij de beoordeling van de representativiteit van een belangenorganisatie worden meegewogen bij de beoordeling of is voldaan aan het waarborgvereiste. De wetsgeschiedenis benadrukt dat het aantal benadeelden dat is aangesloten bij een belangenorganisatie geen formeel vereiste is. Het vormt wel een belangrijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste, maar moet niet altijd doorslaggevend zijn.
2.6.
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank behoefte aan inzicht in de volgende, door SDEJ respectievelijk Car Claim bij akte te verstrekken gegevens:
a. het aantal individuele belanghebbenden dat per 1 juni 2023 specifiek voor de vorderingen jegens Mercedes en de Partners bij haar is aangesloten (hierna: belanghebbenden);
b. op welke wijze hebben belanghebbenden zich aangemeld;
c. welke contactgegevens hebben zij opgegeven (waarbij het niet om die contactgegevens zelf gaat);
d. zijn zij al dan niet in Nederland woonachtig;
e. welke gegevens hebben zij over het betrokken voertuig opgegeven (waarbij het niet om die gegevens zelf gaat);
f. zijn zij koper of lessee van het betrokken voertuig;
g. bevinden zich onder hen eigenaren of lessees van meer dan een voertuig en, zo ja, om hoeveel voertuigen gaat het;
h. welk bedrag heeft ieder van hen aan haar betaald of is ieder van hen aan haar verschuldigd;
i. heeft zij met ieder van hen een overeenkomst gesloten over het af te dragen percentage indien de belanghebbende een vergoeding ontvangt van Mercedes en/of de Partners en zo ja, hoe luidt deze overeenkomst;
j. op welke wijze heeft ieder van hen de inbreng van de belanghebbenden georganiseerd bij de te nemen vervolgstappen.
De rechtbank verzoekt SDEJ en Car Claim bij hun akte een verklaring van een accountant te voegen over de juistheid van de verstrekte gegevens.
(…)
De procesfinancieringsovereenkomsten
2.8.
Niet in geschil is dat de zaak van SDEJ wordt gefinancierd door Consumer Justice Network B.V. en die van Car Claim door CF ND Car Ltd. Mercedes en de Partners betogen dat de desbetreffende overeenkomsten in het geding moeten worden gebracht. Zij voeren aan dat zeker moet zijn dat de procesfinanciers geen oneigenlijke invloed kunnen uitoefenen. SDEJ en Car Claim (als haar verweer dat zij niet gehouden is de overeenkomst in het geding te brengen wordt gepasseerd) zijn op zichzelf bereid om de financieringsovereenkomsten in het geding te brengen, maar wensen delen van de aan Mercedes en de Partners ter beschikking te stellen afschriften onleesbaar te maken. Dit betreft in het bijzonder het voor ieder van hen beschikbare budget.
2.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is het met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van SDEJ en Car Claim noodzakelijk dat zij hun financieringsovereenkomsten integraal, zonder onleesbaar gemaakte delen aan de rechtbank overleggen. Dit geldt ook voor de bijlagen, met uitzondering van de bijlage(n) betreffende de rechtsverhouding tussen SDEJ respectievelijk Car Claim en haar advocaat. Daarbij verlangt de rechtbank ook een bevestiging dat de aldus verstrekte stukken alle afspraken bevatten tussen SDEJ respectievelijk Car Claim en haar financiers. Op deze wijze kan de rechtbank zich ervan vergewissen dat SDEJ en Car Claim over voldoende middelen beschikken om de kosten van hun zaken te dragen en dat de zeggenschap in deze zaken in voldoende mate bij henzelf ligt. In de aan Mercedes en de Partners ter beschikking te stellen afschriften van de procesfinancieringsovereenkomsten mogen SDEJ en Car Claim desgewenst het voor ieder van hen beschikbare budget onleesbaar maken. Mercedes en de Partners hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. Voor het onleesbaar maken van (andere) commercieel gevoelige informatie ziet de rechtbank geen aanleiding. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het overleggen van deze informatie afbreuk zou (kunnen) doen aan de positie in en buiten deze zaken van SDEJ en Car Claim en de personen voor wie zij opkomen.
11.3.
De rechtbank stelt voorop dat zij in de door partijen over en weer ingenomen stellingen en in de door partijen in het geding gebrachte producties geen aanleiding ziet om ambtshalve te oordelen dat SDEJ en/of Car Claim op grond van andere dan de door Mercedes en de Partners aangevoerde feiten en omstandigheden niet aan het waarborgvereiste voldoen, behoudens de in 11.28 onder f gegeven beoordeling van de financieringsovereenkomst van Car Claim.
11.4.
Hierna zal eerst worden ingegaan op de achterbannen en vervolgens op de financieringsovereenkomsten.
De achterbannen
In de SDEJ-zaak
11.5.
SDEJ beantwoordt in haar akte van 2 augustus 2023 de in het tussenvonnis van 7 juni 2023 gestelde vragen (onder verwijzing naar een door haar in het geding gebracht rapport, gedateerd 21 juli 2023, van drs. ing. T. Krol RA van Kroll B.V.), voor zover hier van belang, als volgt:
11. Vraag a. Aantal aangesloten belanghebbenden. Per 1 juni 2023 hadden zich bij Emissions Justice 13.858 individuele Belanghebbenden aangemeld, in de zin dat zij voldoende informatie aan Emissions Justice hebben verleend; steun hebben uitgesproken voor haar initiatief dan wel een overeenkomst met haar hebben gesloten waarin de voorwaarden van hun deelname zijn neergelegd. (…).
12. Vraag b. Wijze van aanmelden. De registratie van claimanten vindt elektronisch plaats (…).
13. Vraag c. De opgegeven contactgegevens. De gevraagde contactgegevens omvatten emailadres, naam, adres en (optioneel) een telefoonnummer. (…). De informatie wordt opgeslagen in het CRM systeem van Emissions Justice dat op 1 april 2022 in gebruik is genomen. De registraties van voor die datum zijn allemaal opnieuw beoordeeld en in de CRM database opgenomen. Voor zover alle relevante gegevens aanwezig zijn, heeft Kroll ook deze claimanten als Belanghebbende aangemerkt. (…).
14. Vraag (c) beperkt zich (…) tot de contactgegevens en voertuiggegevens die de Belanghebbenden opgaven. Emissions Justice verrijkt dergelijke gegevens onder meer door uitwisseling van informatie met derden, zoals de RDW. Dit deels geautomatiseerde systeem strekt ertoe de vorderingen van de Belanghebbenden zo veel mogelijk veilig te stellen en op juistheid te controleren (…).
15. Vraag d. Zijn de Belanghebbenden al dan niet in Nederland woonachtig? Van de per 1 juni aangemelde 17.668 vorderingen is 98,4% aangemeld met een adres in Nederland. Het gaat daarbij om 13.558 Belanghebbenden (op een totaal van 13.858) met in totaal 17.381 vorderingen (op een totaal van 17.668). (…).
16. Vraag e. Type opgegeven gegevens over het betrokken voertuig. Na aanmelding beschikt Emissions Justice over de volgende voertuiggegevens: Kenteken / VIN nummer, merk, bouwjaar, type, brandstofsoort (…). Emissions Justice kan aan de hand van deze gegevens vaststellen of de auto’s volgens het RDW en Mercedes in aanmerking komen voor een diesel gerelateerde terugroepactie (…).
17. Vraag f. Zijn de Belanghebbenden koper of lessee van het betrokken voertuig? Van de 13.858 bij Emission Justice geregistreerde Belanghebbenden registreerden er 11.617 uitsluitend als koper hun auto(‘s). 1987 Belanghebbenden registreerden uitsluitend als lessee auto’s. De resterende 254 Belanghebbenden registreerden zowel als koper en als lessee auto’s. Te denken valt aan een taxibedrijf dat voertuigen heeft gekocht en heeft geleast, of om particulieren die afwisselend een auto kopen en leasen. Van de bij Emissions Justice geregistreerde 17.668 Vorderingen zien er 14.817 op een gekocht – en 2.851 op een geleast voertuig. (…).
18. Vraag g. Hoeveel van de Belanghebbenden hebben meer dan een voertuig aangemeld? Het totale aantal bij Emissions Justice geregistreerde vorderingen bedraagt 17.668. In totaal hebben 1.913 Belanghebbenden meer dan één VIN-nummer aangemeld. Deze groep heeft in totaal 5.702 VIN-nummers aangemeld. Het aantal Belanghebbenden bedraagt daarmee 13.858. (…).
19. Vraag h. Welk bedrag heeft ieder van hen aan Emissions Justice betaald of is ieder van hen aan haar verschuldigd. Op grond van de door Emissions Justice gehanteerde voorwaarden zijn Belanghebbenden vooraf geen vergoeding verschuldigd. Ook is geen sprake van administratiekosten, jaarlijkse bijdrage of bijdrage in de proceskosten wanneer de rechter de Vordering of een Collectieve Actie afwijst. Alleen bij een voor Belanghebbende positief resultaat is de Belanghebbende aan Emissions Justice een vergoeding verschuldigd van maximaal 27,5% van de ontvangen opbrengst, inclusief kosten en BTW, voor zover van toepassing.
20. Vraag i. Heeft Emissions Justice met iedere Belanghebbende een overeenkomst gesloten over het af te dragen percentage indien de belanghebbende een vergoeding ontvangt en, zo ja, hoe luidt deze overeenkomst. Per 1 juni 2023 hadden 12.789 (92,3% van 13.858) van de Belanghebbenden met Emissions Justice een deelnemingsovereenkomst waarin zij instemden met het af te dragen percentage en de andere voorwaarden. De gecontracteerde Belanghebbenden hebben gezamenlijk 16.569 Vorderingen bij Emissions Justice geregistreerd (ofwel, 93,8% van 17.668). de contractuele resultaatsafhankelijke vergoeding bedraagt maximaal 27,5%, inclusief kosten en BTW, voor zover van toepassing.
21. De resterende 1.069 Belanghebbenden hadden per 1 juni 2023 nog geen deelnemersovereenkomst met Emissions Justice. Ieder van deze Belanghebbenden verklaarde wel reeds steun aan de procedures van Emissions Justice en gaf haar toestemming om haar gegevens ter verdere verificatie met derden te delen, waaronder het RDW. Ook is nagegaan of hun vorderingen passen binnen de reikwijdte van de procedure (…).
22. Vraag j. Manier waarop de inbreng van Belanghebbenden is geregeld. Hoewel de WAMCA vooralsnog niet op deze procedure van toepassing is, neemt Emissions Justice aan dat deze vraag betrekking heeft op de eis van art. 3:305a lid 2 sub b (nieuw) BW (adequate inspraakmechanismen tot deelname aan of vertegenwoordiging bij besluitvorming). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat een belangenorganisatie aan deze eis kan voldoen door aangeslotenen in staat te stellen zich uit te laten over bepaalde besluiten.
23. Emissions Justice legt op haar website uit dat zij de achterban op relevante momenten raadpleegt, bijvoorbeeld over de verdeling van eventueel te verkrijgen financiële compensatie (art 2 lid 1 sub c Statuten), en over een eventueel schikkingsvoorstel (artikel 10 Statuten).
24. Emissions Justice beschikt ook over de relevante contactgegevens van de bij haar geregistreerde Belanghebbenden en communiceert regelmatig met hen, bijvoorbeeld in het kader van status updates en nieuwsberichten, het verifiëren van registratiegegevens, het verkrijgen van individuele reacties op enquêtes of het nazenden van specifieke informatie (…). Via deze communicatielijnen is het voor haar eenvoudig om bijvoorbeeld een enquête onder de Belanghebbenden te houden of hen tot besluitvorming op te roepen. Dat is in deze fase voldoende.
2.3
Resterende vraag: voertuigen gekocht van Dealers.
25. (…). Zoals ter zitting verklaard, stelt Emissions Justice deze vraag momenteel niet als verplicht informatieveld in het initiële registratieproces. Via de bestaande communicatielijnen die Emissions Justice met Belanghebbenden onderhoudt kan deze vraag in een latere fase op individueel niveau aan hen worden voorgelegd.
11.6.
Mercedes voert tegen de antwoorden van SDEJ, kort samengevat, het volgende aan. Het doel van de door de rechtbank bevolen accountantsverklaring is evident: de rechtbank wenst van de accountant te vernemen of de door SDEJ verstrekte gegevens juist zijn. SDEJ heeft geen verklaring van een accountant over de juistheid van de verstrekte gegevens overgelegd. Het rapport van de heer Krol is geen accountantsverklaring, omdat hij het juist (expliciet) niet in zijn hoedanigheid van accountant heeft opgesteld. Ook inhoudelijk zegt het rapport van de heer Krol niets over de juistheid van de door SDEJ verstrekte gegevens.
11.7.
De Partners voeren tegen de antwoorden van SDEJ, kort samengevat, het volgende aan. SDEJ miskent dat deze procedure enkel ziet op NL Kopers en gaat ten onrechte uit van te ruime begrippen ‘Belanghebbenden’ en ‘Vorderingen’. SDEJ beschikt niet over een voldoende achterban bestaande uit NL Kopers. ‘Vorderingen’ die zien op voertuigen buiten de relevante periode zijn niet relevant. De inbreng van ‘Belanghebbenden’ is niet aannemelijk. SDEJ geeft geen antwoord op de ‘resterende vraag’: het blijft onbekend hoeveel voertuigen zijn gekocht bij de Partners, en zo ja bij welke Partners.
In de Car Claim-zaak
11.8.
Car Claim beantwoordt in haar akte van 2 augustus 2023 de in het tussenvonnis van 7 juni 2023 gestelde vragen (onder verwijzing naar een door haar in het geding gebracht rapport, gedateerd 25 juli 2023, van M.P.J. van der Vight AA van Drieblad Accountants B.V.), voor zover hier van belang, als volgt:
II.2 Subvraag a: Aantal aangesloten Autobezitters
(…)
11. Aan de hand van de door Autobezitters opgegeven kentekens en/of VIN-nummers verifieert Car Claim of het aangemelde voertuig daadwerkelijk kwalificeert als een Getroffen Voertuig. Car Claim doet dit aan de hand van een applicatie die is gekoppeld aan (historische) gegevens van de RDW-database.
12. Per 1 juni 2023 zijn bij Car Claim specifiek voor de vorderingen van Car Claim jegens Gedaagden 6.244 Getroffen Voertuigen aangemeld. Deze Getroffen Voertuigen zijn aangemeld door 2.580 verschillende Autobezitters. Deze Autobezitters bestaan zowel uit zakelijke- als particuliere partijen.
II.3 Subvraag b: Wijze van aanmelden
13. Autobezitters melden zich langs twee wegen bij Car Claim aan. Ten eerste via het registratieplatform van Car Claim op haar website (…) (‘Registratieplatform Car Claim’).
14. Autobezitters kunnen zich daarnaast bij Car Claim aanmelden via het registratieplatform van Consumentenbond op haar website (…) (‘Registratieplatform Consumentenbond’). Car Claim is mede met het oog hierop een samenwerkingsovereenkomst met Consumentenbond aangegaan.
(…)
II.4 Subvraag c: Contactgegevens
39. Car Claim vat subvraag c van de Rechtbank zo op dat de Rechtbank wenst te vernemen over welke contactgegevens van aangemelde Autobezitters Car Claim beschikt.
(…)
41. Van alle Autobezitters die zich hebben aangemeld via het Registratieplatform Car Claim beschikt Car Claim over de naam, het woon- of vestigingsadres, een e-mailadres en telefoonnummer. Dit betreffen verplichte velden in het aanmeldingsproces. Dit geldt ook voor de grote zakelijke partijen voor wie Car Claim de aanmelding buiten het platform om als maatwerk verzorgt.
42. Van alle Autobezitters die zich hebben aangemeld via het Registratieplatform Consumentenbond beschikt Car Claim in ieder geval over de naam en het e-mailadres. Dit betreft verplichte velden in het aanmeldingsproces (…).
(…)
II.5 Subvraag d: Wonen de Autobezitters in Nederland?
44. Ja, alle onder subvraag a genoemde Autobezitters die zich bij Car Claim tot en met 1 juni 2023 voor deze procedure hebben aangemeld, zijn woonachtig of gevestigd in Nederland.
II.6 Subvraag e: Opgegeven gegevens over de Getroffen Voertuigen
45. Alle Autobezitters geven over de Getroffen Voertuigen op het Registratieplatform Car Claim verplicht de volgende gegevens op:
• het kenteken • de aankoopdatum
• het VIN-nummer • het aankoopbedrag
• het merk en model • aangeschaft van particulier of bedrijf
• het bouwjaar • huidig of voormalig bezit; en
• de wijze van verwerving (koop of lease) • of er al dan niet een software update is uitgevoerd
• de staat van aanschaf (nieuw of gebruikt)
46. Daarnaast kunnen Autobezitters de volgende documenten met betrekking tot hun Getroffen Voertuigen verstrekken:
• Onderhoudsfacturen • Aankoopfactuur
• Bewijs van eigendom • Verkoopfactuur
• Bewijs van verkoop/inruilen • Kentekenbewijs
• Bewijs van software update • Correspondentie
• Aankoopovereenkomst
47. Via het Registratieplatform Consumentenbond geven alle Autobezitters met betrekking tot de Getroffen Voertuigen verplicht het kenteken op. Op basis van het kenteken beschikt Car Claim meteen ook over het VIN-nummer, merk, model, brandstoftype, bouwjaar en de catalogusprijs van het aangemelde Getroffen Voertuig. Daarnaast kunnen Autobezitters de volgende gegevens opgeven:
• de wijze van verwerving (koop of lease) • het aankoopbedrag
• de staat van aanschaf (nieuw of gebruikt) • aangeschaft van particulier of bedrijf; en
• de aankoopdatum • huidig of voormalig bezit.
48. Autobezitters kunnen tevens documenten uploaden, zoals een kentekenbewijs, de aankoop- en verkoopnota, bevestiging van een uitgevoerde update of van belang zijnde correspondentie.
II.7 Subvraag f: Kopers of lessees
49. Op dit moment hebben nog niet alle bij Car Claim aangemelde Autobezitters ingevuld of zij het Getroffen Voertuig hebben gekocht of geleaset.
50. Uit de informatie die de bij Car Claim aangemelde Autobezitters in dit kader aan Car Claim al wel hebben verstrekt, volgt dat 90% van de Getroffen Voertuigen die zij hebben aangemeld, is gekocht en 10% is geleaset.
II.8 Subvraag g: Autobezitters met meer dan één Getroffen Voertuig
51. Onder de Autobezitters die zich bij Car Claim hebben aangemeld, bevinden zich ook Autobezitters die twee of meer Getroffen Voertuigen hebben aangeschaft. Om hoeveel Getroffen Voertuigen het gaat, varieert van Autobezitters die gedurende de Relevante Periode twee Getroffen Voertuigen hebben aangeschaft tot één (zakelijke) Autobezitter die een wagenpark van 2.105 Getroffen Voertuigen heeft ingebracht.
II.9 Subvraag h: Bijdragen van Autobezitters?
52. Autobezitters hebben aan Car Claim geen deelnemingsbijdrage betaald en zijn die ook niet verschuldigd. Car Claim vraagt geen financiële bijdragen van haar deelnemers en brengt evenmin aanmeldkosten in rekening. Het aanmeldproces bij Car Claim via het Registratieplatform Car Claim en Registratieplatform Consumentenbond voorziet daar ook niet in. Autobezitters kunnen zich bij Car Claim kosteloos aanmelden.
53. Slechts in de situatie dat Autobezitters een door Gedaagden aangeboden of in rechte vastgestelde compensatie van Gedaagden ontvangen, houdt Car Claim daarvan een percentage in van maximaal 25%. Car Claim streeft er echter naar om de kosten van deze procedure geheel of gedeeltelijk onderdeel te doen uitmaken van een eventueel met Gedaagden te bereiken schikking, zodat de compensatie voor de Autobezitters netto zo hoog mogelijk uitvalt.
II.10 Subvraag i: Deelnemingsovereenkomsten.
54. Car Claim sluit deelnemingsovereenkomsten met bij haar aangemelde Autobezitters.
(…)
II.11 Subvraag j: Inbreng belanghebbenden bij vervolgstappen
58. Car Claim begrijpt deze vraag zo dat de Rechtbank wenst te vernemen op welke wijze Autobezitters inspraak hebben in eventueel door Car Claim tegen Gedaagden te nemen vervolgstappen, nadat de onderhavige collectieve procedure zal zijn afgerond.
59. Dit is geregeld in onder meer de deelnemingsovereenkomsten die Car Claim aangaat met Autobezitters. In de deelnemingsovereenkomsten verlenen Autobezitters Car Claim op de voet van art. 3:60 BW en art. 7:414 BW de bevoegdheid om voor hen al hetgeen te doen wat nodig is om tot compensatie te komen, waaronder het voeren van schikkingsonderhandelingen met of vervolgprocedures tegen de Gedaagden om hun vordering op Gedaagden te incasseren. De deelnemingsovereenkomst voorziet er daarnaast in dat Autobezitters Car Claim in het vervolgtraject kunnen “voorzien van de nodige informatie en bewijsstukken die de Stichting helpen om aan te tonen dat u recht heeft op compensatie”.
60. Daarnaast verzamelt Car Claim bij haar aangemelde Autobezitters doorlopend input en geeft ze aan hen gelegenheid om inspraak te hebben met betrekking tot de tegen de Gedaagden te treffen maatregelen. Dit doet Car Claim op verschillende wijzen, bijvoorbeeld via persoonlijke correspondentie en fysieke bijeenkomsten met aangemelde Autobezitters. Deze wijze van inbreng van Autobezitters zal Car Claim handhaven in eventueel door haar tegen de Gedaagden te nemen vervolgstappen.
II.12 De Handelaren waar de Autobezitters hun Getroffen Voertuigen hebben aangeschaft
61. De achterban van Car Claim wordt gevormd door haar statutaire achterban (in deze procedure: de Autobezitters). Niet slechts door Autobezitters die zich bij Car Claim hebben aangemeld. Deze procedure van Car Claim heeft betrekking op Getroffen Voertuigen. Dit betreffen ten minste ruim 185.000 auto’s in Nederland. De huidige- en voormalige bezitters daarvan vormen de achterban van Car Claim.
(…)
63. De bij Car Claim aangemelde Autobezitters hebben aan Car Claim aangegeven dat zij Getroffen Voertuigen hebben gekocht of geleaset bij alle gedaagde Handelaren, behalve van gedaagde sub 5 (Auto Kökcü B.V.), gedaagde sub 12 (Autoservice Van den Akker B.V.) en gedaagde sub 14 (Cor Millenaar B.V.).
11.9.
Mercedes voert tegen de antwoorden van Car Claim, kort samengevat, het volgende aan. Het doel van de door de rechtbank bevolen accountantsverklaring is evident: de rechtbank wenst van de accountant te vernemen of de door Car Claim verstrekte gegevens juist zijn. Car Claim heeft geen verklaring van een accountant over de juistheid van de verstrekte gegevens overgelegd. Het rapport van (de heer Van der Vight van) Drieblad Accountants B.V. is ongeschikt omdat door toepassing van de verkeerde standaard 4400N geen conclusies mogen worden getrokken of zekerheid mag worden verstrekt. Ook inhoudelijk zegt het door Car Claim overgelegde rapport niets over de juistheid van de door haar verstrekte gegevens.
11.10.
De Partners voeren tegen de antwoorden van Car Claim, kort samengevat, het volgende aan. Car Claim miskent dat deze procedure enkel ziet op NL Kopers en gaat ten onrechte uit van te ruime begrippen ‘Autobezitters’ en ‘Getroffen Voertuigen’. Car Claim beschikt niet over een voldoende achterban bestaande uit NL Kopers. De inbreng van ‘Autobezitters’ is niet aannemelijk. Car Claim geeft geen antwoord op de ‘resterende vraag’: het blijft onbekend hoeveel voertuigen zijn gekocht bij de Partners, en zo ja bij welke Partners.
11.11.
De rechtbank verwijst allereerst naar de hiervoor onder 1.10 weergegeven brief van de griffier.
In beide zaken
11.12.
De rechtbank overweegt dat in het tussenvonnis van 7 juni 2023 geen gedetailleerde instructies zijn gegeven met betrekking tot de aard van de door SDEJ respectievelijk Car Claim bij haar akte te voegen verklaring van een accountant. De door SDEJ en Car Claim overgelegde rapporten zijn beide afkomstig van een accountant. Beide accountants zijn zich er blijkens hun rapporten van bewust dat hun rapporten dienen om te worden gebruikt in deze zaken. Beide accountants hebben inzicht gegeven in de wijze waarop zij de juistheid hebben vastgesteld van de verstrekte gegevens over het aantal personen dat de collectieve vordering van SDEJ respectievelijk Car Claim ondersteunt. Dit geeft de rechtbank voldoende vertrouwen in de juistheid van het opgegeven aantal bij SDEJ respectievelijk Car Claim aangesloten belanghebbenden. Het lag niet op de weg van de accountant om te toetsen of de door de belanghebbenden opgegeven gegevens juist zijn; hij hoefde dus ook niet te onderzoeken of deze gegevens overeenstemmen met bewijsstukken. Voor de beoordeling van de omvang van de achterban van SDEJ respectievelijk Car Claim is dat ook niet relevant. Uit de overgelegde rapporten blijkt het aantal bij SDEJ respectievelijk Car Claim aangesloten belanghebbenden. Daarbij hebben zowel SDEJ als Car Claim voldoende gegevens geregistreerd om te kunnen vaststellen of de belanghebbenden die zich bij hen hebben gemeld behoren tot de eigenaren dan wel lessees van Getroffen Voertuigen.De rechtbank acht de door SDEJ en Car Claim gestelde en nu ook goed onderbouwde aantallen aangesloten belanghebbenden, afgezet tegen het aantal belanghebbenden voor wie SDEJ respectievelijk Car Claim stelt op te komen, voldoende om beide belangenorganisaties representatief te achten.
De financieringsovereenkomsten
11.13.
Principe III van de Claimcode 2019 luidt:
De belangenorganisatie kan ten behoeve van de financiering van haar statutaire werkzaamheden een overeenkomst aangaan met een solide externe financier. Het bestuur vergewist zich ervan dat individuele bestuurders en leden van de raad van toezicht, alsmede de door de belangenorganisatie ingeschakelde advocaat of andere dienstverleners zelfstandig en onafhankelijk zijn van de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen, alsmede dat de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen onafhankelijk zijn van de wederpartij in de collectieve actie. De overeenkomst voorziet in een regeling die de in de vorige volzin bedoelde zelfstandigheid en onafhankelijkheid waarborgt. Het bestuur ziet erop toe dat de financieringsvoorwaarden (waaronder begrepen de omvang en systematiek van de overeen te komen vergoeding) redelijkerwijs niet strijdig zijn met het collectieve belang van de (rechts)personen ten behoeve van wie de belangenorganisatie krachtens haar statutaire doelstelling optreedt.
In de SDEJ-zaak
11.14.
In de rolbeslissing van 5 juli 2023 is, voor zover hier van belang, overwogen:
2.1.
SDEJ verzoekt om nadere instructies met betrekking tot de beslissing dat de financieringsovereenkomst in het geding moet worden gebracht. Deze nadere instructies zouden kort gezegd een aanvullende inperking van het gegeven bevel moeten inhouden, te weten primair dat SDEJ alleen de informatie hoeft te verstrekken die relevant is voor de beoordeling van “voldoende middelen” en “voldoende zeggenschap”, subsidiair dat de rechtbank Mercedes en de Partners verbiedt aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de procesfinancieringsovereenkomst en eventuele gerelateerde stukken en in een eventueel te publiceren vonnis geen informatie opneemt over de inhoud van de procesfinancieringsovereenkomst (artikelen 28 lid 1 en 29 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
Mercedes en de Partners verzetten zich hiertegen.
2.2.
De rechtbank overweegt dat het verzoek in wezen neerkomt op een verzoek het tussenvonnis te wijzigen door de verplichtingen van SDEJ te beperken of Mercedes en de Partners aan nadere voorwaarden te binden.
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet niet in de mogelijkheid een gewezen vonnis te wijzigen, behoudens in geval van een kennelijke fout of als verzuimd is op (een deel van) het gevorderde te beslissen. Dat hiervan sprake is, heeft SDEJ niet aangevoerd.
2.3.
Het verzoek het vonnis gedeeltelijk niet te publiceren kan worden gedaan nadat het is gewezen; dit verzoek is slechts toewijsbaar als zich zwaarwegende belangen tegen (volledige) publicatie verzetten, zie artikel 29 lid 2 Rv. Of daarvan sprake is kan de rechtbank op dit moment niet beoordelen. Op het verzoek om het vonnis gedeeltelijk niet te publiceren zal daarom in het vonnis worden beslist. Artikel 29 lid 4 Rv is niet van toepassing omdat de zaak niet met gesloten deuren is behandeld.
De verzoeken worden daarom afgewezen.
11.15.
Na de rolbeslissing van 5 juli 2023 heeft SDEJ bij akte in het geding gebracht (een afschrift van) de “amended and restated funding agreement” (hierna: de SDEJ-financieringsovereenkomst), gedateerd 23 mei 2023, tussen haar en Consumer Justice Network B.V. (hierna: CJN). Het slot van de akte van SDEJ luidt, voor zover hier van belang:
In art. 4.3.2 LFA is voorzien dat de Financier bepaalde diensten aan (…) Emissions Justice zou kunnen verrichten om zo Emissions Justice werk uit handen te kunnen nemen (…). In de praktijk blijkt deze dienstverlening beperkt tot het onderhouden van de website van Emissions Justice, het ondersteunen van de vervaardiging en verzending van nieuwsbrieven, het beschikbaar maken van een secretariaat en enkele andere ondersteunende activiteiten. Andere diensten heeft Emissions Justice welbewust elders ondergebracht (…). Voor zover bij de Financier betrokken partijen betrokken zijn geweest bij het werven of administreren van Belanghebbenden, rekent de Financier daar geen vergoeding voor, anders dan door haar gemaakte kosten voor ingeschakelde derden. Van nadere commerciële afspraken met de Financier of aan haar gelieerde partijen is geen sprake.
SDEJ heeft ten behoeve van de rechtbank verder een document overgelegd, getiteld “Budget Diesel Emissions Justice Foundation relating to Mercedes litigation”. Zij heeft daarbij gevoegd een e-mailbericht van 1 augustus 2023 van haar bestuurder [naam 1] aan een van haar advocaten dat, voor zover hier van belang, luidt:
Hierbij bevestig ik namens het Bestuur van Stichting Diesel Emissions Justice dat bijgaande opstelling (…) de juiste weergave is van de geldende budgetafspraken / commitments (‘het Budget’) inzake Mercedes zoals overeengekomen tussen de Funder en het Bestuur van de Stichting.
In de Car Claim-zaak
11.16.
Car Claim heeft (onder meer) bij akte in het geding gebracht een geredigeerd afschrift van een Litigation Funding Agreement (hierna: de Car Claim financieringsovereenkomst), gedateerd 5 januari 2022, tussen CF ND Car Ltd (hierna: CF ND Car), haarzelf en het kantoor van haar advocaat. Car Claim heeft hierbij bevestigd dat de overgelegde financieringsovereenkomst inclusief bijlagen alle tussen haar en CF ND Car gemaakte afspraken behelst met betrekking tot deze procedure tegen Mercedes en de Partners. Car Claim heeft ten behoeve van de rechtbank verder een Excel-bestand overgelegd, getiteld “Case Budget”.
In beide zaken
11.17.
Mercedes en de Partners hebben vervolgens op beide financieringsovereenkomsten gereageerd.
11.18.
Mercedes en de Partners voeren allereerst aan dat SDEJ en Car Claim commerciële claimorganisaties zijn, die niet het belang van de benadeelden maar het belang van hun procesfinancier en hun advocaat beogen te dienen. SDEJ en Car Claim zouden daarom niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Mercedes en de Partners baseren dit op de totstandkomingsgeschiedenis van SDEJ respectievelijk Car Claim, omdat volgens hen het initiatief is uitgegaan van advocaten die bovendien betrokken zijn bij (de oprichting van) de procesfinancier.
11.19.
De rechtbank acht niet van belang wie het initiatief heeft genomen om te komen tot oprichting van een belangenorganisatie, wanneer dat heeft plaatsgevonden en welke personen daarbij betrokken waren, maar of de belangenorganisatie zoals deze uiteindelijk vorm heeft gekregen in verhouding tot de procesfinancier en de voor haar werkzame advocaten voldoende onafhankelijk is en dus de belangen van de personen voor wie zij opkomt voldoende zijn gewaarborgd.
Dit zal hierna nader worden besproken.
Vergoeding voor SDEJ en Car Claim als het tot een schadevergoeding komt
SDEJ en Car Claim hebben in de deelnemingsovereenkomsten met hun deelnemers opgenomen dat zij (onder omstandigheden) recht hebben op een vergoeding voor de door hen gemaakte kosten (indien het hen niet lukt om de door hen gemaakte kosten onderdeel te maken van een schikking of een rechterlijk oordeel). SDEJ hanteert een vergoeding van maximaal 27,5%, dat is 2,5% procent meer dan Car Claim. De vergoeding die Car Claim maximaal in rekening brengt, is gelijk aan de bovengrens van de eerder in de rechtspraak aangenomen bandbreedte van 10% tot 25% (zie gerechtshof Amsterdam 13 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2422), zoals ook is opgenomen in de toelichting bij de Claimcode. De vergoeding voor SDEJ ligt daar zelfs boven. SDEJ heeft hiervoor desgevraagd een summiere uitleg gegeven. De rechtbank is er nog niet van overtuigd dat een percentage van 27,5% gerechtvaardigd is. Naarmate het percentage van de door een claimstichting in rekening te brengen vergoeding hoger is, kan het lastiger zijn een schikking te treffen. Dat is niet in het belang van de achterban van SDEJ. Bovendien is onduidelijk welke gedeelte van het percentage dat SDEJ en Car Claim op de eventuele schadevergoeding zullen inhouden, wordt gebruikt om de door hen gemaakte kosten te vergoeden. Op dit moment is dit echter nog geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring van SDEJ of Car Claim, omdat dit onderwerp pas ten volle aan de orde is bij het algemeen verbindend verklaren van een eventuele schikkingsovereenkomst in een WCAM-procedure (artikel 7:907-910 BW en 1013-1018a Rv). In een WCAM-procedure kan alsnog worden geoordeeld dat de belangen van de achterban van SDEJ en Car Claim om de hiervoor genoemde redenen onvoldoende gewaarborgd zijn. De rechtbank zal er in deze procedure, waarin de collectieve vorderingen van SDEJ en Car Claim vanwege de toepasselijkheid van het oude collectieve actierecht verklaringen voor recht betreffen en geen schadevergoeding in geld, geen gevolgen aan verbinden. De rechtbank geeft SDEJ wel in overweging haar vergoeding in lijn te brengen met de eerder in de rechtspraak aangenomen bandbreedte.
In de SDEJ-zaak
11.21.
Mercedes en de Partners wijzen erop dat de SDEJ-financieringsovereenkomst daags voor de mondelinge behandeling van 24 mei 2023 is gewijzigd. Dit gegeven is op zichzelf niet van belang, omdat, zoals hiervoor onder 6.3 is overwogen, de ontvankelijkheid ex nunc moet worden beoordeeld.
11.22.
Mercedes en de Partners voeren voorts aan dat SDEJ niet heeft bevestigd dat de door haar verstrekte stukken alle afspraken bevatten tussen SDEJ en haar procesfinancier. Naar de letter is dit verweer juist. Zoals hiervoor onder 11.15 is vermeld, heeft SDEJ – na een uiteenzetting over een mogelijke nadere samenwerking tussen haar en CJN – echter wel verklaard dat van nadere commerciële afspraken met haar procesfinancier of aan deze gelieerde partijen geen sprake is. De rechtbank acht deze verklaring voldoende duidelijk en begrijpt deze zo dat hiermee is verklaard dat de verstrekte stukken alle afspraken bevatten tussen SDEJ en CJN, zoals door de rechtbank gevraagd.
In beide zaken
11.23.
De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat SDEJ en Car Claim over voldoende middelen beschikken om de kosten van hun zaken te dragen.
In de SDEJ-zaak
11.24.
Bij een nadere beschouwing van de SDEJ-financieringsovereenkomst vallen enkele dingen op. Allereerst is CJN meer dan een passieve financier. Zij verleent ook diensten aan SDEJ. Deze enkele omstandigheid is echter in het kader van het waarborgvereiste geen struikelblok. De SDEJ-financieringsovereenkomst stelt verder voorop dat de beslissingsmacht betreffende de proces- en schikkingsstrategie exclusief bij SDEJ berust (artikel 2.1: “(…) The decision power regarding the litigation- and settlement strategy rests exclusively with the Foundation.” ). Onmiddellijk daarna, in artikel 2.2, volgt een informatie- en consultatieplicht van SDEJ jegens CJN. Deze in artikel 8 uitgewerkte informatie- en consultatieplicht is echter geclausuleerd: zij geldt slechts “to the extent possible and allowed”. Deze “extent” wordt allereerst bepaald door de vooropstelling in artikel 2.1. Mede in dit licht stuit het in artikel 5.1.1 tot uitdrukking gebrachte begrip van SDEJ voor de door CJN beoogde return on investment (en de toezegging van SDEJ om zich hiervan rekenschap te geven bij het aangaan van overeenkomsten met haar participanten en bij het openen van onderhandelingen en het aangaan van overeenkomsten met Mercedes en de Partners) niet op overwegende bezwaren. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bestuurder [naam 2] van CJN per 2 maart 2023 is teruggetreden als lid van de raad van toezicht van SDEJ.
11.25.
Mercedes en de Partners hebben er nog op gewezen dat SDEJ en CJN een Service Level Agreement, gedateerd 25 augustus 2021, zijn aangegaan met Litigo B.V. (hierna: Litigo) en dat de enige bestuurder van Litigo van 3 juni 2020 tot 14 oktober 2021 voorzitter van de raad van bestuur van SDEJ was. Volgens Mercedes en de Partners is de in deze overeenkomst opgenomen winstdeling in strijd met principe II van de Claimcode 2019 dat eraan in de weg staat dat “aan de belangenorganisatie rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen” een winstoogmerk hebben. SDEJ wijst hiertegenover op een uitvoerige bepaling in de overeenkomst met Litigo die erop neerkomt dat de winstdeling resultaatsafhankelijk is en niet ten koste gaat van de aanspraken van de personen voor wie zij in deze zaak opkomt. Bij deze lezing volgt de rechtbank Mercedes en de Partners niet in hun bezwaren.
11.26.
Al met al doorstaat SDEJ de toets aan het waarborgvereiste.
11.27.
Bij afwezigheid van voldoende zwaarwegende belangen wijst de rechtbank het verzoek van SDEJ om het vonnis gedeeltelijk niet te publiceren af.
In de Car Claim- zaak
11.28.
De rechtbank overweegt als volgt.
a. Volgens artikel 22 lid 3 Rv kan de rechter uit de niet gerechtvaardigde weigering van een partij de gevraagde bescheiden volledig over te leggen de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
b. Car Claim stelt dat haar financieringsovereenkomst met CF ND Car bedrijfsgeheimen bevat en heeft op die grond bepaalde onderdelen van het in het geding gebrachte afschrift van deze overeenkomst onleesbaar gemaakt voor zowel de rechtbank als Mercedes en de Partners. Verder heeft zij het budget alleen aan de rechtbank verstrekt en niet aan Mercedes en de Partners. Dat laatste is overeenkomstig de instructies van de rechtbank, het eerste niet. Te beoordelen is of deze beperking van de kennisname gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft daarover al op voorhand beslist, door uitdrukkelijk de instructie te geven dat de financieringsovereenkomst verstrekt dient te worden zonder dat daarin passages onleesbaar zijn gemaakt. De rechtbank blijft bij die beslissing. Het argument dat het hier gaat om bedrijfsgeheimen wordt verworpen. In de eerste plaats valt niet in te zien welke geldswaarde het kennen van de details van de afspraken tussen Car Claim en haar procesfinancier zou vertegenwoordigen. Daar komt bij dat het in de rechtspraktijk eerder is gebeurd dat de rechter inzage wenste in de tussen belangenorganisatie en procesfinancier gemaakte afspraken. Deze zaak is begonnen als procedure onder de WAMCA; Car Claim en haar financier hadden er ook daarom rekening mee moeten houden dat de rechter de financieringsovereenkomst zou opvragen teneinde te kunnen nagaan of Car Claim beschikt over voldoende middelen om de procedure te voeren en of haar positie tegenover de procesfinancier voldoende onafhankelijk is. De omstandigheid dat de procedure onder het oude recht inzake collectieve acties wordt voortgezet maakt dat niet anders, omdat ook onder oud recht moet worden onderzocht of is voldaan aan het waarborgvereiste van artikel 3:305a lid 2 (oud) BW en dus ook of de belangenorganisatie voldoende onafhankelijk is.
c. Uit de financieringsovereenkomst blijkt dat Car Claim en CF ND Car zelf al rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat de rechtbank de financieringsovereenkomst zou opvragen:
16.3
Each party agrees not to disclose any Confidential Information to a third party unless:
(…)
( d) the disclosure is required by law (including by an order of a court of competent jurisdiction) or by the regulations of any government or government agency having jurisdiction over the party concerned;
d. Als uit de financieringsovereenkomst blijkt dat de belangenorganisatie niet een voldoende onafhankelijke positie heeft ten opzichte van de procesfinancier leidt dat tot niet-ontvankelijkheid van de belangenorganisatie. Dat betekent dat als de overeenkomst gedeeltelijk onleesbaar is gemaakt, waardoor deze niet volledig kan worden getoetst, uitgangspunt is dat de onleesbaar gemaakte passages afspraken kunnen bevatten die aan de onafhankelijkheid van de belangenorganisatie afbreuk doen. Het meest voor de hand liggende gevolg is daarom de niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank zal dat gevolg nu nog niet aan de weigering verbinden. Uit artikel 17.6 blijkt de intentie Car Claim een voldoende onafhankelijke positie te geven ten opzichte van haar financier. Deze bepaling luidt namelijk als volgt:
17.6
The Action
The Parties recognise that the Law Firm must at all times comply with its duties under the Advocatenwet and the Gedragsregels Advocatuur to act independently and in the best interests of the Foundation and in accordance with its professional duties. The Parties also recognise that, in accordance with Claim Code 2019, nothing in this Agreement entitles the Funder to attempt to and/or to control the conduct by the Law Firm and/or the Foundation of the Action and/or the Proceedings.
To pursue the Action, the Foundation will:
( i) comply with the Code of Civil Procedure, all Orders and the Claim Code 2019 (unless there is a justifiable reason for deviation from the Claim Code 2019);
(ii) instruct the Law Firm to conduct the Action in compliance with the Code of Civil Procedure and any Judgment, Order or award made in the Proceedings;
(iii) act fairly and adequately in the interests of the Class Members at all times;
(iv) immediately make the Law Firm and the Funder aware of any issue which may compromise the Foundation’s obligations to the Class Members, in accordance with the Claim Code 2019;
( v) co-operate fully and at all times throughout the Action with, and promptly provide such instructions and assistance to, the Law Firm as it may require for pursuing the Action;
(vi) act with the utmost good faith in all its dealings with the Funder and the Law Firm;
(vii) comply with the terms of this Agreement;
(viii) prosecute the Action diligently;
(ix) to the extent this will not result in any infringement of its obligations under the Claim Code 2019, comply with the reasonable advice of the Law Firm and assist its conduct of the Action, including without limitation whether it would be appropriate to make or accept any offer to settle the Action;
e. Gezien de uit deze bepaling sprekende intentie en gezien het feit dat dit een van de eerste keren is dat financieringsovereenkomsten worden getoetst, zal de rechtbank Car Claim de gelegenheid geven alsnog volledig te voldoen aan de eerder gegeven instructies (waaronder het verstrekken van de financieringsovereenkomst zonder onleesbaar gemaakte gedeelten, behoudens het budget). Tevens zal de rechtbank Car Claim de gelegenheid geven de hierna nog te bespreken onderdelen van de financieringsovereenkomst die (mogelijk) in tegenspraak zijn met het hierboven aangehaalde in overleg met CF ND Car uit de financieringsovereenkomst te schrappen, althans zodanig te wijzigen dat de bezwaren van de rechtbank worden ondervangen. Car Claim zal in de gelegenheid worden gesteld de rechtbank te laten weten of zij met CF ND Car een dergelijke wijziging van de financieringsovereenkomst is overeengekomen en om die wijziging bij akte in het geding te brengen.
f. De hiervoor onder e bedoelde onderdelen van de Car Claim-financieringsovereenkomst waartegen bezwaren bestaan, zijn de volgende.
Artikel 14.3. De onafhankelijkheid van de belangenorganisatie jegens de procesfinancier brengt mee dat in de financieringsovereenkomst geen bepalingen mogen worden opgenomen die de vrijheid van de belangenorganisatie om van het advies van haar advocaat af te wijken beperken.
Artikel 18.1. De onafhankelijkheid van de belangenorganisatie jegens de procesfinancier brengt mee dat in de financieringsovereenkomst geen bepalingen mogen worden opgenomen die de vrijheid van de belangenorganisatie om haar advocaat te kiezen en waar nodig te vervangen beperken.
Artikel 20. Deze bepaling beperkt de vrijheid van de “Autobezitter” die de indruk krijgt dat zijn belangen onvoldoende worden behartigd om over te stappen naar een andere belangenorganisatie waarin hij meer vertrouwen heeft. Daarom is deze bepaling in strijd met het waarborgvereiste van artikel 3:305a lid 2 (oud) BW.
g. Omdat de rechtbank de weigering om de volledige financieringsovereenkomst over te leggen (behoudens het budget) niet gerechtvaardigd acht, is er ook geen grond voor een mededelingsverbod als bedoeld in artikel 28 Rv, 1019ib lid 1 en 22a lid 3 Rv.
h. Car Claim heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om tussentijds hoger beroep open te stellen. De voorwaarden houden in dat de rechtbank (a) oordeelt dat op basis van de door Car Claim bij haar akte van 2 augustus 2023 aan de rechtbank verstrekte informatie niet wordt vastgesteld dat Car Claim aan de financieringsvereisten voldoet; en (b) beslist om de beoordeling van de onleesbaar gemaakte delen van de Car Claim financieringsovereenkomst niet aan een andere kamer van de rechtbank voor te leggen; en (c) het bevel aan Car Claim tot overlegging van haar integrale financieringsovereenkomst aan Mercedes en de Partners zoals neergelegd in het tussenvonnis van 7 juni 2023 onverkort handhaaft en oordeelt dat de gewichtige redenen van Car Claim afwijking van dat bevel niet rechtvaardigen (artikel 22 lid 2 Rv). Deze voorwaarden zijn vervuld. Mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, ziet de rechtbank echter in hetgeen Car Claim naar voren heeft gebracht geen aanleiding om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen de hiervoor onder a tot en met g genomen beslissingen. De rechtbank wijst het verzoek van Car Claim daarom af.
11.29.
De zaak zal worden verwezen naar de rol opdat Car Claim de hiervoor onder 11.28 onder e bedoelde akte kan indienen. Vervolgens zullen Mercedes en de Partners in de gelegenheid worden gesteld om zich hierover bij antwoordakte uit te laten. Daarna zal over de ontvankelijkheid van Car Claim worden beslist. De rechtbank merkt op dat indien in de tot op heden onleesbaar gemaakte passages bepalingen voorkomen die afbreuk doen aan de onafhankelijke positie van Car Claim jegens haar procesfinancier of anderszins in strijd zijn met het waarborgvereiste, niet nogmaals een herstelmogelijkheid zal worden geboden en dat die bepalingen in dat geval tot niet-ontvankelijkheid van Car Claim zullen leiden.
12. Ontvankelijkheid – overlegvereiste
In beide zaken
12.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 3:305a lid 2, eerste volzin, (oud) BW is een partij die een collectieve actie begint niet ontvankelijk indien deze partij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de gedaagde(n) te bereiken. Een termijn van twee weken na de ontvangst door de gedaagde van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde is volgens lid 2 van artikel 3:305a (oud) BW in elk geval voldoende.
12.2.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het doel van het overlegvereiste kort gezegd is te voorkomen dat een gedaagde rauwelijks wordt gedagvaard en te bevorderen dat partijen zelf tot een oplossing komen.
In de SDEJ-zaak
12.3.
Bij de hiervoor onder 2.7 geciteerde brief van 20 mei 2020 heeft SDEJ Mercedes en de Partners uitgenodigd voor het in artikel 3:305a lid 2, eerste volzin, (oud) BW bedoelde overleg. Gesteld noch gebleken is dat deze brief de geadresseerden niet heeft bereikt. Zij hebben daarop echter niet gereageerd, met uitzondering van Baan Hengelo B.V. (oorspronkelijk gedaagde 13). SDEJ heeft naar aanleiding van deze reactie de vordering tegen deze oorspronkelijke gedaagde ingetrokken. Ten aanzien van de overige gedaagden heeft SDEJ de in artikel 3:305a lid 2, eerste volzin, (oud) bepaalde termijn van twee weken in acht genomen.
12.4.
SDEJ heeft dus aan het overlegvereiste voldaan.
In de Car Claim-zaak
12.5.
Bij de hiervoor onder 2.10 geciteerde brief van 18 augustus 2020 heeft Mercedes-Benz Group AG afwijzend gereageerd op de uitnodiging tot overleg van Car Claim. Mercedes-Benz Nederland B.V. heeft op die uitnodiging niet gereageerd. Ten aanzien van deze gedaagden heeft Car Claim de termijn van twee weken in acht genomen. Met de toestemming van de toenmalige advocaat van de Partners om het voor hen bestemde exploot van dagvaarding aan haar kantoor te doen is de weg naar overleg met de Partners afgesloten.
12.6.
Car Claim heeft dus aan het overlegvereiste voldaan.
Conclusie ontvankelijkheid SDEJ en Car Claim 12.7. Uit het voorafgaande volgt dat SDEJ ontvankelijk is in haar vorderingen, behoudens voor zover dat voor bepaalde vorderingen in de rechtsoverwegingen 10.6.13-10.6.28 anders is beslist. Over de ontvankelijkheid van Car Claim kan nog niet worden beslist.
13. Het toepasselijk recht
In beide zaken
13.1.
In het tussenvonnis van 22 juni 2022, onder 6.38, is opgemerkt dat de vraag naar het toepasselijk recht in het bijzonder de verhouding tussen de NL Kopers en Mercedes-Benz Group AG betreft. De woorden “in het bijzonder” kunnen thans worden vervangen door “uitsluitend”. SDEJ en Car Claim leggen aan hun desbetreffende vorderingen, kort gezegd, ten grondslag dat Mercedes-Benz Group AG onrechtmatig heeft gehandeld jegens de NL Kopers.
13.2.
Het toepasselijke recht op een gestelde onrechtmatige daad moet worden bepaald aan de hand van Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‘Verordening Rome II’). Het staat de rechter vrij om bij de uitleg van in de Verordening Rome II gehanteerde begrippen gebruik te maken van het begrippenstelsel van de Verordening Brussel I-bis en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
13.3.
Op grond van artikel 4 lid 1 Verordening Rome II is het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing.
13.4.
Het HvJ EU heeft in zijn uitspraak van 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:534 (Verein für Konsumenteninformation/Volkswagen) voor recht verklaard dat artikel 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer voertuigen door de fabrikant ervan in een lidstaat op onrechtmatige wijze zijn voorzien van software die de emissiegegevens manipuleert alvorens deze voertuigen bij een derde in een andere lidstaat worden gekocht, de plaats waar de schade intreedt zich in deze laatste lidstaat bevindt. Daarmee is dus de plaats waar het voertuig is gekocht de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Hieruit volgt dat de plaats waar de gestelde schade van belanghebbenden wier voertuig in Nederland is gekocht, Nederland is. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen tegen Mercedes-Benz Group AG waar deze collectieve acties (mede) op zien.
13.5.
Naar analogie met het voorgaande geldt dit naar het oordeel van de rechtbank ook voor de tegen Mercedes-Benz Group AG ingestelde vorderingen ten behoeve van Nederlandse belanghebbenden die hun voertuig in Nederland hebben geleased.
13.6.
Het beroep van Mercedes op artikel 4 lid 3 Rome II met het oog op in Duitsland wonende NL Kopers is niet langer relevant.
14. Faillissement Cor Millenaar B.V.
In beide zaken
14.1.
Bij het tussenvonnis van 7 juni 2023 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen voor elk van beide zaken van het op 14 maart 2023 uitgesproken faillissement van Cor Millenaar B.V. (gedaagde 15).
14.2.
Alleen de Partners hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Met verwijzing naar artikel 29 Faillissementswet verzoeken zij de rechtbank om de procedures tegen Cor Millenaar B.V. als van rechtswege geschorst te beschouwen.
14.3.
De rechtbank overweegt dat de artikelen 25 tot en met 29 Faillissementswet (Fw) de gevolgen regelen van de faillietverklaring voor door of tegen de schuldenaar ingestelde rechtsvorderingen. Het oordeel van 22 juni 2022 dat artikel 3:305a (oud) BW op de SDEJ-zaak en de Car Claim zaak van toepassing zijn, betekent dat in deze zaken niet langer vorderingen aan de orde zijn die rechtstreeks voldoening uit de boedel ten doel hebben. SDEJ en Car Claim kunnen in deze zaken niet meer bewerkstelligen dan een vonnis dat ieder van de belanghebbenden mogelijk kan gebruiken bij het uitoefenen van geldelijke aanspraken tegen onder andere Cor Millenaar B.V. Artikel 29 Fw is niet van toepassing, net zo min als artikel 26 Fw. Wel van toepassing is artikel 28 Fw. Nu vooralsnog geen stappen zijn gezet als in dat artikel bedoeld, worden de zaken tegen Cor Millenaar B.V. vooralsnog voortgezet.
15. Tot slot
In beide zaken
15.1.
De vraag naar de ontvankelijkheid van Car Claim is vooralsnog niet beantwoord. Er is echter aanleiding om kort stil te staan bij de situatie die ontstaat wanneer ook Car Claim ontvankelijk wordt bevonden.
15.2.
Allereerst rijst de vraag naar noodzaak en nut van het naast elkaar voortzetten van twee grotendeels overeenstemmende zaken. Nu SDEJ en Car Claim ieder een eigen achterban hebben, is het voortzetten van de SDEJ-zaak respectievelijk de Car Claim zaak rechtens vooralsnog aanvaardbaar. Wel wordt van SDEJ en Car Claim verwacht dat zij onderling zullen overleggen over de doelmatigheid en hanteerbaarheid van voortzetting van beide zaken, gelet op de belangen van de personen voor wie zij opkomen maar ook op de belangen van Mercedes en de Partners. SDEJ en Car Claim hebben zich daartoe al bereid verklaard
15.3.
In elk geval zal de rechtbank de Car Claim-zaak op de voet van artikel 222 lid 1 Rv ambtshalve voegen met de SDEJ-zaak. Partijen hebben hiertegen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling geen bezwaar gemaakt.
15.4.
De Car Claim- zaak zal nu naar de rol worden verwezen voor het nemen van
een akte van Car Claim als bedoeld onder 11.28 en 11.29. Daarop mogen Mercedes en de Partners vier weken daarna reageren. De aktes mogen uitsluitend betrekking hebben op het bepaalde in 11.28 en 11.29 en de inhoud van de aktes mag niet meer dan vijf pagina’s beslaan. Daarna zal de rechtbank beslissen over de ontvankelijkheid van Car Claim. In de SDEJ-zaak zal in afwachting van de aktewisseling in de Car Claim-zaak niet worden voortgeprocedeerd. Deze zaak zal naar de rol worden verwezen voor beslissing voortprocederen.
15.5.
Vervolgens zullen de SDEJ-zaak en Car Claim-zaak – afhankelijk van het oordeel over de ontvankelijkheid – naar de rol worden verwezen, voor een akte van Mercedes als bedoeld in 10.6.10. Daarop mogen SDEJ en (mogelijk) Car Claim reageren. In hun akte kunnen zij zich ook uitlaten over hetgeen onder 15.2 is overwogen en ingaan op ontwikkelingen die zich vanaf de dagvaarding hebben voorgedaan en hun stellingen en zo nodig hun vorderingen daaraan aanpassen. Als Car Claim niet ontvankelijk wordt verklaard, is hetgeen onder 15.2 is overwogen niet langer relevant en zal alleen SDEJ zich mogen uitlaten op de wijze zoals in de vorige zin genoemd.
Vervolgens zullen de zaken (c.q. zal de zaak) naar een volgende rol worden verwezen voor conclusies van antwoord van Mercedes respectievelijk de Partners. Niet uitgesloten is dat de rechtbank op enig moment nadere beslissingen zal nemen over het procesverloop, bijvoorbeeld in verband met de bezwaar- en beroepsprocedures van Mercedes-Benz Group AG tegen de beslissingen van het KBA.
Rechterswissel
15.6.
Mr. Broesterhuizen zal na dit vonnis niet langer deel uitmaken van de combinatie die deze zaak behandelt, omdat zij elders in de rechtspraak werkzaam is. Mr. N.C.H. Blankevoort zal haar vervangen.
16. De beslissing
De rechtbank:
in de Car Claim-zaak
16.1.
verwijst de zaak naar de rol van 21 februari 2024 voor akte aan de zijde van Car Claim als bedoeld in rechtsoverwegingen 11.28 en 11.29, daarna antwoordakte van Mercedes en de Partners;
in de SDEJ-zaak
16.2.
verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2024 voor beslissing over voortprocederen;
in beide zaken
16.3.
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2024.
Uitspraak 10‑01‑2024
Inhoudsindicatie
WAMCA-zaak. Tussenvonnis, met onder meer aanwijzing exclusieve belangenbehartigers.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer C/13/702849 / HA ZA 21-526, zaaknummer / rolnummer C/13/706680 / HA ZA 21-789 en zaaknummer / rolnummer C/13/706842 / HA ZA 21-794
Vonnis van 10 januari 2024
in de zaak 702849 / HA ZA 21-526 van
de stichting
STICHTING ONDERZOEK MARKTINFORMATIE,
gevestigd te Badhoevedorp,
e i s e r e s,
advocaat mr. D.M. Linders te Amsterdam,
tegen
de rechtspersoon naar Iers recht
TIKTOK TECHNOLOGY LIMITED,
gevestigd te Dublin, Ierland,
g e d a a g d e,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
in de zaak 706680 / HA ZA 21-789 van
de stichting
STICHTING TAKE BACK YOUR PRIVACY.
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s op de voet van artikel 1018d Rv,
advocaat mr. G.J.M. Verburg te Amsterdam,
tegen
1. de rechtspersoon naar Iers recht
TIKTOK TECHNOLOGY LIMITED,
gevestigd te Dublin, Ierland,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
2. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk
TIKTOK INFORMATION TECHNOLOGIES UK LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
3. de rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika
TIKTOK INC.,
gevestigd te Culver City, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
4. de rechtspersoon naar het recht van de Republiek Singapore
TIKTOK PTE. LIMITED,
gevestigd te Singapore, Republiek Singapore,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
5. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaimaneilanden
BYTEDANCE LTD.,
gevestigd te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
6. de rechtspersoon naar het recht van de Volksrepubliek China
BEIJING BYTEDANCE TECHNOLOGY CO. LTD.,
gevestigd te Beijing, China,
niet verschenen,
g e d a a g d e n,
en
in de zaak 706842 / HA ZA 21-794 van
de stichting
STICHTING MASSASCHADE & CONSUMENT,
gevestigd te Oegstgeest,
e i s e r e s op de voet van artikel 1018d Rv,
advocaat mr. C.A. Alberdingk Thijm te Amsterdam,
tegen
1. de rechtspersoon naar Iers recht
TIKTOK TECHNOLOGY LIMITED,
gevestigd te Dublin, Ierland,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
2. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk
TIKTOK INFORMATION TECHNOLOGIES UK LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
3. de rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika
TIKTOK INC.,
gevestigd te Culver City, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
4. de rechtspersoon naar het recht van de Republiek Singapore
TIKTOK PTE. LIMITED,
gevestigd te Singapore, Republiek Singapore,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
5. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaimaneilanden
BYTEDANCE LTD.,
gevestigd te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
6. de rechtspersoon naar het recht van de Volksrepubliek China
BEIJING BYTEDANCE TECHNOLOGY CO. LTD.,
gevestigd te Beijing, China,
niet verschenen,
7. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaimaneilanden
TIKTOK LTD.,
gevestigd te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,
advocaat mr. G.H. Potjewijd te Amsterdam,
g e d a a g d e n.
Eiseressen worden hierna aangeduid als SOMI, STBYP en SMC en tezamen ook als de stichtingen.
Gedaagden worden hierna aangeduid als TikTok Ierland, TikTok UK, TikTok Inc, TikTok Pte, Bytedance, Beijing Bytedance en TikTok Ltd. De verschenen gedaagden worden samen aangeduid als TikTok c.s.; de verschenen gedaagden en de niet-verschenen gedaagde worden samen aangeduid als de TikTok-gedaagden.
1. De procedure
1.1.
Bij het tussenvonnis van 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6694 (hierna: het tussenvonnis) is de zaak verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van STBYP en SMC over, kort gezegd, hun procesfinancieringsovereenkomsten. Daarbij is vermeld dat daarna alle partijen (voor zover gewenst) een antwoordakte kunnen nemen.
1.2.
Vervolgens zijn ingediend:
- de akte overlegging productie, met een productie, van STBYP;
- de akte overlegging producties, met producties, van SMC;
- de antwoordakte na akte overlegging productie, van TikTok c.s.;
- de antwoordakte uitlating producties, van SOMI.
STBYP en SMC hebben afgezien van de mogelijkheid om een antwoordakte te nemen.
1.3.
Bij e-mailbericht van 27 november 2023 heeft de griffier, voor zover hier van belang, aan de advocaten geschreven:
Naar aanleiding van de brief van de zijde van STBYP, de brief van de zijde van SMC, de brief van de zijde van SOMI en het e-mailbericht van de zijde van TikTok c.s., alle van 23 november jl., deelt de rechtbank u het volgende mede.
Bij het tussenvonnis van 25 oktober jl. zijn STBYP en SMC, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld om hun financieringsovereenkomsten te wijzigen en de gewijzigde financieringsovereenkomsten in het geding te brengen. Daaraan is toegevoegd: “Vervolgens zullen de overige partijen zich hierover desgewenst kunnen uitlaten en zal over de ontvankelijkheid van STBYP en SMC worden beslist” (rechtsoverweging 2.72).
Ieder van STBYP en SMC heeft vervolgens een gewijzigde financieringsovereenkomst in het geding gebracht. Voor zover TikTok c.s. en SOMI in hun antwoordakten ingaan op andere onderwerpen dan de gewijzigde financieringsovereenkomsten zijn deze antwoordakten buiten de orde en zal de rechtbank deze buiten beschouwing laten.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Overzicht van dit vonnis
1.5.
In het tussenvonnis zijn twee stichtingen in de gelegenheid gesteld de met hun procesfinancier gesloten overeenkomst aan te passen. Dat hebben zij gedaan. De rechtbank verklaart alle drie de stichtingen ontvankelijk en wijst STBYP aan als exclusieve belangenbehartiger voor minderjarigen en SMC als exclusieve belangenbehartiger voor meerderjarigen. Ook stelt de rechtbank in dit vonnis vast wat de vorderingen inhouden en wie tot de nauw omschreven groepen van belanghebbenden behoren.De volgende stap zal zijn dat de stichtingen en TikTok c.s. desgewenst de gelegenheid krijgen over een schikking te onderhandelen en dat belanghebbenden de gelegenheid krijgen om te verklaren dat zij niet mee willen doen met de collectieve actie (‘opt-out’) of (maar dat geldt alleen voor belanghebbenden die op 9 november 2022 verblijfplaats hadden in Nederland maar nu elders verblijven) dat zij juist wel mee willen doen (‘opt-in’).Nadat de stichtingen gelegenheid hebben gekregen de gronden van de collectieve vordering aan te vullen en TikTok c.s. een conclusie van antwoord hebben genomen, zal de zaak inhoudelijk behandeld worden.
2. De verdere beoordeling
Inleiding
2.1.
In het tussenvonnis, onder 2.5, is een marsroute opgenomen. De onderdelen I (Initiële ontvankelijkheidseisen WAMCA), II (Inleiding AVG), III (Verhouding tussen AVG en WAMCA), IV (Nadere introductie van de stichtingen), VI (Ontvankelijkheidseisen AVG), IX (Lastgeving en volmacht) en X (Het toepasselijk recht) zijn afgehandeld. Van onderdeel V (WAMCA: artikel 1018c lid 5 Rv) is alleen subonderdeel V.1.3.2.3 (Voldoende middelen en zeggenschap) nog niet volledig afgehandeld, namelijk voor zover het STBYP en SMC betreft. Bij dit laatste wordt hier de draad weer opgepakt.
V.1.3.2.3. Voldoende middelen en zeggenschap
2.2.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat enkele bepalingen uit de STBYP-financieringsovereenkomst en enkele bepalingen uit de SMC-financieringsovereenkomst zich niet laten verenigen met het vereiste dat de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de belangenorganisatie ligt.
2.3.
STBYP heeft bij haar akte in het geding gebracht een (tweede) amendment, gedateerd 1 november 2023, van haar financieringsovereenkomst. Volgens dit met ingang van 3 november 2023 in werking getreden amendment zijn de door de rechtbank bedoelde bepalingen uit de STBYP-financieringsovereenkomst niet meer van toepassing en zullen deze niet door andere bepalingen worden vervangen.
2.4.
SMC heeft bij haar akte in het geding gebracht een Amended and Restated Agreement, gedateerd 6 november 2023, waarin de door de rechtbank bedoelde bepalingen uit de SMC-financieringsovereenkomst zijn geschrapt respectievelijk gewijzigd.
2.5.
SOMI constateert dat de, wat zij noemt, problematische bepalingen uit de financieringsovereenkomsten zijn geschrapt dan wel gewijzigd. Zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontvankelijkheid van STBYP en SMC.
2.6.
TikTok c.s. voeren aan dat niets eraan in de weg staat dat STBYP en SMC hun financieringsovereenkomsten later nog eens wijzigen. Om te verzekeren dat ook in het verdere verloop van deze procedure aan het waarborgvereiste wordt voldaan, verzoeken TikTok c.s. de rechtbank (i) te bevelen dat STBYP en SMC de rechtbank en TikTok c.s. onverwijld informeren over wijzigingen van hun financieringsafspraken en dat zij daarbij de aangepaste financieringsafspraken aan de rechtbank en TikTok c.s. overleggen, en (ii) de dan geldende financieringsafspraken opnieuw te beoordelen in het geval van een toekomstige goedkeuring van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 1018h lid 1 Rv of een voorstel voor een collectieve schadeafwikkeling als bedoeld in artikel 1018i Rv.
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt.
In het tussenvonnis, onder 2.36, is reeds overwogen dat met betrekking tot artikel 1018c lid 5 onder a Rv voor alle belangenorganisaties hetzelfde toetsingsmoment geldt, te weten het moment waarop de rechter op basis van het tot dan toe gevoerde debat de in deze bepaling bedoelde ontvankelijkheidsbeslissing neemt. Daaraan is toegevoegd dat deze uitleg het mogelijk maakt om rekening te houden met de actuele stand van zaken, zodat de beslissing het meest recht doet aan de materiële werkelijkheid.
In het tussenvonnis, onder 2.69.2 en 2.70.4, is reeds geoordeeld dat STBYP respectievelijk SMC over voldoende middelen beschikt om de kosten van haar zaak te dragen.
Met de laatste versies van de financieringsovereenkomsten is de rechtbank van oordeel dat de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij STBYP respectievelijk SMC ligt.
Het hiervoor onder 2.6 onder (i) vermelde, door TikTok c.s. bepleite bevel vindt geen steun in het recht. De rechtbank moet op het daartoe aangewezen moment beslissen over de ontvankelijkheid van STBYP en SMC, en wel ex nunc op basis van de haar dan ter beschikking staande gegevens. De rechtbank houdt geen doorlopend toezicht op de nakoming van in dit verband gestelde vereisten (hier: het waarborgvereiste). Indien en voor zover de financieringsovereenkomsten een rol spelen bij in het vervolg van de procedure te nemen beslissingen zal de rechtbank daarop te gelegener tijd terugkomen.
Al met al geldt het in het tussenvonnis, onder 2.97, ten aanzien van STBYP en SMC gemaakte voorbehoud niet meer.
VII. Afsluiting ontvankelijkheidstoetsing
2.8.
SOMI, STBYP en SMC zijn ontvankelijk. SMC is niet-ontvankelijk in haar tegen TikTok Pte en Beijing Bytedance ingestelde vorderingen. SOMI, STBYP en SMC zijn niet-ontvankelijk in de door hen ingestelde vorderingen tot vergoeding van immateriële schade. Alle TikTok-gedaagden blijven partij in deze procedure. Zie voor dit alles het tussenvonnis, onder 2.97 en 2.98.
VIII. WAMCA: artikel 1018e Rv
2.9.
Artikel 1018e Rv luidt:
1. De rechter wijst uit de eisers die overeenkomstig artikel 1018c of 1018d een collectieve vordering hebben ingesteld en voldoen aan de eisen voor ontvankelijkheid van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de meest geschikte eiser aan als exclusieve belangenbehartiger, waarbij hij de volgende omstandigheden in aanmerking neemt:
a. de omvang van de groep personen voor wie de eiser opkomt;
b. de grootte van het door deze groep vertegenwoordigde financiële belang;
c. andere werkzaamheden die de eiser verricht voor de personen voor wie hij opkomt in of buiten rechte;
d. eerdere door de eiser verrichte werkzaamheden of ingestelde collectieve vorderingen.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
2. De rechter beoordeelt daarnaast wat de collectieve vordering precies inhoudt, voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt en of de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht.
3. De eiser die als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, treedt in deze procedure op voor de belangen van alle personen in de nauw omschreven groep, bedoeld in het tweede lid, en als vertegenwoordiger van de niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers. De niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers blijven partij in de procedure. De exclusieve belangenbehartiger verricht de proceshandelingen. De rechter kan bepalen dat ook de niet aangewezen eisers proceshandelingen mogen verrichten.
4. Als de aard van de collectieve vordering of van de eisers of de belangen van de personen voor wie zij opkomen daartoe aanleiding geven, kan de rechter ervoor kiezen om verschillende exclusieve belangenbehartigers in een collectieve actie aan te wijzen.
5. De uitspraak ingevolge dit artikel wordt door de exclusieve belangenbehartiger aangetekend in het in artikel 1018c, tweede lid, bedoelde register.
2.10.
Mede gelet op de uitkomsten van de ontvankelijkheidstoetsing moet de rechtbank dus (i) een exclusieve belangenbehartiger aanwijzen (lid 1), (ii) beoordelen wat de collectieve vordering precies inhoudt (lid 2), (iii) beoordelen voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt (lid 2) en (iv) beoordelen of de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht (lid 2) .
VIII.1. De exclusieve belangenbehartiger(s)
2.11.
Ieder van de stichtingen vordert aanwijzing van haarzelf als exclusieve belangenbehartiger. In de in het tussenvonnis, onder 1.3, bedoelde akten hebben de stichtingen zich hierover nader uitgelaten.
2.12.
TikTok c.s. hebben zich niet uitgelaten over de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger. Zij voeren aan dat zij in de gelegenheid moeten worden gesteld om dit alsnog te doen. De rechtbank volgt TikTok c.s. hierin niet. De in de rolbeslissing van 23 februari 2022 neergelegde procesorde voorziet onder meer in een tweede fase, waarin TikTok c.s. in de gelegenheid worden gesteld om een conclusie te nemen: niet alleen over de ontvankelijkheid, maar ook over het toepasselijk recht en de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger. Deze procesorde is vastgesteld nadat partijen, onder wie TikTok c.s., met het oog hierop zijn gehoord en met inachtneming van hetgeen zij in dit verband naar voren hebben gebracht. In het tussenvonnis van 9 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6488, is de zaak verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van TikTok c.s. over onder meer de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger. Als TikTok c.s. zich over de aanwijzing van een exclusieve belangenbehartiger hadden willen uitlaten, hadden zij dit in de met dit tussenvonnis af te sluiten tweede fase moeten doen. Dit hebben zij niet gedaan.
2.13.
De rechtbank overweegt als volgt.
a. De vier in artikel 1018e lid 1 Rv vermelde omstandigheden zijn niet limitatief, zoals blijkt uit deze passage uit de Memorie van Toelichting bij de WAMCA:
De onderdelen a tot en met e (d; rechtbank) van lid 1 bevatten de omstandigheden die de rechter (…) in aanmerking neemt. Ze geven de rechter een handvat om tot een oordeel te komen.
Een handvat is een aanwijzing, een handreiking; een handvat is bovendien niet het handvat.
b. In de Memorie van Toelichting staat ook:
Het is aan de rechter om te beoordelen welke waarde hij in een concreet geval toekent aan elk van de omstandigheden a tot en met d. Wel moet de rechter zijn keuze motiveren in de uitspraak.
c. De rechtbank heeft, naast de vier in artikel 1018e lid 1 Rv vermelde omstandigheden, in aanmerking genomen: eigen kennis van en ervaring met wet- en regelgeving op het gebied van gegevensbescherming; andere werkzaamheden voor de personen voor wie de stichtingen opkomen; steun vanuit maatschappelijke organisaties; financiering; onafhankelijkheid; specialistische kennis en ervaring van de advocaten; kennis van en ervaring met de WAMCA.
d. Mede gelet op artikel 1018e lid 4 Rv komt de rechtbank op deze wijze tot aanwijzing van STBYP als exclusieve belangenbehartiger van, kort gezegd, minderjarigen en tot aanwijzing van SMC als exclusieve belangenbehartiger van, kort gezegd, meerderjarigen.
e. In het voordeel van STBYP wegen in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden:
- de binnen STBYP aanwezige kennis van en ervaring met wet- en regelgeving op het gebied van gegevensbescherming, gelet op de leden van de raad van bestuur en de raad van toezicht;
- de omvang van de (Nederlandse) achterban van STBYP;
- de samenwerking van STBYP met de Consumentenbond;
- de steun van andere maatschappelijke organisaties voor STBYP en haar collectieve vordering tegen de TikTok-gedaagden.
f. In het voordeel van SMC wegen in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden:
- SMC komt als enige op voor de meerderjarigen;
- de binnen SMC aanwezige kennis van en ervaring met wet- en regelgeving op het gebied van gegevensbescherming, gelet op de leden van het bestuur en de raad van toezicht;
- de omvang van de (Nederlandse) achterban van SMC.
2.14.
Op grond van artikel 1018e lid 3 Rv treedt STBYP in het vervolg van deze procedure op als vertegenwoordiger van SOMI en SMC, voor zover het minderjarigen betreft. SOMI en SMC blijven partij in de procedure, voor zover het minderjarigen betreft. STBYP verricht de proceshandelingen. De rechtbank ziet in dit stadium van de procedure geen aanleiding om te bepalen dat ook SOMI en SMC proceshandelingen mogen verrichten met betrekking tot minderjarigen. Binnen deze grenzen mogen SOMI en SMC wel deelnemen aan zittingen, voor zover het minderjarigen betreft.
2.15.
SMC treedt als exclusieve behartiger van de belangen van meerderjarigen niet op als vertegenwoordiger van SOMI en STBYP. SOMI en STBYP hebben nimmer willen opkomen voor de belangen van meerderjarigen.
2.16.
Als exclusieve belangenbehartigers dienen STBYP en SMC hun processtukken zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Waar de positie van minderjarigen overeenstemt met die van meerderjarigen volstaat één uiteenzetting.
2.17.
Gezien de nauwe samenhang tussen de vorderingen met betrekking tot minderjarigen en meerderjarigen beveelt de rechtbank STBYP, SMC en TikTok c.s. hun processtukken vanaf heden aan ieder van de andere partijen (inclusief SOMI) te doen toekomen.
VIII.2. De inhoud van de collectieve vorderingen
2.18.
Artikel 1018e lid 2 Rv bepaalt dat de rechter naast de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger(s) beoordeelt wat de collectieve vordering precies inhoudt. De WAMCA noch de parlementaire geschiedenis van de WAMCA bevatten nadere aanwijzingen over hoe de rechter moet bepalen wat de collectieve vordering precies inhoudt indien er meerdere belangenbehartigers zijn, zoals in dit geval, en de ingestelde vorderingen (op onderdelen) verschillen. De rechtbank gaat uit van het uitgangspunt van het burgerlijk procesrecht dat partijen de omvang van het geschil bepalen en het uitgangspunt van de WAMCA dat na aanwijzing van een of meer exclusieve belangenbehartigers de niet aangewezen belangenbehartigers wel partij in het geding blijven.Dit betekent het volgende:- de vorderingen worden geacht te zijn ingesteld tegen alle TikTok-gedaagden, tenzij de inhoud van een vordering zich daartegen verzet;
- alle (ontvankelijke) vorderingen die door een of meer van de stichtingen zijn ingesteld behoren tot “wat de collectieve vordering precies inhoudt”, behalve als zij niet met elkaar verenigbaar zijn.
2.19.
De rechtbank neemt om praktische redenen de door STBYP ingestelde vorderingen tot uitgangspunt voor de vorderingen met betrekking tot zowel de minderjarigen als de meerderjarigen. De vorderingen van SOMI en SMC hebben grotendeels dezelfde strekking als de vorderingen van STBYP. Indien de vorderingen van SOMI en SMC afwijken van die van STBYP zal dat cursief worden aangegeven.
Bij de wijze van schadeafwikkeling wordt niet het primair door STBYP gevorderde tot uitgangspunt genomen, maar het subsidiair gevorderde, omdat dit gezien de betrokkenheid van drie belangenorganisaties de aangewezen weg is om te komen tot een efficiënte schadeafwikkeling.Omdat er een nauw omschreven groep minderjarigen en een nauw omschreven groep meerderjarigen zal worden gedefinieerd, wordt de aanduiding minderjarigen of meerderjarigen telkens voor alle duidelijkheid ingevoegd.
2.20.
Dit heeft tot gevolg dat de collectieve vordering met betrekking tot de hierna nader te definiëren nauw omschreven groep van minderjarigen inhoudt dat de rechtbank zal oordelen als volgt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
III. Verklaring voor recht
( i) Voor recht te verklaren dat
( a) de TikTok-gedaagden jegens de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) in strijd handelen met de in de dagvaarding van STBYP genoemde fundamentele rechten, de Algemene verordening gegevensbescherming, het consumentenrecht, de Telecommunicatiewet en de herziene richtlijn audiovisuele mediadiensten, en
( b) de TikTok-gedaagden hoofdelijk op grond van artikel 82 AVG en/of artikel 6:162 BW en/of 6:212 BW aansprakelijk zijn jegens iedere natuurlijk persoon die lid is van de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen), en uit dien hoofde de door die natuurlijk persoon geleden en nog te lijden schade dienen te vergoeden, inclusief wettelijke rente;
(ii) vervalt;
(iii) voor recht te verklaren dat de Gebruiksvoorwaarden, het Privacybeleid, de Virtual Items Policy, het Cookiebeleid, de Communityrichtlijnen en de Intellectual Property Policy van de TikTok-gedaagden vernietigbaar zijn door de personen in de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) ;
(iv) voor recht te verklaren dat
( a) de TikTok-gedaagden passende maatregelen moeten nemen om te bewerkstelligen dat de persoonsgegevens van gebruikers van de TikTok App jonger dan 18 jaar niet worden doorgegeven naar landen buiten de EER, tenzij aan de daarvoor op grond van de AVG geldende vereisten wordt voldaan;
( b) de TikTok-gedaagden passende maatregelen moeten treffen om te bewerkstelligen dat gebruikers van de TikTok App jonger dan 18 jaar niet op de TikTok App worden blootgesteld aan video’s die hun geestelijke of lichamelijke ontwikkeling kunnen aantasten;
( c) de TikTok-gedaagden passende maatregelen moeten nemen om een leeftijdsverificatiesysteem in te voeren dat gebaseerd is op een scan van een identiteitsbewijs, althans een passend systeem dat redelijke zekerheid biedt over de leeftijd van de gebruiker van de TikTok App, en passende maatregelen moeten nemen om te kunnen controleren of ouderlijke toestemming voor het aanmaken van een account, waar vereist, is gegeven;
( d) de TikTok-gedaagden passende maatregelen moeten nemen om te stoppen met het plaatsen van cookies en andere tracking technologieën op de toestellen die de personen in de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) gebruiken, behalve cookies die voldoen aan de door de AVG en de Telecommunicatiewet gestelde eisen, en louter voor zover deze essentieel zijn voor de werking van de TikTok App;
IV. Vernietiging van voorwaarden
( i) de vernietiging uit te spreken van de overeenkomst inzake het gebruik van de TikTok Dienst tussen ieder persoon van de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) enerzijds en de TikTok-gedaagden anderzijds, inclusief vernietiging van de TikTok Documentatie, waaronder de Gebruiksvoorwaarden, het Privacybeleid, de Virtual Items Policy, het Cookiebeleid, de Communityrichtlijnen en de Intellectual Property Policy van de TikTok-gedaagden voor wat betreft de personen in de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen), dan wel vernietiging van die onderdelen van de TikTok Documentatie die de rechtbank vernietigbaar acht;
V. Bevelen tot bescherming van Kinderen
( i) de TikTok-gedaagden een gebod op te leggen om binnen een periode van drie maanden na de datum van het te wijzen vonnis maatregelen te treffen om van bestaande accounts van de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) en bij de opening van nieuwe accounts van de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) op deugdelijke wijze:
( a) te verifiëren of de gebruikers een leeftijd van ten minste 13 jaar hebben bereikt;
( b) te controleren of gebruikers die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt de vereiste toestemming hebben verkregen van een wettelijk vertegenwoordiger zoals een ouder of voogd voor gebruik van de TikTok App;
(ii) De TikTok-gedaagden een gebod op te leggen om binnen een periode van drie maanden na de datum van het te wijzen vonnis alle bestaande accounts van de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) te sluiten en alle verzamelde en verwerkte persoonsgegevens van of over deze gebruikers te vernietigen:
( a) voor zover gebruikers de leeftijd van 13 jaar nog niet hebben bereikt of diens leeftijd niet met zekerheid en op verifieerbare wijze kan worden vastgesteld;
( b) voor zover gebruikers de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt en geen expliciete en verifieerbare instemming is verkregen van een wettelijk vertegenwoordiger, of de instemming niet met zekerheid kan worden vastgesteld;
(iii) De TikTok-gedaagden te verbieden om jegens de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) voorwaarden te hanteren die in strijd zijn met de eisen van het consumentenrecht zoals omschreven in de dagvaarding van STBYP;
(iv) De TikTok-gedaagden te bevelen tot ongedaanmaking van de TikTok Documentatie jegens de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen), waaronder ten minste dient te worden verstaan:
( a) terugbetaling van de aankoopbedragen van door de minderjarigen aangeschafte Coins;
( b) onomkeerbaar wissen van alle verzamelde persoonsgegevens van de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen), inclusief de persoonsgegevens die aan derden zijn verstrekt of gebruikt zijn ten behoeve van advertentieverkoop aan derden, tenzij de TikTok-gedaagden binnen drie maanden toestemming krijgen van de betrokken natuurlijk persoon dat de persoonsgegevens niet hoeven te worden gewist;
( c) voor zover de TikTok-gedaagden niet, of bezwaarlijk, in staat zijn de handelingen onder sub (a) en (b) ongedaan te maken de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) hiervoor te compenseren op basis van artikel 3:53 lid 2 BW;
de bevelen onder V (i), (ii), (iii) en (iv) op last van een dwangsom van EUR 1.000 per gebruiker per overtreden gebod of verbod per dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van EUR 25.000 per gebruiker;
ook los van bovenstaande ongedaanmakingsverplichting:
( v) de TikTok-gedaagden te bevelen alle persoonsgegevens van de personen in de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) onomkeerbaar te laten wissen, tenzij de TikTok-gedaagden binnen drie maanden toestemming krijgen van de betrokken persoon dat de persoonsgegevens niet hoeven te worden gewist;
(vi) De TikTok-gedaagden te bevelen verdere maatregelen te nemen om hun beveiliging op orde te stellen, en in elk geval maatregelen te nemen zodat binnen drie maanden de beveiligingsrisico’s zoals beschreven in hoofdstuk 5 sub D van de dagvaarding van STBYP niet langer bestaan;
(vii) De TikTok-gedaagden te bevelen de overtreding van de Telecommunicatiewet te beëindigen, en alle personen in de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) te instrueren hoe zij reeds geplaatste cookies en andere tracking technieken kunnen verwijderen;
(viii) De TikTok-gedaagden te bevelen niet langer de persoonsgegevens van gebruikers van de TikTok App jonger dan 18 jaar door te geven naar landen buiten de EER, tenzij aan de daarvoor op grond van de AVG geldende vereisten wordt voldaan, en alle persoonsgegevens van de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen) die reeds zijn gestuurd naar deze derde landen buiten de EER te vernietigen;
VI. Veroordeling tot betaling van een schadevergoeding
( i) (vervalt);
(ii) ieder van de TikTok-gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de materiële schade van alle personen in de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen), welke schade al dan niet op basis van artikelen 6:97 en/of 6:104 BW door de rechtbank in goede justitie wordt vastgesteld, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
( a) subsidiair: ieder van de TikTok-gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de materiële schade van alle personen in de Nauw Omschreven Groep (minderjarigen), welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend zoals bij wet is voorgeschreven, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
VII. Veroordeling tot schadeafwikkeling
( i) (vervalt);
(ii) (vervalt);
(iii) (vervalt);
(iv) (vervalt):
( v) de collectieve schadeafwikkeling zodanig vorm te geven als de rechtbank geraden acht op basis van door STBYP en de TikTok-gedaagden op grond van artikel 1018i Rv over te leggen voorstellen voor een collectieve schadeafwikkeling;
VIII. Proceskostenveroordeling en buitengerechtelijke kosten
( i) ieder van de TikTok-gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan ieder van de stichtingen:
( a) de volledige, werkelijke proceskosten van dit geding, buitengerechtelijke kosten en verdere kosten die ieder van de stichtingen heeft gemaakt, op grond van artikel 1018l lid 2 Rv, en/of 237 Rv en/of 6:96 BW, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
( b) de volledige door ieder van de stichtingen gemaakte (buitengerechtelijke) kosten en nog in het kader van de schadeafwikkeling te maken kosten, op grond van artikel 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,
( c) de volledige door ieder van de stichtingen aan hun Funder te betalen overeengekomen vergoeding, op grond van artikel 6:96 BW en/of artikel 1018l lid 2 Rv, zoals nader te begroten op basis van door de stichtingen nader over te leggen informatie.
2.21.
Op grond van wat hiervoor onder 2.18 en 2.19 is overwogen, houdt de collectieve vordering met betrekking tot de hierna nader te definiëren groep van meerderjarigen hetzelfde in als die met betrekking tot de groep van minderjarigen, met dien verstande dat de vorderingen waarin een specifieke bescherming van jeugdigen is beoogd niet gelden voor volwassenen. Dit leidt tot de volgende vordering met betrekking tot meerderjarigen, waarbij de formulering van de vorderingen van STBYP wordt gevolgd, voor zover de vorderingen van SMC met betrekking tot meerderjarigen daar inhoudelijk mee overeenkomen. Indien er verschillen zijn en de rechtbank afwijkt van de vorderingen van STBYP met betrekking tot minderjarigen wordt dat cursief aangegeven.
III. Verklaring voor recht
( i) Primair: voor recht te verklaren dat
( a) de TikTok-gedaagden jegens de Nauw Omschreven Groep (meerderjarigen) in strijd handelen met de in de dagvaarding van STBYP genoemde fundamentele rechten, de Algemene verordening gegevensbescherming, het consumentenrecht, de Telecommunicatiewet en de herziene richtlijn audiovisuele mediadiensten, en
( b) de TikTok-gedaagden hoofdelijk op grond van artikel 82 AVG en/of artikel 6:162 BW en/of 6:212 BW aansprakelijk zijn jegens iedere natuurlijk persoon die lid is van de Nauw Omschreven Groep (meerderjarigen), en uit dien hoofde de door die natuurlijk persoon geleden en nog te lijden schade dienen te vergoeden, inclusief wettelijke rente;
(iii) voor recht te verklaren dat de Gebruiksvoorwaarden, het Privacybeleid, de Virtual Items Policy, het Cookiebeleid, de Communityrichtlijnen en de Intellectual Property Policy van de TikTok-gedaagden vernietigbaar zijn door de personen in de Nauw Omschreven Groep (meerderjarigen);
(iv) voor recht te verklaren dat:
( a) de TikTok-gedaagden passende maatregelen moeten nemen om te bewerkstelligen dat dat de persoonsgegevens van iedere natuurlijk persoon die lid is van de Nauw Omschreven Groep (meerderjarigen) niet worden doorgegeven naar landen buiten de EER, tenzij aan de daarvoor op grond van de AVG geldende vereisten wordt voldaan;
( d) de TikTok-gedaagden passende maatregelen moeten nemen om te stoppen met het plaatsen van cookies en andere tracking technologieën op de toestellen die de personen in de Nauw Omschreven Groep (meerderjarigen) gebruiken, behalve cookies die voldoen aan de door de AVG en de Telecommunicatiewet gestelde eisen, en louter voor zover deze essentieel zijn voor de werking van de TikTok App;
IV. Vernietiging van voorwaarden
en
VI. Veroordeling tot betaling van een schadevergoeding
en
VII. Veroordeling tot schadeafwikkeling zoals hiervoor onder 2.20 vermeld, met dien verstande dat telkens voor “Nauw Omschreven Groep (minderjarigen)” wordt gelezen: “Nauw Omschreven Groep (meerderjarigen)”.
VIII. Proceskostenveroordeling en buitengerechtelijke kosten
( i) ieder van de TikTok-gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan SMC:
( a) de volledige, werkelijke proceskosten van dit geding, buitengerechtelijke kosten en verdere kosten die SMC heeft gemaakt, op grond van artikel 1018l lid 2 Rv, en/of 237 Rv en/of 6:96 BW, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
( b) de volledige door SMC gemaakte (buitengerechtelijke) kosten en nog in het kader van de schadeafwikkeling te maken kosten, op grond van artikel 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,
( c) de volledige door SMC aan haar Funder te betalen overeengekomen vergoeding, op grond van artikel 6:96 BW en/of artikel 1018l lid 2 Rv, zoals nader te begroten op basis van door SMC nader over te leggen informatie.
VIII.3. De nauw omschreven groepen
2.22.
Artikel 1018e lid 2 Rv bepaalt voorts dat de rechter beoordeelt voor welke nauw omschreven groep de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt. Omdat de rechtbank heeft beslist dat er twee exclusieve belangenbehartigers zijn, een voor de minderjarige en een voor de meerderjarige gebruikers van de TikTok Dienst, zal voor beide een nauw omschreven groep worden bepaald.
2.23.
De rechtbank overweegt als volgt.
a. In het tussenvonnis is beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen van de stichtingen kennis te nemen (en dat deze rechtbank ook relatief bevoegd is ten aanzien van deze vorderingen). Hiertoe is, voor zover hier van belang, overwogen:
- de Nederlandse rechter heeft rechtsmacht met betrekking tot de AVG-gerelateerde vorderingen (hierna: de AVG-gerelateerde vorderingen) tegen TikTok Ierland omdat de stichtingen zich als belangenbehartigers in de zin van de AVG kunnen beroepen op de gewone (Nederlandse) verblijfplaats van de betrokkenen;
- de Nederlandse rechter heeft voor de als onrechtmatig handelen te kwalificeren AVG-schendingen en de overige niet AVG-gerelateerde vorderingen (hierna: de OD-gerelateerde vorderingen) ten aanzien van TikTok Ierland (ook) rechtsmacht op grond van artikel 7 punt 2 van de Brussel I bis Verordening;
- de Nederlandse rechter heeft ten aanzien van de overige TikTok-entiteiten rechtsmacht op grond van artikel 7 lid 1 Rv.
b. Deze beslissing heeft gevolgen voor de bepaling van de nauw omschreven groepen:
- de nauw omschreven groepen kunnen voor wat betreft de AVG-gerelateerde vorderingen slechts bestaan uit personen die op 9 november 2022 (datum tussenvonnis) in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden;
- de nauw omschreven groepen kunnen voor wat betreft de OD-gerelateerde vorderingen, die gelden als ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 7 punt 2 van de Brussel I bis Verordening, slechts bestaan uit personen die tijdens het gebruik van de TikTok Dienst het centrum van hun belangen in Nederland hadden.
c. SOMI en STBYP hebben voorgesteld bij de vaststelling van de nauw omschreven groep uit te gaan van gebruikers met (gewone) verblijfplaats in Nederland. SMC heeft in haar voorstel ook gebruikers opgenomen die niet meer in Nederland verblijven maar ‘gedurende een periode dat zij in Nederland woonden of verbleven’ gebruik maakten van de TikTok Dienst (zie ook het tussenvonnis van 9 november 2022, onder 5.13). De rechtbank zal, omwille van praktische hanteerbaarheid en om potentieel gecompliceerde afbakeningsdiscussies te voorkomen, aansluiten bij de voorstellen van SOMI en STBYP en de nauw omschreven groepen beperken tot gebruikers met (gewone) verblijfplaats in Nederland. Als datum zal zij daarbij uitgaan van 9 november 2022, de datum van het tussenvonnis waarin over de rechtsmacht in deze zaak is beslist. Mutaties daarna blijven dus buiten beschouwing. Verder is een vereiste dat gebruikers na 25 mei 2018 (de dag waarop de AVG in werking trad) en uiterlijk op 9 november 2022 gebruik hebben gemaakt van de TikTok Dienst.
d. De nauw omschreven groepen worden nader bepaald door het eerste gebruik van de TikTok Dienst. Indien en voor zover deze personen ten tijde van het eerste gebruik van de TikTok Dienst minderjarig waren, behartigt STBYP hun belangen. Indien en voor zover deze personen ten tijde van het eerste gebruik van de TikTok Dienst meerderjarig waren, behartigt SMC hun belangen.
e. Het vorenstaande leidt tot de volgende nauw omschreven groepen:
- Nauw Omschreven Groep minderjarigen (STBYP): ten aanzien van de AVG-gerelateerde vorderingen gebruikers van de TikTok Dienst die (i) tussen 25 mei 2018 en 9 november 2022 de TikTok Dienst hebben gebruikt, (ii) bij het eerste gebruik in die periode minderjarig waren, (iii) op 9 november 2022 in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden; ten aanzien van de OD-gerelateerde vorderingen geldt daarnaast (iv) dat zij tijdens dat gebruik van de TikTok Dienst het centrum van hun belangen in Nederland hadden.
- Nauw Omschreven Groep meerderjarigen (SMC): ten aanzien van de AVG-gerelateerde vorderingen gebruikers van de TikTok Dienst die (i) tussen 25 mei 2018 en 9 november 2022 de TikTok Dienst hebben gebruikt, (ii) bij het eerste gebruik in die periode meerderjarig waren, (iii) op 9 november 2022 in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden; ten aanzien van de OD-gerelateerde vorderingen geldt daarnaast (iv) dat zij tijdens dat gebruik van de TikTok Dienst het centrum van hun belangen in Nederland hadden.
VIII.4. Plaatsgebondenheid
2.24.
Artikel 1018e lid 2 Rv bepaalt tot slot dat de rechter beoordeelt of de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht. De rechtbank ziet hier geen aanleiding toe in deze zaak, omdat aannemelijk is dat de gebruikers van de TikTok Dienst over het gehele land verspreid zijn.
Tot slot
2.25.
Met het voorgaande is de in het tussenvonnis, onder 2.5, beschreven marsroute afgelegd en is de in de rolbeslissing van 23 februari 2022 voorziene tweede fase afgerond.
Een nieuwe fase
2.26.
Aan de orde is daarmee de in de rolbeslissing van 23 februari 2022 voorziene fase 2A: publiciteit met het oog op ‘opt-in’ en ‘opt-out’, het beproeven van een vaststellingsovereenkomst en het aanvullen van gronden. Deze onderwerpen zijn geregeld in de artikelen 1018f en 1018g Rv.
2.27.
De zaak zal naar de rol worden verwezen opdat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over opt-out en opt-in.
Daarbij mogen zij laten weten op welke wijze volgens hen aan de opt-out/opt-in mogelijkheid publiciteit moet worden gegeven. Gezien het uitgangspunt van artikel 1018f Rv en gezien het grote aantal potentieel belanghebbenden is de rechtbank in dit geval van plan een publicatie in een of meer nieuwsbladen voor te schrijven. Partijen mogen zich uitlaten over welke nieuwsbladen zij geschikt achten. Gezien het bepaalde in artikel 1018f lid 3 Rv (de exclusieve belangenbehartiger zorgt voor de aankondiging) is de rechtbank van plan te bepalen dat STBYP en SMC de kosten van de publicatie elk voor de helft dragen.
Tevens mogen partijen zich uitlaten over de te publiceren tekst, uitgaande van de onderstaande tekst.
COLLECTIEVE ACTIE TEGEN TIKTOK
De Stichting Onderzoek Marktinformatie (SOMI), de Stichting Take Back Your Privacy (STBYP) en de Stichting Massaschade & Consument (SMC) voeren bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen TikTok Technology Limited en een aantal andere TikTok-bedrijven. Zij doen dit ten behoeve van personen die tussen 25 mei 2018 en 9 november 2022 de TikTok Dienst hebben gebruikt, en op 9 november 2022 in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden. Dit heet een ‘collectieve actie’. De stichtingen eisen onder andere een verbod en een schadevergoeding omdat zij vinden dat TikTok de privacy van TikTok-gebruikers heeft geschonden.
De rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen. In dat vonnis heeft zij STBYP en SMC aangewezen als exclusieve belangenbehartigers. Het vonnis is te vinden op [link rechtspraak.nl]. Meer informatie is ook te vinden op de websites van de drie stichtingen.
Automatisch meedoen
Als u valt onder de groep waarvoor de stichtingen de procedure voeren en u vindt het goed dat zij in deze procedure ook uw belangen behartigen, dan hoeft u niets te doen.
Niet meedoen (‘opt-out’)
Als u niet wilt dat uw belangen in deze procedure worden behartigd door de stichtingen, dan kunt u dat aan de rechtbank Amsterdam laten weten. U bent dan niet gebonden aan de uitspraak in deze procedure. U kunt dat uiterlijk op [datum] doen door [wijze waarop, nader door de rechtbank te bepalen].
U verblijft in het buitenland (mogelijkheid van ‘opt-in’)
Als u valt onder de groep waarvoor de stichtingen de procedure voeren en op 9 november 2022 uw verblijfplaats had in Nederland maar nu elders verblijft, doet u niet automatisch mee. Als u mee wilt doen, moet u dat aan de rechtbank Amsterdam laten weten. U kunt dat uiterlijk op [datum] doen door [wijze waarop, nader door de rechtbank te bepalen]
2.28.
Artikel 1019g Rv gaat ervan uit dat de rechtbank nadat een exclusieve belangenbehartiger is aangewezen een termijn bepaalt voor het beproeven van een vaststellingsovereenkomst. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de vraag of in dit stadium een daarop gericht overleg zinvol is (of als dat niet zo is, waarom niet) en indien dat overleg zinvol is, welke termijn daarvoor gewenst wordt.
2.29.
STBYP en SMC zullen zich ook moeten uitlaten over de vraag of zij de gronden van de hiervoor onder 2.20 respectievelijk 2.21 bepaalde collectieve vordering willen aanvullen. Als zij dat wensen zullen zij daartoe de gelegenheid krijgen. Vervolgens zullen TikTok c.s. (die gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid bedoeld in artikel 1018c lid 5, laatste zin Rv) een conclusie van antwoord moeten nemen met het oog op de te houden inhoudelijke behandeling.
2.30.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg zullen trachten over de kwestie van opt-in en opt-out en over de wenselijkheid van onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst zoveel mogelijk tot een eensluidend standpunt te komen.
2.31.
De rechtbank wijst STBYP en SMC op artikel 1018e lid 5 Rv, dat bepaalt dat de uitspraak ingevolge dit artikel door de exclusieve belangenbehartiger wordt aangetekend in het centraal register voor collectieve vorderingen. Dit kan door te verwijzen naar het ECLI-nummer van deze uitspraak na publicatie op rechtspraak.nl.
2.32.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
wijst STBYP aan als exclusieve belangenbehartiger voor minderjarige TikTok-gebruikers;
3.2.
wijst SMC aan als exclusieve belangenbehartiger voor meerderjarige TikTok-gebruikers;
3.3.
bepaalt dat de ingestelde collectieve vorderingen luiden zoals is weergegeven in rechtsoverwegingen 2.20 en 2.21;
3.4.
bepaalt dat STBYP respectievelijk SMC in deze collectieve vordering de belangen behartigt van de in rechtsoverweging 2.23 weergegeven nauw omschreven groepen;
3.5.
bepaalt dat er geen aanleiding is voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht;
3.6.
verwijst de zaak naar de rol van 7 februari 2024 voor de in rechtsoverwegingen 2.27, 2.28 en 2.29 bedoelde akte;
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.L.S. Kalff en mr. R.P.F. de Groot, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2024.
Uitspraak 05‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Rolbeslissing over in het geding brengen van een financieringsovereenkomst. De rechtbank blijft bij de eerder genomen beslissing.
Partij(en)
rolbeslissing
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Rolbeslissing van 5 juli 2023
in de op de rol gevoegde zaken
C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG
(voorheen Daimler AG),
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.
(voorheen Mercedes-Benz Vans Nederland B.V. en Mercedes-Benz Cars Nederland B.V.),
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.
(voorheen Automotions MB B.V.),
gevestigd te ’s-Gravenhage,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.
(voorheen Automotions MB R B.V.),
gevestigd te ’s-Gravenhage,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ DEALER BEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STERN 1M B.V.,
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat mr. C.W.M. Lieverse te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
en
C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna weer SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim Car Claim, Mercedes-Benz Group AG en Mercedes-Benz Nederland B.V. samen Mercedes en gedaagden 1 tot en met 12 en 14 tot en met 24 samen de Partners.
1. Inleiding
1.1.
Bij vonnis van 7 juni 2023 (hierna: het tussenvonnis) zijn de zaken verwezen naar de rol van 5 juli 2023 voor akte aan de zijde SDEJ respectievelijk Car Claim opdat zij:
- een aantal gegevens verstrekken, met een acccountantsverklaring over de juistheid van deze gegevens;
- hun financieringsovereenkomsten overleggen;
- zich uitlaten over de gevolgen van het faillissement van Cor Millenaar B.V. voor deze procedures.
1.2.
Vervolgens zijn bij de rechtbank ingekomen:
- een brief, met een bijlage, van 22 juni 2023 van mr. W.A. Vader, advocaat te Amsterdam, namens SDEJ;
- een brief van 26 juni 2023 van mr. B.M. Katan, advocaat te Amsterdam, en mr. Kortmann, namens Mercedes;
- een brief van 26 juni 2023 van mr. Lieverse, namens de Partners;
- een brief van 26 juni 2023 van mr. A.I. Reznitchenko, advocaat te Rotterdam, namens Car Claim;
- een brief van 28 juni 2023 van mrs. Kortmann en Katan, namens Mercedes;
- een brief van 28 juni 2023 van mr. Lieverse, namens de Partners;
- een brief van 29 juni 2023 van mr. Berger, namens SDEJ,
- een brief van 3 juli 2023 van mr. Lieverse, namens de Partners.
1.3.
Bij e-mail van 30 juni 2023 heeft de griffier partijen bericht dat op de rol van 5 juli 2023 aan SDEJ en Car Claim vier weken uitstel zal worden verleend voor de in het tussenvonnis bedoelde akte en dat op de overige in de vermelde correspondentie gedane verzoeken op dezelfde rol zal worden beslist.
2. De beoordeling
SDEJ
2.1.
SDEJ verzoekt om nadere instructies met betrekking de beslissing dat de financieringsovereenkomst in het geding moet worden gebracht. Deze nadere instructies zouden kort gezegd een aanvullende inperking van het gegeven bevel moeten inhouden, te weten primair dat SDEJ alleen de informatie hoeft te verstrekken die relevant is voor de beoordeling van “voldoende middelen” en “voldoende zeggenschap”, subsidiair dat de rechtbank Mercedes en de Partners verbiedt aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de procesfinancieringsovereenkomst en eventuele gerelateerde stukken en in een eventueel te publiceren vonnis geen informatie opneemt over de inhoud van de procesfinancieringsovereenkomst (artikelen 28 lid 1 en 29 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
Mercedes en de Partners verzetten zich hiertegen.
2.2.
De rechtbank overweegt dat het verzoek in wezen neerkomt op een verzoek het tussenvonnis te wijzigen door de verplichtingen van SDEJ te beperken of Mercedes en de Partners aan nadere voorwaarden te binden.
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet niet in de mogelijkheid een gewezen vonnis te wijzigen, behoudens in geval van een kennelijke fout of als verzuimd is op (een deel van) het gevorderde te beslissen. Dat hiervan sprake is, heeft SDEJ niet aangevoerd.
2.3.
Het verzoek het nog te wijzen vonnis gedeeltelijk niet te publiceren is slechts toewijsbaar als zich zwaarwegende belangen tegen (volledige) publicatie verzetten, zie artikel 29 lid 2 Rv. Of daarvan sprake is kan de rechtbank op dit moment niet beoordelen. Op het verzoek om het vonnis gedeeltelijk niet te publiceren zal daarom in het vonnis worden beslist. Artikel 29 lid 4 Rv is niet van toepassing omdat de zaak niet met gesloten deuren is behandeld.
De verzoeken worden daarom afgewezen.
Car Claim
2.4.
Car Claim verzoekt om tien weken uitstel omdat zij meer tijd nodig heeft voor de verstrekking van de in het tussenvonnis bedoelde gegevens, met accountantsverklaring.
Mercedes en de Partners verzetten zich hiertegen op zichzelf niet. Wel wensen zij dat de twee procedures gelijk blijven lopen (en dat daarom aan SDEJ eenzelfde uitstel wordt verleend). Daarnaast wensen zij een ruime termijn voor hun antwoordakte.
2.5.
De rechtbank overweegt dat Car Claim voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij meer tijd nodig heeft dan in het tussenvonnis is voorzien. Naar haar oordeel is vier weken uitstel echter voldoende.
SDEJ
2.6.
Om de door Mercedes en de Partners aangegeven reden zal aan SDEJ eenzelfde uitstel worden verleend.
Mercedes en de Partners
2.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is een reactietermijn van vier weken voldoende. De rechtbank verzoekt Mercedes en de Partners hun antwoordakte te beperken tot zo mogelijk vijf, maar maximaal tien pagina’s.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verwijst de zaken naar de rol van 2 augustus 2023 voor de in het tussenvonnis onder 2.5, 2.6, 2.8 en 2.12 bedoelde akte aan de zijde van SDEJ respectievelijk Car Claim;
3.2.
bepaalt dat de zaken vervolgens zullen worden verwezen naar de rol van 30 augustus 2023 voor antwoordakte aan de zijde van Mercedes en de Partners;
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2023.
Uitspraak 07‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis in zaak van twee claimstichtingen tegen Mercedes en Mercedesdealers. De rechtbank stelt vragen over de omvang van de achterban van de claimstichtingen en over de financieringsovereenkomsten die zij hebben gesloten met hun procesfinanciers.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Vonnis van 7 juni 2023
in de op de rol gevoegde zaken
C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG
(voorheen Daimler AG),
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.
(voorheen Mercedes-Benz Vans Nederland B.V. en Mercedes-Benz Cars Nederland B.V.),
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.
(voorheen Automotions MB B.V.),
gevestigd te ’s-Gravenhage,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.
(voorheen Automotions MB R B.V.),
gevestigd te ’s-Gravenhage,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen, (zie rechtsoverweging 2.12),
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ DEALER BEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STERN 1M B.V.,
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat mr. C.W.M. Lieverse te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
en
C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna weer SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim Car Claim, Mercedes-Benz Group AG en Mercedes-Benz Nederland B.V. samen Mercedes en gedaagden 4 tot en met 12 en 14 tot en met 24 samen de Partners.
1. Inleiding
1.1.
Op 24 mei 2023 is de bij tussenvonnis van 21 december 2022 bevolen mondelinge behandeling gehouden inzake i) de ontvankelijkheid van SDEJ respectievelijk Car Claim volgens artikel 3:305a (oud) Burgerlijk Wetboek (BW) en ii) het toepasselijk recht, in het bijzonder in de verhouding tussen de NL Kopers en Mercedes-Benz Group AG.
1.2.
Na sluiting van de mondelinge behandeling is aangekondigd dat de rechtbank allereerst nadere instructies zal geven met betrekking tot, kort gezegd, de achterbannen en de procesfinancieringsovereenkomsten. Daarnaast is aangekondigd dat de rechtbank zal beslissen over de toelaatbaarheid van de nagekomen producties van SDEJ en Car Claim. Dit vonnis betreft uitsluitend deze onderwerpen en bevat voorts een overweging over het faillissement van Cor Millenaar B.V. (gedaagde 15).
1.3.
Artikel 22 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen kan bevelen bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen.
2. De beoordeling
Inleiding
2.1.
In het tussenvonnis van 22 juni 2022 is beslist dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op deze procedures en de door SDEJ respectievelijk Car Claim ingestelde vorderingen, anders gezegd: dat, anders dan SDEJ en Car Claim hebben betoogd, de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (de WAMCA) in deze zaken niet van toepassing is.
2.2.
Artikel 3:305a (oud) BW luidt, voor zover hier van belang:
1. Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.
2. Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is (…) niet ontvankelijk, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn.
De achterbannen
2.3.
SDEJ en Car Claim hebben in hun dagvaardingen de toepasselijkheid van de WAMCA als uitgangspunt genomen. Mercedes en de Partners voeren aan dat SDEJ en Car Claim niet hebben aangetoond dat zij opkomen voor een daadwerkelijk bestaande, voor deze zaken relevante achterban en dat zij geen verifieerbare stellingen hebben ingenomen over het aantal bij hen aangesloten belanghebbenden. Mercedes en de Partners voeren voorts aan dat zij niet of nauwelijks klachten hebben ontvangen over hun dieselvoertuigen. Mercedes en de Partners achten een en ander eens te meer van belang omdat SDEJ en Car Claim ad hoc zouden zijn opgericht door Amerikaanse advocatenkantoren met eigen commerciële doelstellingen.
2.4.
SDEJ stelt hier tegenover dat op 12 mei 2023 15.456 Mercedes-dieselvoertuigen bij haar waren geregistreerd en dat de aanmelders hun steun hebben uitgesproken voor haar werkzaamheden en de door haar aanhangig gemaakte procedure. Car Claim stelt tegenover het verweer van Mercedes en de Partners dat zich op 24 mei 2023 ongeveer 6.000 Autobezitters (zoals gedefinieerd in haar dagvaarding) bij haar hadden aangemeld.
2.5.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het zogenoemde waarborgvereiste uit artikel 3:305a lid 2 (oud) BW heeft tot doel belangenorganisaties met onzuivere motieven te weren. Of de belangen waarop de collectieve actie ziet voldoende zijn gewaarborgd moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij de beoordeling of met de collectieve actie de belangen van de betrokken personen al dan niet voldoende zijn gewaarborgd, de rechter dient te onderzoeken i) in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen en ii) in hoeverre erop vertrouwd mag worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren. In de wetsgeschiedenis worden een aantal factoren genoemd die bij de beantwoording van deze vragen in algemene zin een rol kunnen spelen. De omvang van de groep benadeelden die zijn aangesloten bij de belangenorganisatie en in hoeverre zij de collectieve actie ondersteunen zijn zulke factoren. Artikel 3:305a (oud) BW stelt, anders dan het huidige artikel 3:305a lid 2 BW, voor ontvankelijkheid in een collectieve actie niet de eis dat de belangenorganisatie voldoende representatief is. Wel kunnen de factoren die een rol spelen bij de beoordeling van de representativiteit van een belangenorganisatie worden meegewogen bij de beoordeling of is voldaan aan het waarborgvereiste. De wetsgeschiedenis benadrukt dat het aantal benadeelden dat is aangesloten bij een belangenorganisatie geen formeel vereiste is. Het vormt wel een belangrijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste, maar moet niet altijd doorslaggevend zijn.
2.6.
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank behoefte aan inzicht in de volgende, door SDEJ respectievelijk Car Claim bij akte te verstrekken gegevens:
a. het aantal individuele belanghebbenden dat per 1 juni 2023 specifiek voor de vorderingen jegens Mercedes en de Partners bij haar is aangesloten (hierna: belanghebbenden);
b. op welke wijze hebben belanghebbenden zich aangemeld;
c. welke contactgegevens hebben zij opgegeven (waarbij het niet om die contactgegevens zelf gaat);
d. zijn zij al dan niet in Nederland woonachtig;
e. welke gegevens hebben zij over het betrokken voertuig opgegeven (waarbij het niet om die gegevens zelf gaat);
f. zijn zij koper of lessee van het betrokken voertuig;
g. bevinden zich onder hen eigenaren of lessees van meer dan een voertuig en, zo ja, om hoeveel voertuigen gaat het;
h. welk bedrag heeft ieder van hen aan haar betaald of is ieder van hen aan haar verschuldigd;
i. heeft zij met ieder van hen een overeenkomst gesloten over het af te dragen percentage indien de belanghebbende een vergoeding ontvangt van Mercedes en/of de Partners en zo ja, hoe luidt deze overeenkomst;
j. op welke wijze heeft ieder van hen de inbreng van de belanghebbenden georganiseerd bij de te nemen vervolgstappen.
De rechtbank verzoekt SDEJ en Car Claim bij hun akte een verklaring van een accountant te voegen over de juistheid van de verstrekte gegevens.
2.7.
Los van het voorgaande verzoekt de rechtbank SDEJ en Car Claim in hun akte te vermelden of de belanghebbenden het/de voertuig(en) hebben gekocht van een Partners en, zo ja, van welke.
De procesfinancieringsovereenkomsten
2.8.
Niet in geschil is dat de zaak van SDEJ wordt gefinancierd door Consumer Justice Network B.V. en die van Car Claim door CF ND Car Ltd. Mercedes en de Partners betogen dat de desbetreffende overeenkomsten in het geding moeten worden gebracht. Zij voeren aan dat zeker moet zijn dat de procesfinanciers geen oneigenlijke invloed kunnen uitoefenen. SDEJ en Car Claim (als haar verweer dat zij niet gehouden is de overeenkomst in het geding te brengen wordt gepasseerd) zijn op zichzelf bereid om de financieringsovereenkomsten in het geding te brengen, maar wensen delen van de aan Mercedes en de Partners ter beschikking te stellen afschriften onleesbaar te maken. Dit betreft in het bijzonder het voor ieder van hen beschikbare budget.
2.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is het met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van SDEJ en Car Claim noodzakelijk dat zij hun financieringsovereenkomsten integraal, zonder onleesbaar gemaakte delen aan de rechtbank overleggen. Dit geldt ook voor de bijlagen, met uitzondering van de bijlage(n) betreffende de rechtsverhouding tussen SDEJ respectievelijk Car Claim en haar advocaat. Daarbij verlangt de rechtbank ook een bevestiging dat de aldus verstrekte stukken alle afspraken bevatten tussen SDEJ respectievelijk Car Claim en haar financiers. Op deze wijze kan de rechtbank zich ervan vergewissen dat SDEJ en Car Claim over voldoende middelen beschikken om de kosten van hun zaken te dragen en dat de zeggenschap in deze zaken in voldoende mate bij henzelf ligt. In de aan Mercedes en de Partners ter beschikking te stellen afschriften van de procesfinancieringsovereenkomsten mogen SDEJ en Car Claim desgewenst het voor ieder van hen beschikbare budget onleesbaar maken. Mercedes en de Partners hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. Voor het onleesbaar maken van (andere) commercieel gevoelige informatie ziet de rechtbank geen aanleiding. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het overleggen van deze informatie afbreuk zou (kunnen) doen aan de positie in en buiten deze zaken van SDEJ en Car Claim en de personen voor wie zij opkomen.
De nagekomen producties
2.10.
SDEJ en Car Claim hebben Mercedes, de Partners en de rechtbank vóór de mondelinge behandeling nadere producties doen toekomen. Bij SDEJ gaat het om de producties 88 tot en met 126, bij Car Claim gaat het om de producties 19 tot en met 131. Mercedes en de Partners hebben hiertegen bezwaar gemaakt, althans aangevoerd dat zij ter zitting niet voldoende gelegenheid hebben gehad om op alle producties te reageren.
2.11.
De rechtbank laat de bedoelde producties toe. Deze zijn weliswaar laat ingediend en beslaan in totaal een aanzienlijk aantal pagina’s, maar overschrijden – mede gelet op het tot de mondelinge gevoerde debat – niet de grenzen van het aanvaardbare. Indien en voor zover een of meer van deze producties van belang (blijken te) zijn voor het oordeel over de ontvankelijkheid van SDEJ en Car Claim en/of het toepasselijk recht zal de rechtbank, alvorens te beslissen, Mercedes en de Partners in de gelegenheid stellen zich bij akte (nader) uit te laten over de desbetreffende producties.
Faillissement Cor Millenaar
2.12.
De rechtbank heeft kennis genomen van het faillissement van Cor Millenaar B.V. (gedaagde 15). Partijen kunnen zich in de te nemen akten desgewenst uit te laten over de gevolgen van dit faillissement voor deze procedures.
Slot
2.13.
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor de hiervoor onder 2.5, 2.6, 2.8 en 2.12 bedoelde akte aan de zijde van SDEJ respectievelijk Car Claim. Nadat SDEJ en Car Claim hun akte hebben genomen, zullen Mercedes en de Partners in de gelegenheid worden gesteld op een termijn van vier weken daarna een antwoordakte te nemen. Nadat SDEJ en Car Claim hun antwoordakte hebben genomen, zal de datum worden bepaald waarop vonnis zal worden gewezen over (i) de ontvankelijkheid van SDEJ en Car Claim en (ii) het toepasselijk recht.
2.14.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verwijst de zaken naar de rol van 5 juli 2023 voor de hiervoor onder 2.5, 2.6, 2.8 en 2.12 bedoelde akte aan de zijde van SDEJ respectievelijk Car Claim;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.
Uitspraak 22‑06‑2022
Inhoudsindicatie
'Sjoemeldieselzaak'. Rechtsmacht Nederlandse rechter. Toepasselijkheid/niet-toepasselijkheid Wamca. Dagvaarding door derde belangenorganisatie niet binnen de termijn van art. 1018d lid 1 Rv maar wel binnen de door de tweede belangenorganisaties op de voet van art. 1018d lid 2 Rv verkregen verlenging.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Vonnis van 22 juni 2022
in de zaak C/13/686493 / HA ZA 20-697 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s,
advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam,
tegen
1. de vennootschap naar buitenlands recht
MERCEDES-BENZ GROUP AG
(voorheen Daimler AG),
gevestigd te Stuttgart, Duitsland,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ NEDERLAND B.V.
(voorheen Mercedes-Benz Vans Nederland B.V. en Mercedes-Benz Cars Nederland B.V.),
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ASV AUTOMOBIELBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te Veghel,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KÖKCÜ B.V.,
gevestigd te Vijfhuizen,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST DORDRECHT B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST HELLEVOETSLUIS B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO WÜST B.V.,
gevestigd te Oud-Beijerland,
9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN DRIEL AUTOBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Liempde,
10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB G B.V.
(voorheen Automotions MB B.V.),
gevestigd te ’s-Gravenhage,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB R B.V.
(voorheen Automotions MB R B.V.),
gevestigd te ’s-Gravenhage,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOSERVICE VAN DEN AKKER B.V.,
gevestigd te Uden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BAAN TWENTE B.V.,
gevestigd te Zuna,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COR MILLENAAR B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOUWMAN MB B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MERCEDES-BENZ DEALER BEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. EINDHOVEN B.V.,
gevestigd te Heerlen,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. VENLO B.V.,
gevestigd te Heerlen,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SMEETS M.B. ZUID-LIMBURG B.V.,
gevestigd te Heerlen,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STERN 1M B.V.,
gevestigd te Utrecht,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VAN MOSSEL MB B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WENSINK AUTOMOTIVE B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
advocaat mr. M.H.C. Sinninghe Damsté te Amsterdam,
g e d a a g d e n,
in de zaak C/13/695611 / HA ZA 21-60 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
e i s e r e s op de voet van artikel 1018d Rv,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden,
en
in de zaak C/13/695607 / HA ZA 21-59 van
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
e i s e r e s op de voet van artikel 1018d Rv,
advocaat mr. C. Jeloschek te Amsterdam,
tegen
de hiervoor genoemde gedaagden en
25. de vennootschap naar buitenlands recht
ROBERT BOSCH GMBH,
gevestigd te Gerlingen-Schillerhöhe, Duitsland,
gedaagde,
advocaat mr. D. Horeman te Amsterdam.
Stichting Diesel Emissions Justice zal hierna SDEJ worden genoemd, Stichting Car Claim zal hierna Car Claim worden genoemd en Stichting Emission Claim zal hierna SEC worden genoemd. Gedaagden 1 en 3 zullen hierna gezamenlijk Mercedes worden genoemd. Gedaagden 4 tot en met 12 en 14 tot en met 24 zullen hierna gezamenlijk de Partners worden genoemd. Gedaagde 25 zal hierna Bosch worden genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure in de zaken met nummers C/13/686493 / HA ZA 20-697, C/13/695607 / HA ZA 21-59 en C/13/695611 / HA ZA 21-60 volgt uit:
- de dagvaarding van SDEJ van 30 juli 2020,
- de akte houdende overlegging producties van SDEJ,
- de rolbeslissing van 30 september 2020 en de daarin genoemde brieven,
- de dagvaarding van Car Claim van 30 december 2020,
- de dagvaarding van SEC van 30 december 2020,
- de rolbeslissing van 20 januari 2021,
- de rolbeslissing van 24 maart 2021, de daarin genoemde brieven en het daarin genoemde e-mailbericht,
- de rolbeslissing van 21 april 2021, de daarin genoemde akten en het daarin genoemde rolbericht.
1.2.
Bij de rolbeslissing van 21 april 2021 is een procesorde voor de eerste fase van de procedure vastgesteld. Deze procesorde voorziet allereerst in een akte van SDEJ en Car Claim over de positie van SEC en Bosch volgens de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA). De procesorde voorziet vervolgens in antwoordconclusies van gedaagden (inclusief Bosch) met betrekking tot de onderwerpen (i) rechtsmacht van de Nederlandse rechter, (ii) toepasselijkheid van de WAMCA en/of artikel 3:305a (oud) Burgerlijk Wetboek (BW) op elk van de vorderingen en (iii) de positie van SEC en Bosch volgens de WAMCA. De procesorde voorziet tot slot in een mondelinge behandeling van deze onderwerpen, gevolgd door een (tussen)vonnis.
1.3.
Overeenkomstig de vastgestelde procesorde hebben SDEJ en Car Claim ieder een akte genomen en hebben Mercedes, de Partners en Bosch ieder een antwoordconclusie genomen.
1.4.
Overeenkomstig de vastgestelde procesorde is vervolgens, bij tussenvonnis van 22 september 2021, een mondelinge behandeling bepaald. Deze mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 maart 2022. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Bij brief van 3 mei 2022 heeft mr. Sinninghe Damsté enkele opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal gemaakt.
1.5.
Overeenkomstig de vastgestelde procesorde is tot slot vonnis bepaald.
2. Inleiding
SDEJ
2.1.
SDEJ is opgericht op 1 juli 2019. Artikel 2 lid 1 van haar statuten luidt:
De stichting heeft ten doel het behartigen en voortzetten van de belangen van de Gedupeerden (…), waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claim;
b. het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden (…) stellen te hebben geleden;
d. het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in milieuzaken, in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
e. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.
Car Claim
2.2.
Car Claim is opgericht op 1 oktober 2015. Artikel 2 lid 1 van haar statuten luidt:
De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Autobezitters, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van verboden soft- en/of hardware in de Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van de Gemanipuleerde Voertuigen aan de Autobezitters;
b. het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (de gevolgen van) de toepassing van een of meer Updates op de Gemanipuleerde Voertuigen;
c. het vaststellen en het onderzoeken van (i) alle (financiële) gevolgen van het bovenstaande voor de Autobezitters, (ii) de mogelijkheid voor de Autobezitters om Vorderingen jegens (een of meer) Autofabrikanten geldend te (doen) maken, waaronder begrepen, maar niet beperkt tot het ontbinden van de door hen gesloten koopovereenkomsten van Gemanipuleerde Voertuigen met Lokale Handelaren tegen (volledige) terugbetaling van de koopprijs, (iii) de mogelijkheid voor de Autobezitters tot (algehele) vergoeding van de door hen geleden en nog te lijden schade te verkrijgen van de verantwoordelijke partijen, (iv) de mogelijkheid voor de Autobezitters om alle noodzakelijke vrijwaringen en/of garanties te (doen) verkrijgen ten aanzien van alle mogelijke negatieve gevolgen van de manipulatie van de Gemanipuleerde Voertuigen – zowel voor als na één of meer Updates – voor Gemanipuleerde Voertuigen, ten einde het ongestoord gebruik van de Gemanipuleerde Voertuigen te continueren en (v) alternatieve mogelijkheden tot oplossing van de uitstootproblemen van Gemanipuleerde Voertuigen;
d. het verkrijgen van een (aansprakelijkheids)verklaring voor recht van iedere bevoegde rechtbank dat (een of meer) Autofabrikanten, Bosch, hun (voormalige) besturen, hun (voormalige) raden van commissarissen, (een of meer) Importeurs, (een of meer) Lokale Handelaren en/of andere verwijtbare partijen toepasselijke wet- en regelgeving waaronder begrepen maar niet beperkt tot schending van wet- en regelgeving op het gebied van milieu(normen), oneerlijke handelspraktijken, misleidende reclame en/of het (consumenten)kooprecht en enige daaruit voor hen voortvloeiende plichten jegens de Autobezitters hebben geschonden;
e. het instellen van ge- of verbodsacties in rechte en/of het leggen van beslagen;
f. het verkrijgen van compensatie voor de (financiële) gevolgen voor de Autobezitters; en
g. al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.
SEC
2.3.
SEC is opgericht op 11 december 2020. Artikel 2.1 van haar statuten luidt:
De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Gedupeerden die één of meer Gemanipuleerde Voertuigen hebben aangeschaft of geleased, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
( a) het vaststellen en het onderzoeken van de gang van zaken die heeft geleid tot en betrekking heeft op (i) het ontwikkelen en het installeren van een of meer Manipulatie-instrumenten in Gemanipuleerde Voertuigen en (ii) het verkopen en/of leveren van Gemanipuleerde Voertuigen aan de Gedupeerden;
( b) het behartigen van de belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
( c) het wereldwijd behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met de Claims;
( d) het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden;
( e) het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in milieuzaken, in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
( f) al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.
Mercedes
2.4.
Mercedes-Benz Group AG produceert onder meer voertuigen met dieselmotoren.
2.5.
Mercedes-Benz Nederland B.V. importeert onder meer deze voertuigen in Nederland.
De Partners
2.6.
De als de Partners aangeduide groep van gedaagden bestaat uit dealers en servicepartners. De dealers verkopen nieuwe door Mercedes-Benz Group AG geproduceerde voertuigen. Zij voeren ook onderhoud aan deze voertuigen uit. De servicepartners verkopen geen nieuwe door Mercedes-Benz Group AG geproduceerde voertuigen; zij voeren wel onderhoud uit. Zij handelen daarnaast in gebruikte voertuigen, waaronder door Mercedes-Benz Group AG geproduceerde voertuigen.
Bosch
2.7.
Bosch produceert hard- en software voor (motoren van) voertuigen en levert deze aan onder andere Mercedes-Benz Group AG.
3. De dagvaarding van SDEJ
3.1.
De eis van SDEJ luidt na wijziging van eis:
REDENEN WAAROM de Stichting de Rechtbank verzoekt, zo veel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te oordelen als volgt:
Voor zover de Rechtbank oordeelt dat op de vorderingen de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie van toepassing is, zoals die op 1 januari 2020 in werking is getreden,
Ontvankelijkheid, exclusieve belangenbehartiger en nauw omschreven groep
1. de Stichting aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger in de zin van art. 1018e(1) BW;
2. te bepalen dat onderhavige collectieve actie op de navolgende groepen van personen en juridische entiteiten betrekking heeft in de zin van artikel 1018e(2) Rv: (hierna gezamenlijk: de Nauw Omschreven Groep):
2.1
alle personen en/of rechtspersonen die
2.1.1
een of meer nieuwe of gebruikte Getroffen Voertuigen hebben gekocht, waarbij onderscheid dient te worden gemaakt tussen de volgende subgroepen:
2.1.1.1 Consumenten die hun Getroffen Voertuig nieuw of tweedehands van een Dealer hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben;
2.1.1.2 Consumenten die hun Getroffen Voertuig nieuw of tweedehands van een Dealer hebben gekocht en die het Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben;
2.1.1.3 Lessees Kopers die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben;
2.1.1.4 Lessees Kopers en die hun Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben;
2.1.1.5 Consumenten die hun Getroffen Voertuig van een ander dan een Dealer hebben gekocht;
2.1.1.6 Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuigen nieuw of tweedehands van een Dealer hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben;
2.1.1.7 Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuigen nieuw of tweedehands van een Dealer hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben;
2.1.1.8 Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuig van een ander dan een Dealer hebben gekocht;
of,
2.1.2
een of meer nieuwe of gebruikte Getroffen Voertuigen uit hoofde van financial lease in bezit hebben, waarbij de Lessee nog geen juridisch eigenaar geworden is:
Opt out
3. te bepalen dat:
3.1
ieder lid van de Nauw Omschreven Groep dat in Nederland woonachtig is of domicilie heeft gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging in de zin van artikel 1018f lid 3 Rv van de uitspraak tot aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger, de mogelijkheid zal hebben bij schriftelijk bericht aan de griffie van de Rechtbank te laten weten zich van de behartiging van hun belangen in deze collectieve actie te onttrekken;
3.2
ieder lid van de Nauw Omschreven Groep dat buiten Nederland woonachtig is of domicilie heeft, gedurende een periode van zes maanden na de aankondiging in de zin van artikel 1018f lid 3 Rv van de uitspraak tot aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger, de mogelijkheid zal hebben bij schriftelijk bericht aan de griffie te laten weten in te stemmen met de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering.
Verklaringen voor recht
4. voor recht te verklaren dat:
4.1
ten aanzien van de bescherming van kleine zelfstandigen, dat verenigingen en stichtingen zonder winstoogmerk, alsmede, alsmede eenmanszaken, combinaties van natuurlijke personen zoals bijvoorbeeld vennootschappen onder firma, of rechtspersonen met slechts één werknemer waarvan de omzet in het boekjaar voorafgaand aan het jaar van aankoop van het Getroffen Voertuig niet hoger was dan EUR 100.000, in de in deze procedure toe te wijzen vonnissen hebben te gelden als consumenten.
4.2
ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken:
4.2.1
de gedragingen van de Daimler en de Importeur(s) (thans na de fusie Mercedes-Benz Nederland B.V., hierna in enkelvoud de “Importeur”) als omschreven in het lichaam van deze dagvaarding kwalificeren als een oneerlijke handelspraktijk en mitsdien jegens de Consumenten onrechtmatig zijn;
4.2.2
de gedragingen van de Daimler en de Importeur als omschreven in het lichaam van deze dagvaarding aan de Dealers zijn toe te rekenen zodat de oneerlijke handelspraktijken ook aan de Dealers kan worden tegengeworpen en hun gedragingen onrechtmatig zijn jegens de Consumenten;
4.2.3
de Overeenkomsten die tussen Consumenten en de Dealers tot stand zijn gekomen – althans voor 14 juni 2014 – tot stand zijn gekomen als gevolg van voornoemde oneerlijke handelspraktijken, vernietigbaar zijn;
4.2.4
de Dealers, Daimler en de Importeur gelet op de oneerlijke handelspraktijken jegens de Consumenten hoofdelijk schadeplichtig zijn.
4.3
ten aanzien van dwaling:
4.3.1
de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers bevoegd zijn de Overeenkomsten te vernietigen.
4.4
ten aanzien van conformiteit, productaansprakelijkheid en wanprestatie
4.4.1
dat de Getroffen Voertuigen niet aan de Overeenkomsten beantwoorden;
4.4.2
dat de redelijke termijn tot herstel of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ongebruikt is verstreken;
4.4.3
dat de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers gerechtigd zijn van de betreffende Dealers vervanging van het onderhavige Getroffen Voertuig te vorderen voor zover zij hun Getroffen Voertuig nog in hun bezit hebben;
4.4.4
dat de Consumenten, Lessees Kopers en Zakelijke Kopers de bevoegdheid hebben om hun respectieve Overeenkomsten met de respectievelijke Dealers te ontbinden.
4.5
ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, non-conformiteit, productaansprakelijkheid en wanprestatie:
4.5.1
dat de Consumenten, Lessees Kopers en Zakelijke Kopers die op grond van de in het kader van dit petitum toe te wijzen vorderingen, waaronder verklaringen voor recht, vernietiging dan wel ontbinding van de Overeenkomst met de desbetreffende Dealers vorderen, dan wel zaaksvervanging, bij toewijzing daarvan geen vergoeding voor het gebruik van het betreffende Getroffen Voertuig verschuldigd zijn;
4.6
ten aanzien van onrechtmatige daad:
4.6.1
dat ieder van Daimler, de Importeur en de Dealers, althans een of meer van hen, jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees onrechtmatig hebben gehandeld;
4.6.2
dat het onrechtmatig handelen van de Daimler en de Importeur jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees eveneens aan de Dealers kan worden tegengeworpen;
4.6.3
dat ieder van Daimler, de Importeur en de Dealers, althans een of meer van hen, zich jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatig handelen in groepsverband in de zin van artikel 6:166 BW;
Vorderingen tot vernietiging, ontbinding, zaaksvervanging en schadevergoeding
5. ten aanzien van de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers die ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis nog in het bezit van hun voertuig zijn en die voor het in deze procedure te wijzen eindvonnis niet kenbaar hebben gemaakt hun Getroffen Voertuig te willen behouden, te oordelen als volgt:
5.1
primair:
5.1.1
de vernietiging van de Overeenkomst tussen de Consument, Lessees Kopers of de Zakelijke Koper en de desbetreffende Dealers uit te spreken, de betreffende Dealers te veroordelen de gehele koopprijs van het Getroffen Voertuig terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
5.2
Subsidiair:
5.2.1
de betreffende Dealers van wie de Consument, Lessees Koper of de Zakelijke Koper het Getroffen Voertuig heeft gekocht te veroordelen het Getroffen Voertuig terug te nemen en te vervangen door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
subsidiair
5.2.2
de Daimler en de Importeur hoofdelijk te veroordelen het Getroffen Voertuig terug te nemen en te vervangen door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
5.3
Meer subsidiair:
5.3.1
Te verklaren voor recht dat de Overeenkomsten die de Consumenten, Lessees Kopers of de Zakelijke Kopers met de desbetreffende Dealers hebben gesloten zijn ontbonden en deze gehouden zijn aan de betreffende Consumenten en de Zakelijke Kopers de koopprijs terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
5.4
Meer subsidiair:
5.4.1
Te verklaren voor recht dat de Overeenkomsten die de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers met de desbetreffende Dealers hebben gesloten op eerste verzoek daartoe van een Consument, Lessees Kopers of een Zakelijke Koper als vernietigd dan wel meer subsidiair ontbonden hebben te gelden, waarna de desbetreffende Dealers gehouden zijn aan de betreffende Consumenten, Lessees Kopers of Zakelijke Kopers de koopprijs terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
5.5
meer subsidiair:
5.5.1
Daimler, de Importeur en de Dealers hoofdelijk te veroordelen de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers de schade te vergoeden die zij hebben geleden door middel van:
5.5.1.1 – indien de Consument, Lessees Koper en de Zakelijke Koper daarvoor opteert en verzoekt – een schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door vervanging van het Getroffen Voertuig door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat de Verweerders daarbij aanspraak zullen kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
5.5.1.2 een schadevergoeding.
6. ten aanzien van de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers die ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis niet langer in het bezit van hun Getroffen Voertuig zijn dan wel die voor het in deze procedure te wijzen eindvonnis kenbaar hebben gemaakt hun Getroffen Voertuig te willen behouden:
6.1
Daimler, de Importeur en de Dealers hoofdelijk te veroordelen de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers de schade te vergoeden die zij hebben geleden, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen.
7. ten aanzien van Lessees:
7.1
Daimler en de Importeur hoofdelijk te veroordelen de Lessees de schade te vergoeden die zij hebben geleden, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen
8. In alle gevallen waarin een geldvordering wordt toegewezen, deze te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment dat de Gedaagden, dan wel een of meer van hen, in verzuim zijn, waarbij de Stichting ten behoeve van de zakelijke gedupeerden aanspraak maakt op wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW.
9. Gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief, indien van toepassing, de redelijke en evenredige kosten als bedoeld in artikel 1018l lid 2 BW die de Stichting met het oog op de procedure heeft gemaakt, één en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis.
een en ander met dien verstande dat voor zover Uw Rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 1, 2 en 3 van dit petitum komen te vervallen, alsmede de vorderingen tot betaling van een schadevergoeding in geld.
3.2.
De eis van Car Claim luidt na wijziging van eis:
REDENEN WAAROM de Stichting de Rechtbank verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te oordelen als volgt:
Voor zover de Rechtbank oordeelt dat op de vorderingen de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie van toepassing is, zoals die op 1 januari 2020 in werking is getreden,
Ontvankelijkheid exclusieve belangenbehartiger en nauw omschreven groep
A. voor recht te verklaren dat de Stichting ontvankelijk is in deze collectieve actieprocedure;
B. indien en voor zover ook SDEJ ontvankelijk is, SDEJ aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv; en
C. te bepalen dat het de Stichting wordt toegestaan zelfstandig proceshandelingen te verrichten, een en ander zo veel mogelijk afgestemd met de exclusieve belangenbehartiger;
1. te bepalen dat onderhavige collectieve actie op de navolgende groepen van personen en juridische entiteiten betrekking heeft in de zin van artikel 1018e lid 2 Rv: (hierna gezamenlijk: de Nauw Omschreven Groep):
1.1
alle personen en/of rechtspersonen die, primair binnen de Europese Unie en subsidiair binnen Nederland,
1.1.1
een of meer nieuwe of gebruikte Getroffen Voertuigen hebben gekocht, waarbij onderscheid dient te worden gemaakt tussen de volgende subgroepen:
1.1.1.1 Consumenten die hun Getroffen Voertuig nieuw of tweedehands van een Handelaar hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben;
1.1.1.2 Consumenten die hun Getroffen Voertuig nieuw of tweedehands van een Handelaar hebben gekocht en die het Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben;
1.1.1.3 Lessees Kopers die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben;
1.1.1.4 Lessees Kopers en die hun Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben;
1.1.1.5 Consumenten die hun Getroffen Voertuig van een ander dan een Handelaar hebben gekocht;
1.1.1.6 Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuigen nieuw of tweedehands van een Handelaar hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig nog in bezit hebben;
1.1.1.7 Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuigen nieuw of tweedehands van een Handelaar hebben gekocht en die hun Getroffen Voertuig niet langer in bezit hebben;
1.1.1.8 Zakelijke Kopers die hun Getroffen Voertuig van een ander dan een Handelaar hebben gekocht;
of,
1.1.2
een of meer nieuwe of gebruikte Getroffen Voertuigen uit hoofde van financial lease in bezit hebben, waarbij de Lessee nog geen juridisch eigenaar geworden is;
Opt out
2. te bepalen dat:
2.1
ieder lid van de Nauw Omschreven Groep dat in Nederland woonachtig is of domicilie heeft gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging in de zin van artikel 1018f lid 3 Rv van de uitspraak tot aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger, de mogelijkheid zal hebben bij schriftelijk bericht aan de griffie van de Rechtbank te laten weten zich van de behartiging van hun belangen in deze collectieve actie te onttrekken;
2.2
ieder lid van de Nauw Omschreven Groep dat buiten Nederland woonachtig is of domicilie heeft, gedurende een periode van zes maanden na de aankondiging in de zin van artikel 1018f lid 3 Rv van de uitspraak tot aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger, de mogelijkheid zal hebben bij schriftelijk bericht aan de griffie te laten weten in te stemmen met de behartiging van hun belangen in deze collectieve vordering.
Verklaringen voor recht
3. voor recht te verklaren dat:
3.1
ten aanzien van de bescherming van kleine zelfstandigen, dat verenigingen en stichtingen zonder winstoogmerk, alsmede eenmanszaken, combinaties van natuurlijke personen zoals bijvoorbeeld vennootschappen onder firma, of rechtspersonen met slechts één werknemer waarvan de omzet in het boekjaar voorafgaand aan het jaar van aankoop van het Getroffen Voertuig niet hoger was dan EUR 100.000, in de in deze procedure toe te wijzen vonnissen hebben te gelden als consumenten.
3.2
ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken:
3.2.1
de gedragingen van Daimler en de Importeurs als omschreven in het lichaam van deze dagvaarding kwalificeren als een oneerlijke handelspraktijk en mitsdien jegens de Consumenten onrechtmatig zijn;
3.2.2
de gedragingen van Daimler en de Importeurs als omschreven in het lichaam van deze dagvaarding aan de Handelaren zijn toe te rekenen zodat de oneerlijke handelspraktijken ook aan de Handelaren kan worden tegengeworpen en hun gedragingen onrechtmatig zijn jegens de Consumenten;
3.2.3
de Overeenkomsten die tussen Consumenten en de Handelaren tot stand zijn gekomen – althans voor 14 juni 2014 – tot stand zijn gekomen als gevolg van voornoemde oneerlijke handelspraktijken, vernietigbaar zijn;
3.2.4
de Handelaren, Daimler en de Importeurs gelet op de oneerlijke handelspraktijken jegens de Consumenten hoofdelijk schadeplichtig zijn.
3.3
ten aanzien van dwaling:
3.3.1
de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers bevoegd zijn de Overeenkomsten te vernietigen.
3.4
ten aanzien van conformiteit productaansprakelijkheid en wanprestatie:
3.4.1
dat de Getroffen Voertuigen niet aan de Overeenkomsten beantwoorden;
3.4.2
dat de redelijke termijn tot herstel of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ongebruikt is verstreken;
3.4.3
dat de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers gerechtigd zijn van de betreffende Handelaren vervanging van het onderhavige Getroffen Voertuig te vorderen voor zover zij hun Getroffen Voertuig nog in hun bezit hebben;
3.4.4
dat de Consumenten, Lessees Kopers en Zakelijke Kopers de bevoegdheid hebben om hun respectieve Overeenkomsten met de respectievelijke Handelaren te ontbinden.
3.5
ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, non-conformiteit, productaansprakelijkheid en wanprestatie:
3.5.1
dat de Consumenten, Lessees Kopers en Zakelijke Kopers die op grond van de in het kader van dit petitum toe te wijzen vorderingen, waaronder verklaringen voor recht, vernietiging dan wel ontbinding van de Overeenkomst met de desbetreffende Handelaren vorderen, dan wel zaaksvervanging, bij toewijzing daarvan geen vergoeding voor het gebruik van het betreffende Getroffen Voertuig verschuldigd zijn;
3.6
ten aanzien van onrechtmatige daad:
3.6.1
dat ieder van Daimler, de Importeurs en de Handelaren, althans een of meer van hen, jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees onrechtmatig hebben gehandeld;
3.6.2
dat het onrechtmatig handelen van Daimler en de Importeurs jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees eveneens aan de Handelaren kan worden tegengeworpen;
3.6.3
dat ieder van Daimler, de Importeurs en de Handelaren, althans een of meer van hen, zich jegens de Consumenten, de Zakelijke Kopers en de Lessees schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatig handelen in groepsverband in de zin van artikel 6:166 BW;
Vorderingen tot vernietiging, ontbinding, zaaksvervanging en schadevergoeding
4. ten aanzien van de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers die ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis nog in het bezit van hun voertuig zijn en die voor het in deze procedure te wijzen eindvonnis niet kenbaar hebben gemaakt hun Getroffen Voertuig te willen behouden, te oordelen als volgt:
4.1
primair:
4.1.1
de vernietiging van de Overeenkomst tussen de Consument, Lessees Kopers of de Zakelijke Koper en de desbetreffende Handelaren uit te spreken, de betreffende Handelaren te veroordelen de gehele koopprijs van het Getroffen Voertuig terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
4.2
subsidiair:
4.2.1
de betreffende Handelaren van wie de Consument, Lessees Koper of de Zakelijke Koper het Getroffen Voertuig heeft gekocht te veroordelen het Getroffen Voertuig terug te nemen en te vervangen door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
Subsidiair
4.2.2
Daimler en de Importeurs hoofdelijk te veroordelen het Getroffen Voertuig terug te nemen en te vervangen door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
4.3
meer subsidiair:
4.3.1
te verklaren voor recht dat de Overeenkomsten die de Consumenten, Lessees Kopers of de Zakelijke Kopers met de desbetreffende Handelaren hebben gesloten zijn ontbonden en deze gehouden zijn aan de betreffende Consumenten en de Zakelijke Kopers de koopprijs terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
4.4
meer subsidiair:
4.4.1
te verklaren voor recht dat de Overeenkomsten die de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers met de desbetreffende Handelaren hebben gesloten op eerste verzoek daartoe van een Consument, Lessees Kopers of een Zakelijke Koper als vernietigd dan wel meer subsidiair ontbonden hebben te gelden, waarna de desbetreffende Handelaren gehouden zijn aan de betreffende Consumenten, Lessees Kopers of Zakelijke Kopers de koopprijs terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
4.5
meer subsidiair:
4.5.1
Daimler en de Importeurs en de Handelaren hoofdelijk te veroordelen de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers de schade te vergoeden die zij hebben geleden door middel van:
4.5.1.1 – indien de Consument, Lessees Koper en de Zakelijke Koper daarvoor opteert en verzoekt – een schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door vervanging van het Getroffen Voertuig door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat de Gedaagden daarbij aanspraak zullen kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
4.5.1.2 een schadevergoeding, zoals nader door de rechtbank vast te stellen;
5. ten aanzien van de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers die ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis niet langer in het bezit van hun Getroffen Voertuig zijn dan wel die voor het in deze procedure te wijzen eindvonnis kenbaar hebben gemaakt hun Getroffen Voertuig te willen behouden:
5.1
Daimler, de Importeurs en de Handelaren hoofdelijk te veroordelen de Consumenten, Lessees Kopers en de Zakelijke Kopers de schade te vergoeden die zij hebben geleden, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen;
6. ten aanzien van Lessees:
6.1
Daimler en de Importeurs hoofdelijk te veroordelen de Lessees de schade te vergoeden die zij hebben geleden, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen;
7. In alle gevallen waarin een geldvordering wordt toegewezen, deze te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment dat de Gedaagden, dan wel een of meer van hen, in verzuim zijn, waarbij de Stichting ten behoeve van de zakelijke gedupeerden aanspraak maakt op wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW.
8. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief, indien van toepassing, de redelijke en evenredige kosten als bedoeld in artikel 1018l lid 2 BW die de Stichting met het oog op de procedure heeft gemaakt, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen, één en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis;
een en ander met dien verstande dat voor zover de Rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 1 en 2 van dit petitum komen te vervallen, alsmede de vorderingen tot betaling van een schadevergoeding in geld.
3.3.
De eis van SEC luidt:
Het uw Rechtbank behage om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Verzoek aanwijzing Exclusieve Belangenbehartiger
Verklaringen voor recht
Ten aanzien van Daimler, de Importeurs en Bosch
2. Te verklaren voor recht dat ieder van hen (dus Daimler, de Importeurs en Bosch onrechtmatig jegens Gedupeerden heeft gehandeld;
3. Te verklaren voor recht dat Daimler, de Importeurs en Bosch hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg van hun onrechtmatig handelen door Gedupeerden geleden schade en gehouden zijn die schade te vergoeden;
Ten aanzien van de Dealers
4. Te verklaren voor recht dat de door de Dealers verkochte Sjoemeldiesels non-conform zijn in de zin van artikel 7:17 e.v. BW;
5 . Te verklaren voor recht dat de koopovereenkomsten tussen de Dealers en de Gedupeerden van groep B als gevolg van de non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn;
Vordering tot veroordeling tot schadevergoeding en vergoeding van proceskosten
Ten aanzien van Daimler, de Importeurs en Bosch
6. Daimler, de Importeurs en Bosch hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door Gedupeerden geleden schade, nader op te maken bij staat;
Ten aanzien van alle Gedaagden
7. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de door uw rechtbank nader vast te stellen redelijke en evenredige kosten die Stichting in verband met het instellen van deze procedure heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1018l lid 2 BW en de nakosten, en al deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure waaronder de nakosten ten bedrage van respectievelijk € 157,- zonder betekening en € 239,- in geval van betekening, indien en voor zover gedaagden niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een door uw Rechtbank vast te stellen termijn, na betekening van het ten deze te wijzen vonnis betaling heeft voldaan;
en
voor zover de WAMCA op de vorderingen van de Stichting van toepassing wordt geacht en een uitspraak ingevolge artikel 1018i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt gewezen, vordert de Stichting op grond van artikel 1018l, tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de Stichting heeft gemaakt.
4. De akten van SDEJ en Car Claim
4.1.
SDEJ concludeert in haar hiervoor in 1.2 bedoelde akte primair tot niet-ontvankelijkheid van SEC, met het verzoek tevens te bepalen dat Bosch geen partij is in deze procedure en subsidiair, voor het geval SEC deels ontvankelijk is, te bepalen dat SEC uitsluitend ontvankelijk is in haar vorderingen tegen Bosch, met veroordeling van SEC in de proceskosten die betrekking hebben op de procesverrichtingen die het gevolg zijn van de interventie van SEC in deze procedure.
4.2.
Car Claim concludeert in haar hiervoor in 1.2 bedoelde akte tot niet-ontvankelijkheid van SEC, tot referte met betrekking tot de positie van Bosch en tot veroordeling van SEC in de proceskosten die verband houden met de interventie van SEC in deze procedure.
5. De antwoordconclusies van Mercedes, de Partners en Bosch
5.1.
Mercedes sluit haar hiervoor in 1.2 bedoelde conclusie als volgt af:
Daimler c.s. verzoekt uw rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. zich onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de door eiseressen ingestelde vorderingen jegens Daimler AG en MBNL, althans (subsidiair):
- zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van elke onderliggende vordering waarvan de Stichtingen beogen deze onderdeel te laten zijn van onderhavige procedure, maar die voor 31 juli 2020 is ingesteld bij een gerecht in een andere EU-lidstaat, en ten aanzien waarvan dat andere gerecht zich ten tijde van het vonnis van uw rechtbank reeds bevoegd heeft verklaard; en
- de onderhavige zaak aan te houden ten aanzien van elke onderliggende vordering waarvan de Stichtingen beogen deze onderdeel te laten zijn van onderhavige procedure, maar die voor 31 juli 2020 is ingesteld bij een gerecht in een andere EU-lidstaat, en ten aanzien waarvan dat andere gerecht zich ten tijde van het vonnis van uw rechtbank zich nog niet bevoegd heeft verklaard;
dan wel (indien uw rechtbank oordeelt dat geen sprake is van litispendentie, maar van connexiteit):
- de onderhavige zaak aan te houden ten aanzien van elke onderliggende vordering waarvan de Stichtingen beogen deze onderdeel te laten zijn van onderhavige procedure, maar die voor 31 juli 2020 is ingesteld bij een gerecht in een andere EU-lidstaat, zolang in die procedure in de andere lidstaat nog geen uitspraak is gedaan die in gezag van gewijsde is gegaan.
en, voor zover uw rechtbank zich bevoegd zou achten (al dan niet na aanhouding),
2. SEC niet-ontvankelijk te verklaren in haar collectieve vordering;
3. te bepalen dat de ingestelde collectieve vorderingen, voor zover ontvankelijk, zullen worden behandeld:
- volgens het wettelijke regime zoals dat gold tot 1 januari 2020 voor zover de vorderingen zien op Mercedes-Benz dieselvoertuigen die zijn geproduceerd vóór 15 november 2016;
- volgens de WAMCA voor zover de vorderingen zien op Mercedes-Benz dieselvoertuigen die zijn geproduceerd op of na 15 november 2016;
en
4. de eiseressen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van EUR 163,- zonder betekening, dan wel EUR 248,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertigen dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
5.2.
De Partners sluiten hun hiervoor in 1.2 bedoelde conclusie als volgt af:
MET CONCLUSIE:
dat het uw Rechtbank behage bij vonnis, steeds voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- zich relatief onbevoegd te verklaren ten aanzien van de vorderingen van de Stichtingen voor zover deze zijn ingesteld tegen Partners die geen statutaire zetel hebben in uw arrondissement en het aangelegenheden betreft die niet zien op een filiaal in uw arrondissement;
- zich relatief onbevoegd te verklaren ten aanzien van Smeets en MBDB vanwege hun beroep op forumkeuzes voor respectievelijk de Rechtbank Limburg en de Rechtbank Den Haag;
en voor zover uw Rechtbank zich bevoegd zou achten,
- SEC niet-ontvankelijk te verklaren in haar collectieve vordering;
- te bepalen dat de ingestelde collectieve vorderingen, voor zover ontvankelijk, zullen worden behandeld:
- volgens het wettelijk regime zoals dat gold tot 1 januari 2020 voor zover de vorderingen zien op Mercedes-Benz dieselvoertuigen die zijn geproduceerd vóór 15 november 2016;
- volgens de WAMCA voor zover de vorderingen zien op Mercedes-Benz dieselvoertuigen die zijn geproduceerd op of na 15 november 2016;
en
- de Stichtingen te veroordelen tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten van EUR 255 zonder betekening, verhoogd met een bedrag van EUR 85 in geval van betekening, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd.
5.3.
De hiervoor in 1.2 bedoelde conclusie van Bosch bevat, voor zover in deze procedure van belang, de volgende conclusies:
69. SEC dient ingevolge de door haarzelf en de rechtbank Amsterdam (voorlopig) van toepassing verklaarde procesrechtelijke regels van de WAMCA niet-ontvankelijk te worden verklaard. De door SEC jegens Bosch ingestelde vorderingen zullen daarbij vervallen. Nu alleen SEC – en niet SDEJ en SCC – Bosch heeft gedagvaard, leidt dit tot de slotsom dat Bosch niet langer als (voorlopige) gedaagde in deze procedure beschouwd kan worden.
(…)
6. CONCLUSIE
95. In het voorgaande heeft Bosch toegelicht dat de rechtbank Amsterdam op basis van de Brussel I-bis Verordening onbevoegd is ten opzichte van de vorderingen van SEC jegens Bosch (…).
96. Voor het geval de rechtbank Amsterdam zich wel bevoegd acht, dient SEC niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat SEC Bosch ingevolge de procesregels van de WAMCA – waarop SEC zich expliciet beroept – niet heeft gedagvaard binnen de wettelijke termijn (…). Subsidiair geldt dat de vorderingen van SEC moeten worden afgewezen, omdat niet het regime van de WAMCA maar dat van artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op de vorderingen van SEC jegens Bosch (…). De vorderingen van SEC jegens Bosch dienen daarom zonder meer buiten beschouwing te blijven in het vervolg van de collectieve procedure tegen Daimler en de overige gedaagden. Nu SDEJ en SCC geen vorderingen hebben ingesteld jegens Bosch kan Bosch niet (langer) worden aangemerkt als procespartij in deze procedure.
6. De beoordeling
Inleiding
6.1.
Zoals hiervoor in 1.2 reeds is vermeld, voorziet de bij de rolbeslissing van 21 april 2021 vastgestelde procesorde voor de eerste fase in de behandeling van drie onderwerpen: (i) de positie van SEC en Bosch volgens de WAMCA, (ii) de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en (iii) de toepasselijkheid van de WAMCA en/of artikel 3:305a (oud) BW op elk van de vorderingen.
6.2.
Deze drie onderwerpen zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld. De behandeling van het tweede onderwerp, de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, zal worden gecombineerd met de door Mercedes en de Partners opgeworpen vraag naar de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank.
De positie van SEC en Bosch
6.3.
SDEJ stelt in haar dagvaarding dat de gebeurtenissen waarop haar vorderingen betrekking hebben worden bestreken door de WAMCA. SDEJ heeft haar dagvaarding dan ook op 31 juli 2020 op de voet van artikel 1018c lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) doen aantekenen in het in de WAMCA voorziene centraal register voor collectieve vorderingen.
6.4.
Nu SDEJ haar dagvaarding heeft ingeschreven in het centraal register op 31 juli 2020, eindigde de termijn voor andere collectieve belangenbehartigers om een vordering op grond van dezelfde gebeurtenis(sen) in te stellen op 31 oktober 2020. Bij rolbeslissing van 30 september 2020 heeft de rechtbank, nadat SDEJ en de door haar gedagvaarde partijen zich daarover hadden uitgelaten, op verzoek van Car Claim de in artikel 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn van drie maanden met twee maanden verlengd tot 31 december 2020. Car Claim heeft vervolgens op 30 december 2020 de eerder door SDEJ gedagvaarde partijen – op een hier niet van belang zijnde uitzondering na – op de voet van artikel 1018d Rv gedagvaard.
6.5.
Binnen de aldus verlengde termijn, namelijk op 30 december 2020, heeft ook SEC de eerder door SDEJ gedagvaarde partijen – op een hier niet van belang zijnde uitzondering na – op de voet van artikel 1018d Rv gedagvaard. SEC heeft bovendien Bosch gedagvaard. SEC heeft in haar dagvaarding verwezen naar de door SDEJ aanhangig gemaakte zaak en de rolbeslissing van 30 september 2020. SEC heeft daaraan toegevoegd dat zij gebruik maakt van de mogelijkheid om binnen de aldus verlengde termijn een collectieve actie tegen gedaagden te beginnen.
6.6.
Het voorgaande roept de preliminaire vraag op naar de positie van SEC en, in het verlengde daarvan, naar die van Bosch. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de procesrechtelijke regels van de WAMCA (titel 14A van Boek III Rv). SDEJ heeft immers de WAMCA-ingang genomen door een dagvaarding op de voet van artikel 1018c Rv uit te brengen. Car Claim en SEC zijn SDEJ daarin gevolgd en ook Bosch heeft zich op de voet van de WAMCA gesteld in deze procedure. Deze keuze van partijen bepaalt in beginsel het voor de ingang van de procedure geldende regime. Met de WAMCA is immers een gedetailleerd procesrechtelijk systeem ingevoerd gericht op collectieve afdoening, waarbij uit de kring van belangenorganisaties een exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen. Daarvoor is een centraal register voor collectieve vorderingen in het leven geroepen en gelden bijzondere procedureregels met korte termijnen waarbinnen (relatief) snel duidelijk wordt wie betrokken zijn in de procedure en wat hun procesrechtelijke positie wordt. Als een belangenorganisatie zoals SDEJ besluit een dagvaarding uit te brengen op de voet van de WAMCA en die overeenkomstig artikel 1018c lid 2 Rv inschrijft in het centraal register, brengt dit dan ook mee dat de bijzondere procedure gevolgd moet worden. Aan het voorgaande doet niet af het antwoord op de vraag of uiteindelijk de WAMCA op de in geding zijnde vorderingen daadwerkelijk van toepassing is of dat de vorderingen beoordeeld moeten worden op basis van artikel 3:305a (oud) BW.
6.7.
Zodra een belangenorganisatie een dagvaarding op de voet van artikel 1018c lid 2 Rv inschrijft in het centraal register, dwingt de driemaandentermijn van artikel 1018d lid 1 Rv andere potentiële belangenorganisaties tot actie. Zij dienen in beginsel binnen die termijn te dagvaarden. Als die termijn niet volstaat, kunnen zij op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv binnen één maand na de inschrijving verzoeken om verlenging. Die verlenging is niet vanzelfsprekend. De rechter beslist op basis van de aangevoerde argumenten van de reeds verschenen partijen (in dit geval de verzoekende belangenorganisatie, de eerste belangenorganisatie en de gedaagden). De rechter heeft, gelet op het woord “kan” in artikel 1018d lid 2 Rv, een discretionaire bevoegdheid. Het gaat dus om een beslissing op verzoek van een specifieke partij tot het al dan niet verlengen van de termijn, die wordt genomen op grond van de dan bekende feiten en omstandigheden. Bij dit wettelijk systeem past niet dat (ook) een ten tijde van de beslissing nog niet in de procedure bekende (en in dit geval zelfs nog niet bestaande) belangenorganisatie zou mogen dagvaarden binnen de ten behoeve van een andere belangenorganisatie op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv verlengde termijn. Die belangenorganisatie zou daarmee buiten elke rechterlijke toetsing om een verlengde termijn in de schoot geworpen krijgen. Daarmee zou bovendien afbreuk worden gedaan aan de in de WAMCA en de wetsgeschiedenis neergelegde gedachte dat binnen drie maanden na de aantekening in het centraal register bekend is welke andere belangenorganisaties hebben gedagvaard dan wel om een termijnverlenging hebben verzocht en dat na uiterlijk zes maanden bekend is welke van die laatste belangenorganisaties ook daadwerkelijk gedagvaard hebben.
6.8.
Uit het voorgaande vloeit voort dat SEC niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij haar dagvaarding niet binnen de wettelijke termijn van artikel 1018d lid 1 Rv heeft uitgebracht en ook niet om verlenging van die termijn heeft verzocht op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv. Dit heeft tot gevolg dat Bosch, die uitsluitend door SEC is gedagvaard, geen partij (meer) is in deze procedure. SEC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de aan de zijde van SDEJ, Car Claim, Mercedes, de Partners en Bosch gevallen proceskosten, tot dit vonnis steeds begroot op EUR 1.126,00 (twee punten, tarief II) aan salaris advocaat, bij Bosch te vermeerderen met EUR 656,00 aan griffierecht.
6.9.
De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat Car Claim op de voet van artikel 1018d Rv wel ontvankelijk is, nu zij tijdig om verlenging heeft verzocht en vervolgens binnen de verlengde termijn haar vordering heeft ingesteld.
Internationale en relatieve bevoegdheid – inleiding
6.10.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat Mercedes-Benz Group AG gevestigd is in Duitsland en SDEJ en Car Claim beogen de belangen te behartigen van (rechts)personen die primair binnen de Europese Unie (en subsidiair binnen Nederland) nieuwe of tweedehands “Getroffen Voertuigen” hebben gekocht of geleased. Daarom is allereerst van belang de Verordening (EU) nummer 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351 (hierna: Verordening Brussel I bis ofwel de Verordening). Het geschil valt immers zowel materieel, formeel als temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening. Dat betekent dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beoordeeld moet worden aan de hand van de bepalingen van deze verordening. Deze bepalingen moeten autonoom worden uitgelegd in het licht van de ontstaansgeschiedenis, de doelstellingen en het systeem van de Verordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de Verordening en de voorlopers daarvan.
6.10.1.
In dit verband is van belang dat in overweging 15 van de considerans van Verordening Brussel I bis is bepaald dat de bevoegdheidsregels in hoge mate voorspelbaar moeten zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de gedaagde. In de Verordening zijn ook bijzondere bevoegdheidsregels opgenomen volgens welke een gedaagde in bepaalde gevallen kan worden opgeroepen voor de gerechten van een andere lidstaat. Blijkens overweging 16 van de considerans zijn die alternatieve bevoegdheidsregels gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de gedaagde wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was.
6.10.2.
De rechter moet in het kader van de toetsing van zijn rechtsmacht acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de gedaagde. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag dus niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van de vordering. De rechtszekerheid verlangt dat de nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken. Zie bijvoorbeeld HvJ EU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449, Universal Music/Schilling, punt 42-46 en HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694.
6.11.
In deze zaak zijn voorts van belang de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over de bevoegdheid voor geheel nationale gevallen.
Internationale en relatieve bevoegdheid – SDEJ en Car Claim
6.12.
Zowel artikel 3:305a (oud) BW als artikel 3:305a (nieuw) BW bepalen dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.
6.13.
De Verordening Brussel I bis bevat geen bijzondere regels voor de rechtsmacht in geval van collectieve acties, zodat de algemene regels van toepassing zijn. Uitgegaan moet worden van de (groepen van) (rechts)personen voor wier belangen de stichting of vereniging stelt op te komen. Dat betekent dat de rechtbank de vraag naar haar internationale en relatieve bevoegdheid in deze procedure, waarbij SDEJ en Car Claim als eisende partijen optreden, beantwoordt met als uitgangspunt dat de (rechts)personen voor wier belangen SDEJ en Car Claim stellen op te komen, zelf de betreffende rechtsvorderingen tegen de gedaagden zouden hebben ingesteld (vergelijk HvJ EU 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335, CDC/Akzo Nobel en HvJ EU 14 november 2017, ECLI:EU:C:2017:863, Schrems/Facebook).
6.14.
SDEJ en Car Claim beogen de belangen te behartigen van alle natuurlijke personen en/of rechtspersonen die, volgens de dagvaardingen, primair binnen de Europese Unie en subsidiair binnen Nederland, (A) een of meer “Getroffen Voertuigen” hebben gekocht of (B) een of meer “Getroffen Voertuigen” uit hoofde van financial lease in bezit hebben (gehad).
6.15.
Bij de vorderingen van SDEJ en Car Claim doet zich de bijzonderheid voor dat niet alle vorderingen tegen alle gedaagden zijn ingesteld ten behoeve van dezelfde (groepen van) (rechts)personen wier belangen SDEJ en Car Claim stellen te behartigen. Zo zijn de tegen Mercedes-Benz Group AG gerichte vorderingen ingesteld ten behoeve van de gehele groep van (rechts)personen wier belangen SDEJ en Car Claim stellen te behartigen, terwijl de tegen de Partners gerichte vorderingen, zo begrijpt de rechtbank en zo hebben ook gedaagden dat begrepen, uitsluitend zijn ingesteld ten behoeve van rechtspersonen die van de Partners een voertuig hebben gekocht of via lease onder zich hebben gekregen. De vorderingen gericht tegen Mercedes-Benz Nederland B.V. betreffen voertuigen die door haar zijn geïmporteerd en door haar aan de Partners zijn geleverd (die ze op hun beurt hebben doorverkocht aan de eindgebruikers). Deze verschillen zijn van belang voor de beoordeling van de rechtsmacht, zoals hierna zal blijken. Om die reden zal de rechtbank de groep die van de Partners een voertuig heeft gekocht of via lease onder zich heeft gekregen hierna aanduiden als de NL Kopers. Dit ter onderscheiding van de andere (rechts)personen wier belangen SDEJ en Car Claim ook stellen te behartigen en die niet bij een van de Partners een voertuig hebben gekocht of via lease onder zich hebben gekregen, maar bij een autodealer elders in de Europese Unie, hierna aan te duiden als de “Niet NL Kopers”. Het onderscheidend criterium tussen deze twee categorieën is aan de eisende kant dus niet de woonplaats van de koper maar de vraag of de koper een voertuig al dan niet bij een van de (in Nederland gevestigde) Partners heeft gekocht.
Internationale en relatieve bevoegdheid – Mercedes-Benz Nederland B.V. en de Partners
6.16.
Mercedes-Benz Nederland B.V. en de Partners hebben alle woonplaats in Nederland. Voor zover de door SDEJ en Car Claim tegen Mercedes-Benz Nederland B.V. en de Partners ingestelde rechtsvorderingen strekken tot bescherming van (gelijksoortige) belangen van in Nederland wonende NL Kopers is er geen internationale bevoegdheid kwestie. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter berust op het nationale recht. Voor zover de door SDEJ en Car Claim tegen Mercedes-Benz Nederland B.V. en de Partners ingestelde rechtsvorderingen strekken tot bescherming van (gelijksoortige) belangen van niet in Nederland wonende NL Kopers (dat betreft naar de rechtbank aanneemt slechts een relatief gering aantal (rechts)personen) is er sprake van een internationaal aspect. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van die rechtsvorderingen kennis te nemen, berust op artikel 4 lid 1 Verordening Brussel I bis.
6.17.
De relatieve bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van de door SDEJ en Car Claim tegen Mercedes-Benz Nederland B.V. en de Partners ingestelde rechtsvorderingen moet worden beoordeeld aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Artikel 99 lid 1 Rv bepaalt dat, tenzij de wet anders bepaalt, bevoegd is de rechter van de woonplaats van de gedaagde. Mercedes voert aan dat Mercedes-Benz Nederland B.V. geen woonplaats heeft in het arrondissement Amsterdam. De Partners voeren aan dat alleen servicepartner Cor Millenaar B.V. (gedaagde 15) volgens haar statuten haar zetel in het arrondissement Amsterdam heeft (vergelijk artikel 1:10 lid 2 BW) en dat alleen servicepartner Auto Kökcü B.V. (gedaagde 5) en dealers Gomes Noord-Holland B.V. (gedaagde 16) en Stern 1M B.V. (gedaagde 22) een filiaal houden in het arrondissement Amsterdam (vergelijk artikel 1:14 BW).
6.17.1.
SDEJ en Car Claim beroepen zich hiertegenover op artikel 107 Rv. Dat beroep is gegrond. Redengevend is het volgende. Artikel 107 Rv bepaalt dat indien een rechter ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd is, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Een dergelijke samenhang zal snel worden aangenomen. Slechts indien de vorderingen niets met elkaar te maken hebben, zal aan deze voorwaarde niet zijn voldaan. Het betreft hier immers niet, zoals wel het geval is met betrekking tot Mercedes-Benz Group AG, een situatie waarin Mercedes-Benz Nederland B.V. en de partners worden onttrokken aan de rechter die rechtsmacht heeft volgens artikel 4 lid 1 Verordening Brussel I bis.
6.17.2.
Deze rechtbank is relatief bevoegd ten aanzien van Cor Millenaar B.V. en (de filialen van) Auto Kökcü B.V., Gomes Noord-Holland B.V. en Stern 1M B.V. In een collectieve actie houden SDEJ en Car Claim deze gedaagden, de overige Partners en Mercedes-Benz Nederland B.V. als onderdeel van een bij Mercedes-Benz Group AG beginnende keten van partijen verantwoordelijk voor de schade van hun achterban. De in dit verband te beantwoorden feitelijke en juridische vragen zijn ten aanzien van ieder van hen voor een groot deel dezelfde of hangen met elkaar samen. Ten aanzien van de vorderingen jegens Mercedes-Benz Nederland B.V. en de partners zal moeten worden vastgesteld of in de door hen in Nederland geïmporteerde, verkochte en geleasede “Getroffen Voertuigen” het door SDEJ en Car Claim beweerde illegale manipulatie-instrument aanwezig was, waardoor de voertuigen niet voldeden aan de toepasselijke Europese en Nederlandse wet- en regelgeving. Mercedes en de Partners hebben wat betreft de Partners gewezen op het onderscheid tussen dealers en servicepartners, maar hebben niet aangevoerd dat tussen de dealers respectievelijk servicepartners onderling wezenlijke verschillen zijn aan te wijzen, die voor de beoordeling van de in dit geschil voorliggende vorderingen van belang zijn.
6.17.3.
De Partners voeren nog aan dat Smeets M.B. Eindhoven B.V., Smeets M.B. Venlo B.V. en Smeets M.B. Zuid-Limburg B.V. (gedaagden 19 tot en met 21) met hun klanten forumkeuzes voor de rechtbank Limburg zijn overeengekomen en dat Mercedes-Benz Dealer Bedrijven B.V. (gedaagde 18) met haar klanten forumkeuzes voor de rechtbank Den Haag is overeengekomen. Dit verweer faalt. Naar de rechtbank begrijpt, hebben SDEJ en Car Claim alle Partners gedagvaard. Met de aard van de collectieve actie, die effectief en efficiënt dient te zijn, laat zich niet verenigen dat enkele Partners zich op grond van individuele overeenkomsten met hun klanten aan gezamenlijke behandeling door één rechtbank zouden kunnen onttrekken. De Partners lichten ook niet toe welk specifiek belang de betrokken Partners onder de gegeven omstandigheden daarbij hebben. Hetgeen de Partners hebben aangevoerd ten aanzien van de volgens hen ‘grote feitelijke en juridische verschillen’ tussen de Partners is daartoe onvoldoende: als deze verschillen er al zijn is dit voor de beantwoording van de in dit geschil voorliggende vorderingen van onvoldoende belang om opsplitsing van het geschil over verschillende rechtbanken te rechtvaardigen.
Internationale en relatieve bevoegdheid – Mercedes-Benz Group AG
6.18.
Mercedes-Benz Group AG heeft woonplaats op het grondgebied van de lidstaat Duitsland. Op grond van artikel 5 lid 1 Verordening Brussel I bis kan zij slechts voor een Nederlands gerecht worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van hoofdstuk II van de Verordening gegeven regels.
6.19.
6.20.
De rechtbank ziet aanleiding om te beginnen met laatstgenoemde bepaling.
Artikel 7, punt 2, Verordening Brussel I bis bepaalt, voor zover hier van belang, dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. De vorderingen van SDEJ en Car Claim jegens Mercedes-Benz Group AG hebben betrekking op gesteld onrechtmatig handelen en zien daarmee op vorderingen op verbintenissen uit onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 7, aanhef en punt 2, Verordening Brussel I bis.
In zijn uitspraak van 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:534 (Verein für Konsumenteninformation/Volkswagen AG), heeft het HvJ EU voor recht verklaard dat artikel 7, punt 2, aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer voertuigen door de fabrikant ervan in een lidstaat op onrechtmatige wijze zijn voorzien van software die de emissiegegevens manipuleert alvorens deze voertuigen bij een derde in een andere lidstaat worden gekocht, de plaats waar de schade intreedt zich in deze laatste lidstaat bevindt. Daarmee is dus de plaats waar de auto is gekocht de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Verder heeft het HvJ EU in dit arrest overwogen dat een dergelijke uitleg van artikel 7, punt 2, in overeenstemming is met de doelstelling van voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels (overweging 15 van de considerans) en de doelstelling van nabijheid en een goede rechtsbedeling (overweging 16 van de considerans).
Hieruit volgt dat de Nederlandse rechter ten aanzien van Mercedes-Benz Group AG internationale bevoegdheid heeft, voor zover het de NL Kopers betreft. Het ‘Erfolgsort’ van de gestelde schade van de NL Kopers wier belangen SDEJ en Car Claim behartigen is in Nederland gelegen, omdat de voertuigen in Nederland zijn gekocht.
6.20.1.
Anders dan Mercedes heeft betoogd is in Verordening Brussel I bis en in de rechtspraak van het HvJ EU geen steun te vinden voor het standpunt dat een collectieve belangenorganisatie geen beroep op het ‘Erfolgsort’ van haar statutaire achterban zou kunnen doen. Ook het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:925 (VEB/BP), biedt hiervoor geen aanknopingspunt. In die zaak ging het om vorderingen van een collectieve claimorganisatie ter vergoeding van door effectenbezitters geleden “zuivere vermogensschade” en de vraag waar het ‘Erfolgsort’ in zo’n geval moest worden gelokaliseerd. Het HvJ EU heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 9 juli 2020 al geoordeeld dat de geleden schade van kopers van een voertuig dat is voorzien van software die de emissiegegevens manipuleert, bestaat in een waardevermindering van het voertuig die voortvloeit uit het verschil tussen de door de koper betaalde prijs en de werkelijke waarde ervan. Volgens het HvJ EU is deze schade geen “zuivere vermogensschade”, maar “materiële schade” (zie punt 29 en 32-35 van het arrest). Hieruit vloeit voort dat het ‘Erfolgsort’ in deze collectieve actie die gaat om de vraag of de geïmporteerde, verkochte en geleasede “Getroffen Voertuigen” voorzien waren van een manipulatie-instrument en daardoor schade hebben veroorzaakt, kan worden gelokaliseerd, namelijk de plaats waar het voertuig is gekocht. Die plaats biedt daarmee een bruikbaar aanknopingspunt voor de rechtsmacht.
6.20.2.
Artikel 7, punt 2, bepaalt niet alleen de internationale bevoegdheid maar ook de interne relatieve bevoegdheid van de rechter. Voor deze dubbelfunctie is enerzijds gekozen om problemen te voorkomen die kunnen rijzen wanneer het nationale procesrecht geen regels van interne relatieve bevoegdheid kent die aansluiten op de bevoegdheidsregels van de Verordening en anderzijds om de werking van de Verordening te vergemakkelijken. Toepassing van de meergenoemde uitspraak van het HvJ EU van 9 juli 2020 in de zaak VfK/VW leidt tot bevoegdheid van alle Nederlandse rechtbanken, namelijk steeds voor zover in het desbetreffende arrondissement door Mercedes-Benz Group AG geproduceerde voertuigen zijn aangekocht. De ratio van de dubbelfunctie van artikel 7, punt 2, Verordening Brussel I bis verzet zich niet tegen concentratie aan de hand van artikel 107 Rv bij één rechtbank. Daarmee is deze rechtbank ten aanzien van Mercedes-Benz Group AG niet alleen relatief bevoegd met betrekking tot de in haar arrondissement gekochte voertuigen, maar is zij ook bevoegd met betrekking tot de elders in Nederland gekochte voertuigen. Deze uitkomst beantwoordt aan de in de overwegingen 15 en 16 van de Verordening genoemde doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels en van een goede rechtsbedeling, namelijk een nuttige inrichting van deze procedure.
6.21.
De Nederlandse rechter heeft geen internationale bevoegdheid ten aanzien van Mercedes-Benz Group AG voor zover het de belangen van Niet NL Kopers betreft. Artikel 8, punt 1, Verordening Brussel I bis maakt dat niet anders. Immers, niet gesteld of gebleken is dat Mercedes-Benz Nederland B.V. en de Partners “Getroffen Voertuigen” buiten de Nederlandse markt hebben geïmporteerd, verkocht of geleased. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat Niet NL Kopers een vordering hebben op Mercedes Benz Nederland B.V. of de Partners. Dit betekent dat van een samenhang tussen de vorderingen van de NL Kopers en de Niet NL Kopers niet is gebleken, zodat ook niet kan worden aangenomen dat tussen de vorderingen op alle gedaagden een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
6.22.
Het oordeel met betrekking tot de belangen van de Niet NL Kopers betekent dat het beroep van Mercedes op artikel 29 en artikel 30 Verordening Brussel I bis geen behandeling behoeft. Dat beroep is immers gedaan voor het geval de rechtbank bevoegdheid zou aannemen ten aanzien van vorderingen ten behoeve van kopers en lessees in het buitenland. Afgezien van het naar de rechtbank aanneemt relatief kleine aantal niet in Nederland wonende NL Kopers doet de rechtbank dat niet.
Internationale en relatieve bevoegdheid – conclusie
6.23.
Het vorenstaande betekent dat deze rechtbank géén internationale bevoegdheid ten aanzien van Mercedes-Benz Group AG heeft, voor zover de door SDEJ en Car Claim ingestelde rechtsvorderingen strekken ter bescherming van de belangen van de Niet NL Kopers. Voor het overige is deze rechtbank internationaal en relatief bevoegd.
Toepasselijkheid WAMCA en/of artikel 3:305a (oud) BW
6.24.
De WAMCA is met ingang van 1 januari 2020 in werking getreden.
6.25.
Artikel 119a lid 2 Overgangswet nieuw BW (Overgangswet) bevat, kort gezegd, het BW-overgangsrecht in verband met de WAMCA:
In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na [1 januari 2020] de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.
Artikel III onderdeel 2 van de WAMCA bevat, kort gezegd, het Rv-overgangsrecht in verband met de WAMCA:
Artikel II van deze wet is van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.
Artikel IIa van de WAMCA wordt in dit artikel III onderdeel 2 kennelijk abusievelijk niet genoemd.
6.26.
Artikel 119a lid 2 Overgangswet en het Rv-overgangsrecht zijn het resultaat van het amendement van het lid Van Gent c.s. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, 34 608, nr. 13).
6.27.
De toelichting bij het amendement Van Gent c.s. luidt (zonder voetnoten):
Dit amendement verbetert het overgangsrecht.
Het oorspronkelijke wetsvoorstel, zoals de regering dat op 15 november 2016 naar de Kamer heeft gestuurd, bevatte geen overgangsrecht. Hierop is veel kritiek gekomen. De regering heeft er daarom voor gekozen op 11 januari 2018 per nota van wijziging een beperkte vorm van overgangsrecht in te voegen. De indieners vinden deze wijziging een stap in de goede richting, maar zijn van mening dat het overgangsrecht verder kan worden verbeterd.
Op grond van het huidige wetsvoorstel (…) kunnen tot in lengte van dagen vorderingen worden ingediend met gebruikmaking van het nieuwe recht naar aanleiding van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, voor zover geen sprake is van verjaring. Dat levert een onterechte verruiming op van de bevoegdheden voor eisende partijen, terwijl de verwerende partij onmogelijk met gebruikmaking van dit instrument door de eiser rekening had kunnen houden. Deze vorm van overgangsrecht staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Bedrijven, organisaties of andere partijen hebben immers geen mogelijkheid gehad om zich voor te bereiden op de komst van de nieuwe wet als deze ook van toepassing is op oude gebeurtenissen. Bovendien ontstaat de theoretische mogelijkheid dat verschillende rechtsvorderingen op grond van verschillende regimes door elkaar gaan lopen als er reeds een procedure op grond van het oude recht aanhangig is. Zolang onduidelijk is welk recht op welke situatie van toepassing is, zal dit extra juridische procedures in de hand werken. Om deze redenen roept het overgangsrecht, zoals voorgesteld door de regering, meer problemen op dan dat het duidelijkheid creëert.
Daarom regelt dit amendement dat een rechtsvordering op grond van het nieuwe recht slechts mogelijk is als de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Dat is de datum dat het wetsvoorstel naar de Kamer is gestuurd en de partijen dus in theorie kunnen weten dat de nieuwe wet eraan komt. Als iemand een massaschadeprocedure wil beginnen wegens een gebeurtenis die vóór 15 november 2016 heeft plaatsgevonden, kan dat op basis van de wet zoals die toen gold. Bij een procedure wegens een gebeurtenis die op of ná die datum heeft plaatsgevonden geldt de wet zoals die na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zal komen te gelden. In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.
De voordelen van deze vorm van overgangsrecht, ten opzichte van het overgangsrecht zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, is dat het rechtszekerheidsbeginsel beter wordt gewaarborgd. Bovendien wordt de mogelijkheid van dubbele procedures op grond van verschillende juridische regimes kleiner. Tot slot sluit deze vorm van overgangsrecht beter aan bij de wetgeving van ons omringende landen, zoals Engeland en België.
6.28.
Vastgesteld moet worden dat aan het bepaalde in artikel 69 aanhef en onder d van de Overgangswet geen aandacht is besteed in het parlementaire debat bij de invoering van de WAMCA. Uitgangspunt in het debat over artikel 119a lid 2 Overgangswet is geweest dat kort gezegd ook oude gevallen onder de werking van de nieuwe wet zouden kunnen vallen. Dit werd ongewenst geacht. De regeling van artikel 119a lid 2 Overgangswet beoogt dit te voorkomen via de invoering van de peildatum 15 november 2016.
De vraag is of in deze zaak de WAMCA van toepassing is. De dagvaarding van SDEJ dateert van 30 juli 2020 (dus van na de inwerkingtreding van de WAMCA). Daarmee is de vraag of de rechtsvordering respectievelijk het geding betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden vóór dan wel (op of) na 15 november 2016.
6.29.
SDEJ en Car Claim komen mede aan de hand van de toelichting bij het amendement Van Gent c.s. tot toepasselijkheid van de WAMCA. SDEJ noemt in dit verband onder meer het na 15 november 2016 doorgaan met (i) passief of actief onjuist voorlichten van de typegoedkeuringsautoriteiten en afnemers van de “Getroffen Voertuigen”, (ii) op de markt blijven brengen en houden van voertuigen met sjoemelsoftware en (iii) het (heimelijk) handhaven van Illegale Manipulatie-Instrumenten.
6.30.
Mercedes betoogt dat het overgangsrecht meebrengt dat de WAMCA alleen van toepassing is op het onderdeel van de collectieve actie dat ziet op voertuigen waarin de emissiebeheersingssoftware is geïnstalleerd op of na 15 november 2016. De Partners betogen dat vorderingen gerelateerd aan voertuigen die vóór 15 november 2016 zijn geproduceerd vallen onder artikel 3:305a (oud) BW en dat de WAMCA van toepassing is op voertuigen geproduceerd op of na 15 november 2016.
6.31.
De rechtbank overweegt als volgt. SDEJ en Car Claim hebben ervoor gekozen zowel Mercedes-Benz Group AG als Mercedes-Benz Nederland B.V. en de Partners in één procedure te dagvaarden. Het doel en de strekking van het BW-overgangsrecht is dat in één zaak over de hele linie dezelfde regels van burgerlijk recht dienen te gelden; het burgerlijk procesrecht is daar waar nodig ook op aangepast. Uit de toelichting bij het amendement Van Gent c.s. blijkt voldoende dat het overgangsrecht aanknoopt bij de schadeveroorzakende gebeurtenis of gebeurtenissen, ook al spreekt de wettekst zelf enkel van gebeurtenis of gebeurtenissen. In de toelichting is verder geen aanknopingspunt te vinden op grond waarvan als gebeurtenis ook zou moeten of kunnen gelden het intreden van schadelijke gevolgen van een gebeurtenis of gebeurtenissen. De initiële, gemeenschappelijke en alles overkoepelende schadeveroorzakende gebeurtenis waarop de vorderingen van SDEJ en Car Claim zijn gebaseerd, is het tot stand brengen van een (volgens SDEJ en Car Claim illegaal) manipulatie-instrument. Deze totstandbrenging is vóór 15 november 2016 gebeurd. Het daadwerkelijk op de markt brengen van voertuigen waarin dit (volgens SDEJ en Car Claim illegaal) manipulatie-instrument was ingebouwd, is vooral een uitvoeringshandeling waar het ontwikkelen van het manipulatie-instrument toe heeft geleid en wat ook als een van de (volgens SDEJ en Car Claim) schadelijk gevolgen van het manipulatie-instrument kan worden beschouwd. Anders dan het Rv-overgangsrecht, laat het BW-overgangsrecht een knip toe (“voor zover”). Dat is in dit geval niet relevant, omdat het (volgens SDEJ en Car Claim illegaal) manipulatie-instrument al vóór 15 november 2016 tot stand was gebracht en niet is gesteld of gebleken dat latere aanpassingen op het gestelde illegale karakter daarvan van invloed zijn geweest.
6.32.
De hiervoor in 6.29 vermelde omstandigheden waarop SDEJ zich heeft gebaseerd in haar betoog dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die deels voor en deels na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden dan wel van een doorlopende onrechtmatige daad, betreffen eveneens mogelijke schadelijke gevolgen van de gebeurtenis die in dit geding als alles overkoepelende schadeveroorzakende gebeurtenis is aangemerkt, te weten het tot stand brengen van een (volgens SDEJ en Car Claim illegaal) manipulatie-instrument. Dat betekent dat de in 6.29 bedoelde omstandigheden niet relevant zijn voor de vraag welk recht van toepassing is. Op dit laatste stuit ook het beroep van SDEJ op de in de toelichting bij het amendement Van Gent c.s. bedoelde reeks van gebeurtenissen af. Car Claim heeft geen andersluidende stellingen betrokken die tot een ander oordeel leiden.
6.33.
In deze zaak is dus uitsluitend het oude recht van artikel 3:305a (oud) BW van toepassing.
Proceskosten en hoger beroep
6.34.
Met dit vonnis is het geschil tussen partijen over (i) de internationale en relatieve bevoegdheid van de rechtbank en (ii) de toepasselijkheid van de WAMCA en/of artikel 3:305a (oud) BW beslecht. De rechtbank zal de beslissingen over de proceskosten aanhouden.
6.35.
Dit vonnis geldt voor SEC als eindvonnis, omdat SEC niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het is dus niet nodig om op grond van artikel 337 lid 2 Rv voor SEC tussentijds hoger beroep open te stellen.
Vervolg van de procedure
6.36.
Nu de WAMCA niet van toepassing is, dienen de door SDEJ aanhangig gemaakte zaak (C/13/686493 / HA ZA 20-697) en de door Car Claim aanhangig gemaakte zaak (C/13/695611 / HA ZA 21-60) afzonderlijk te worden voortgezet. Wel zal in de roladministratie worden aangetekend dat deze twee zaken met elkaar samenhangen (“rolvoeging”). Van gedaagden in de door Car Claim aanhangig gemaakte zaak zal alsnog griffierecht worden geheven.
6.37.
SDEJ en Car Claim hebben in hun eisen al rekening gehouden met de hiervoor in 6.33 vermelde uitkomst. Er is dus geen aanleiding om hen op dit moment in de gelegenheid te stellen hun stellingen en/of hun vorderingen aan te passen.
6.38.
De eerder vastgestelde procesorde behoeft enige aanpassing. De zaken zullen worden verwezen naar de rol voor conclusie van gedaagden met betrekking tot (i) de ontvankelijkheid van SDEJ respectievelijk Car Claim volgens artikel 3:305a (oud) BW en (ii) het toepasselijk recht, in het bijzonder in de verhouding tussen de NL Kopers en Mercedes-Benz Group AG.
Tot slot
6.39.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
7. De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verklaart SEC niet-ontvankelijk;
7.2.
veroordeelt SEC in de aan de zijde van SDEJ, Car Claim, Mercedes, de Partners en Bosch gevallen proceskosten, tot dit vonnis steeds begroot op EUR 1.126,00, in het geval van Mercedes en de Partners te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na heden, en in het geval van Bosch te vermeerderen met EUR 656,00;
7.3.
veroordeelt SEC in de kosten die na dit vonnis ontstaan, aan de zijde van SDEJ, Car Claim, Mercedes, de Partners en Bosch begroot op EUR 163,00 aan salaris advocaat, te verhogen met EUR 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis als SEC niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander in het geval van Mercedes en de Partners te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de betekening;
7.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak C/13/686493 / HA ZA 20-697 en in de zaak C/13/695611 / HA ZA 21-60
7.5.
verklaart zich onbevoegd voor zover het betreft de tegen Mercedes-Benz Group AG ingestelde vorderingen ten behoeve van Niet NL Kopers;
7.6.
verstaat dat artikel 3:305a (oud) BW van toepassing is op deze procedures en de ingestelde vorderingen;
7.7.
verwijst de zaken naar de rol van 14 september 2022 voor de hiervoor in 6.38 bedoelde conclusies;
7.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2022.