Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/3.2.1
3.2.1 Wetsgeschiedenis
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708324:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de curator volgens de toelichting ook rekening moet houden met het belang van de schuldenaar. Zie bijvoorbeeld Van der Feltz I 1896, p. 372.
Van der Feltz I 1896, p. 27.
Van der Feltz I 1896, p. 7. Zie ook Polak/Pannevis 2022, p. 15, waar het faillissement wordt gedefinieerd als een gerechtelijk beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers.
Stb. 1990, 90.
Zie hiervoor, inclusief relevante verwijzingen naar de wetsgeschiedenis, Verstijlen 1998, p. 35.
O.a. HR 5 maart 1920, NJ 1920, p. 343 en HR 23 december 1994, NJ 1996/628, r.o. 4.3.2 (Notarissen THB II).
Uit het doel dat de opstellers van de Faillissementswet voor ogen hadden met het faillissement, volgt dat de curator zich moet richten op de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.1 Over belangen van maatschappelijk aard, zoals de continuïteit van de door de failliet gedreven onderneming, wordt niet gerept. De toelichting op de Faillissementswet vermeldt over het doel van het faillissement:
‘De instelling van het faillissement beoogt niets anders dan, bij staking van betaling door den schuldenaar, diens vermogen op eene billijke wijze onder al zijne schuldeischers, met eerbiediging van ieders recht, te verdeelen, en het geheele samenstel der bepalingen, welke in eene faillietenwet worden gevonden, heeft geen ander doel dan die billijke verdeeling voor te bereiden, te waarborgen en te bewerkstelligen.’2
Dit sluit aan bij het door de opstellers van de Faillissementswet in acht genomen beginsel dat het faillissement een gerechtelijk beslag is op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.3 Wel bevat de Faillissementswet een aantal bepalingen die de voortzetting van de door de schuldenaar gedreven onderneming faciliteren. Artikel 98 Fw geeft bijvoorbeeld de curator de mogelijkheid om de onderneming voort te zetten en het op 1 januari 1992 ingevoerde artikel 63a Fw4 biedt de mogelijkheid tot afkondiging van een afkoelingsperiode. Deze bepalingen zijn echter uitsluitend in de wet opgenomen om te komen tot een zo hoog mogelijke opbrengst voor de schuldeisers.5 Dat in faillissement de belangen van de schuldeisers moeten worden behartigd en de curator moet streven naar een zo hoog mogelijke opbrengst voor de schuldeisers, volgt ook uit de jurisprudentie.6 De laatste decennia is een verschuiving waar te nemen in het denken over het doel van het faillissement en de belangen die de curator moet behartigen.