Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.2.7.4
IV.2.7.4 Ernstig verwijt-maatstaf als aanvullende drempel?
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460253:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Olden gaat in Ondernemingsrecht 2010/89, par. 2 en 7 ook uit van een nevengeschikte positie van de ernstig verwijt-toets ten opzichte van de vereisten van artikel 6:162 BW.
HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2930, JOR 2014/297, m.nt. Kroeze (Pommé), r.o. 4.5.3.
Zie de annotatie van Assink onder HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), AA20180502 (X/TMF), p. 509, in samenhang met Assink 2016a, p. 862. Zie kritisch over deze systematiek, Karapetian 2019, p. 45-46, die meent dat onduidelijk is waaruit het meerdere in de tweede beoordelingsronde moet bestaan, en dat de tweede beoordelingsronde niet kan worden afgeleid uit de jurisprudentie van de Hoge Raad.
In zijn publicaties noemt Assink slechts de vereisten van onrechtmatigheid en toerekenbaarheid, zie bijvoorbeeld: Assink 2016a, p. 509 en Assink 2013b, p. 569-570. De andere drie constitutieve voorwaarden (relativiteit, schade en causaal verband) voor een onrechtmatige daad blijven buiten beeld, daarmee rijst alsnog de vraag hoe het ernstig verwijt zich verhoudt tot de onrechtmatige daad in de ruime zin van het woord.
Assink 2016a, p. 862.
Zie de annotatie van Assink onder HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), AA20180502 (X/TMF), p. 509.
Weer een andere interpretatie, is dat de ernstig verwijt-maatstaf (als totaalconcept) een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel is die naast de voorwaarden van de gewone onrechtmatige daad gelden.1 Dit zou kunnen worden afgeleid uit een overweging van de Hoge Raad in het Pommé-arrest.2
“Nu het hof in rov. 4.3.2 kennelijk ervan is uitgegaan dat de onrechtmatige daad is gepleegd door Pommé bij zijn taakvervulling als bestuurder van Kameleon, had het hof de vraag moeten beantwoorden of Pommé ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (…). Het onderdeel klaagt terecht dat het hof niet heeft vastgesteld of sprake is van een zodanig ernstig verwijt.” [curs. TRB]
Volgens de Hoge Raad is het enkele vaststellen van een onrechtmatige daad van de bestuurder dus onvoldoende. Het object van het ernstige verwijt is hier dus niet een onrechtmatige handeling van de rechtspersoon, maar een eigen onrechtmatige daad van de bestuurder. Dit komt overeen met een systematiek die Assink heeft verdedigd. Assink pleit net als Olden voor het vaststellen van de aansprakelijkheid van de bestuurder in twee stappen, maar Assink ziet hierbij twee andere stappen voor zich.3 In het ‘tweetrapsmechanisme’ van Assink dient in de eerste beoordelingsronde te worden vastgesteld of er sprake is van een ‘onrechtmatige daad die (krachtens schuld) kan worden toegerekend’.4 Dan is er volgens Assink sprake van een ‘gewoon verwijt’. Indien deze vraag positief wordt beantwoord, dient in de tweede beoordelingsronde te worden bezien of ‘die toerekenbare onrechtmatige daad zich, al met al, ook laat aanmerken als een persoonlijk ernstig verwijt’.5
Daarmee zijn echter nog niet alle onduidelijkheden weggenomen. Uit de formulering van Assink maak ik op dat het ernstige verwijt op één of andere manier betrekking moet hebben op de schuld (6:162 lid 3 BW) én de normschending (6:162 lid 2 BW) van de bestuurder.6 Zoals hierboven opgemerkt bevat de ernstig verwijt-toets elementen die ook aan bod komen in de ‘eerste beoordelingsronde’, daardoor leidt deze lezing tot een vreemde stapeling van de criteria zonder dat wordt verduidelijkt waaruit het meerdere bestaat. Wat betekent het dat iemand een ernstig verwijt treft ter zake van een toerekenbare onrechtmatige daad? Wanneer wordt een ‘gewoon verwijt’ een ‘ernstig verwijt’? Deze interpretatie van de toets lijkt mij conceptueel onduidelijk en praktisch niet goed hanteerbaar.