Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/21.4
21.4 Meer experimenteren onder de Awb: hoe?
prof. mr. M.J. Jacobs, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. M.J. Jacobs
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Aanwijzing 2.41 en 2.42 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
In paragraaf 2.3.6 van mijn oratie (Jacobs 2018) ben ik uitvoeriger ingegaan op deze variant.
Uitvoeriger: Jacobs 2018, paragraaf 3.2.1.
Zie bijv. art. 2.4 Chw, maar ook de art. 7a Elektriciteitswet en 1i Gaswet. De laatste twee artikelen zijn bij amendement in de wet beland. In de toelichting schreven de indieners van het amendement: ‘De experimenten kunnen een breed scala aan onderwerpen uit de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet betreffen en zeer verstrekkend zijn. Binnen de kaders die in het artikel zijn neergelegd is niets uitgesloten.’ (Kamerstukken II 2011/12, 32814, 19, p. 3).
In sommige gevallen is het echter niet mogelijk om te experimenteren zonder in strijd te komen met een of meer bestaande (dwingendrechtelijke) bepalingen. In een dergelijk geval zou experimenteerregelgeving nuttig kunnen zijn. Daarin zijn verschillende varianten denkbaar. Ten eerste kan de variant worden gekozen die in de Aanwijzingen voor de regelgeving is beschreven: een experimenteergrondslag in een wet in formele zin op basis waarvan bij algemene maatregel van bestuur een experimenteerregeling voor een concreet experiment kan worden vastgesteld.1 Een andere bekende variant is de experimenteerwet. Bij deze variant wordt een wet in formele zin vervaardigd die niet alleen experimenten mogelijk maakt, maar die ook de kaders bepaalt waarbinnen die experimenten moeten plaatsvinden en zo nodig ge- en verboden geeft. Er komt dus geen algemene maatregel van bestuur aan te pas. Een experimenteerwet is in wezen een experimenteergrondslag en een experimenteerregeling ineen.2 Met betrekking tot de Awb zijn deze beide varianten bij mijn weten tot nu toe nog nooit overwogen.
Ten derde kan worden gekozen voor de variant van het ‘ingroeimodel’. Bij deze variant wordt vooruitlopend op de totstandkoming of inwerkingtreding van nieuwe regelgeving alvast op kleine schaal ervaring opgedaan met de nieuwe regelgeving met als doel om zo nodig hetzij de regels, hetzij de uitvoering te kunnen bijstellen.3 Bij de inwerkingtreding van afdeling 8.1.6a Awb, over verkeer langs elektronische weg met de bestuursrechter, is gekozen voor dit ‘ingroeimodel’. Ten vierde zou ook nog denkbaar zijn om ‘regelluwte’ te creëren door alle regels waarmee een gewenst experiment in strijd zou kunnen zijn, tijdelijk en voor een beperkte groep buiten werking te stellen. Dit kan alleen bij wet in formele zin. Ook deze variant is bij mijn weten nog nooit overwogen met betrekking tot de Awb.
Zonder een concreet experiment in gedachten te hebben is het echter lastig om te bepalen of een wet al dan niet voldoende ruimte biedt en ook welke van de hierboven genoemde varianten het meest geschikt is voor de juridische vormgeving. Op het eerste gezicht lijkt het ‘ingroeimodel’ alleen geschikt als er al concrete plannen voor wetswijziging zijn; zonder die plannen kan er immers nog niets ingroeien. Ook voor de experimenteerwet en voor het scheppen van ‘regelluwte’ geldt dat er concrete gedachten moeten zijn over de te regelen experimenten. Een wettelijke experimenteergrondslag kan wel in een wet worden opgenomen, zonder dat er nog sprake is van een concreet experiment. Dit gebeurt in de praktijk ook geregeld en dergelijke grondslagen bieden vaak zeer veel ruimte om af te wijken van bestaande wet- en regelgeving. Als argument daarvoor wordt aangevoerd dat nu eenmaal nog niet bekend is wat de toekomstige experimenten zullen behelzen.4