Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/3.3.4
3.3.4 Timing van de informatieverstrekking
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971959:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rb. Groningen (pres.) 11 september 1996, KG 1996/326 (Houtgroep Nederland), r.o. 7.
Hof Amsterdam (OK) 24 april 2017, JOR 2017/163 m.nt. M.W. Josephus Jitta (Fortuna I), r.o. 3.12.
Zie het vervolg van Hof Amsterdam (OK) 24 april 2017, JOR 2017/163 m.nt. M.W. Josephus Jitta (Fortuna I), r.o. 3.12: “Daar komt bij dat artikel 33 lid 5 van de statuten van Fortuna bepaalt dat de directie en de raad van commissarissen de algemene vergadering door middel van een aandeelhouderscirculaire inlichten over alle feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de te verlenen goedkeuring. Uit de tekst van de statuten blijkt dat artikel 33 lid 5 betrekking heeft op de oproeping en agenda van de algemene vergaderingen. Uit een ander volgt dat Fortuna gehouden was “alle feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de te verlenen goedkeuring” reeds bij gelegenheid van de oproeping voor de bava van 26 april 2017 te verstrekken en in ieder geval tijdig voorafgaand aan de vergadering.”
Zie Hof Amsterdam (OK) 14 maart 2016, JOR 2017/89 (Delta Lloyd).
Zie Hof Amsterdam (OK) 14 maart 2016, JOR 2017/89 (Delta Lloyd), r.o. 3.8.
Hof Amsterdam (OK) 14 maart 2016, JOR 2017/89 (Delta Lloyd), r.o. 3.11.
Rb. Amsterdam 10 augustus 2017, JOR 2017/260 m.nt. R.G.J. Nowak (AkzoNobel).
Zie Rb. Amsterdam 10 augustus 2017, JOR 2017/260 m.nt. R.G.J. Nowak (AkzoNobel), r.o. 4.6.
Zie Breukink (diss.) 2022, p. 22 e.v.
Breukink (diss.) 2022, p. 23.
Zie ook par. 3.2 hiervoor.
Anders: Abma e.a. 2017, p. 184, waar in het kader van beursvennootschappen wordt betoogd dat voor rechtsgeldige besluitvorming alle relevante informatie reeds bij de oproeping dient te zijn verstrekt.
Denk aan de casus in Delta Lloyd, waarin circa drie weken na de oproepingstermijn materiële informatie is verstrekt (in ieder geval de financiële resultaten over 2015), maar dit reeds bij de oproeping was aangekondigd. Aandeelhouders konden daardoor rekening houden met de verstrekking van deze aanvullende informatie en hadden voldoende tijd om die informatie tot zich te nemen, hun standpunt zo nodig bij te stellen en hiernaar te handelen.
Denkbaar is bijvoorbeeld dat de vennootschapsleiding bepaalde informatie niet heeft verstrekt omdat die haar niet materieel voorkwam, maar dat zij pas na de oproeping – bijvoorbeeld naar aanleiding van vragen van aandeelhouders – tot de conclusie komt dat bepaalde informatie toch van materieel belang is en deze alsnog verstrekt.
Vgl. Rb. ’s-Gravenhage 12 juli 2006, JOR 2006/207 (Audilux), r.o. 3.7.
Zie par. 4.3.1 hierna.
Dan de vraag wanneer de relevante informatie dient te worden verstrekt. Duidelijk is dat voldoende relevante informatie tijdig vóór een aandeelhoudersvergadering ter beschikking dient te worden gesteld.1 In de Fortuna-beschikking, die zag op een beursvennootschap zonder notering aan een gereglementeerde markt, overwoog de Ondernemingskamer in dit verband als volgt:
“Wat betreft de timing van de informatie geldt in algemene zin dat aandeelhouders ten aanzien van een beslissing als de onderhavige in de gelegenheid behoren te zijn zich voorafgaand aan de aandeelhoudersvergadering een oordeel te vormen over de transactie die ter goedkeuring voorligt.”2
Aandeelhouders moeten aldus voldoende tijd hebben om de informatie behoorlijk tot zich te nemen en een oordeel te vormen over het voorliggende agendapunt. Overigens betekende dit in Fortuna, mede in het licht van haar statuten, dat die informatie reeds bij de oproeping had moeten worden verstrekt.3
De Ondernemingskamer was in haar eerdere beschikking inzake Delta Lloyd, die overigens zag op een beursvennootschap met een notering aan een gereglementeerde markt, tot een vergelijkbare overweging gekomen.4 In die zaak stond de rechtsvraag centraal of “de door Delta Lloyd aan de aandeelhouders verstrekte informatie in de aanloop naar de aandeelhoudersvergadering van 16 maart 2016, wat betreft de timing en/of de inhoud, zo gebrekkig is dat op basis van die informatie de aandeelhouders redelijkerwijs hun standpunt ten aanzien van de claimemissie niet kunnen bepalen”.5 Relevant hierbij was dat in het oproepingsbericht (1 februari 2016) reeds was aangekondigd dat op een latere datum aanvullende informatie zou worden verstrekt. Deze latere datum (24 februari 2016) lag circa drie weken vóór de aandeelhoudersvergadering (16 maart 2016) en veertien dagen vóór de deadline voor het verstrijken van de termijn voor het geven van een schriftelijke volmacht (9 maart 2016). In dit verband overwoog de Ondernemingskamer als volgt:
“Indien de periode tussen 24 februari en 9 maart 2016 in aanmerking wordt genomen, beliep de termijn waarbinnen veel aandeelhouders hun standpunt zouden willen bepalen 14 dagen (2016 is een schrikkeljaar). De Ondernemingskamer acht deze termijn niet te kort mede in aanmerking genomen dat Delta Lloyd op 30 november 2015 een claimemissie tot een bedrag van € 1 miljard had aangekondigd en in de oproep van 1 februari 2016 had aangekondigd op 24 februari 2016 de financiële resultaten over heel 2015 en de Solvency II-ratio per ultimo 2015 (volgens de standaardformule) bekend te zullen maken, tezamen met nadere informatie over de strategie, de voortgang van de managementacties en de resterende discussiepunten met DNB over een aantal onzekerheden met betrekking tot de Solvency II ratio. De omstandigheid dat sommige aandeelhouders mogelijk reeds op 3 maart 2016 hun stemvolmacht aan hun intermediair hebben moeten geven, doet daar niet aan af, reeds omdat ook deze aandeelhouders de mogelijkheid hebben om (bij gemachtigde) ter vergadering te verschijnen.”6
Het is aldus mogelijk om ook na de oproeping nog aanvullende informatie te verstrekken. Daarbij achtte de Ondernemingskamer het relevant dat die aanvullende informatieverstrekking reeds was aangekondigd en aandeelhouders ook nadien nog voldoende tijd hadden om op basis van deze informatie hun standpunt te bepalen. Daarbij lijkt ook relevant te zijn geweest dat een deel van de aanvullende informatie, waaronder – naar ik begrijp – in ieder geval de financiële resultaten over 2015, niet vóór 24 februari 2016 beschikbaar was.
De Ondernemingskamer heeft hiermee een genuanceerde norm ontwikkeld voor de timing van informatieverstrekking. Kort samengevat, komt deze norm erop neer dat informatie zodanig tijdig moet worden verstrekt dat aandeelhouders in redelijkheid voldoende tijd hebben om een geïnformeerd standpunt te kunnen vormen over een gegeven agendapunt, alsmede om die informatie te kunnen gebruiken ter vergadering. In besloten verhoudingen zal dit niet snel voor problemen zorgen. Bij beursvennootschappen ligt dit echter genuanceerder, omdat het grootste deel van de stemmen in de algemene vergadering van beursvennootschappen bij volmacht met steminstructie plaatsvindt. Die volmacht zal bovendien enige tijd vóór de vergadering – in de regel: één week – moeten worden ingediend, hetgeen de aandeelhouder beperkt in zijn tijd om een standpunt te bepalen en daarnaar te handelen.
Illustratief in dit verband is de uitspraak in de machtigingsprocedure ex artikel 2:110/111 BW inzake AkzoNobel.7 Een groep aandeelhouders wilde de voorzitter van de raad van commissarissen ter verantwoording roepen en verzocht daartoe een aandeelhoudersvergadering waarop die verantwoording en het ontslag van de voorzitter was geagendeerd. De vennootschap had na het verzoek van de betrokken aandeelhouders een andere, separate aandeelhoudersvergadering opgeroepen waarin wel de verantwoording, maar niet het ontslag was geagendeerd. Kort samengevat, was het standpunt van de vennootschapsleiding dat, vanwege de vooraf elektronisch of bij volmacht uitgebrachte stemmen, de verantwoording ter vergadering niet zou kunnen worden meegenomen bij de besluitvorming. Als gevolg daarvan zou het niet zinvol zijn om de verantwoording en het ontslagbesluit op één vergadering te agenderen.8
Breukink heeft betoogd dat de materiële informatie die redelijkerwijs voorhanden is over een gegeven agendapunt reeds bij de oproeping dient te worden verstrekt.9 Deze informatie kan later nog worden aangevuld, maar artikel 2:8 BW kan meebrengen dat de besluitvorming dient te worden uitgesteld indien essentiële informatie pas na het verstrijken van de oproepingstermijn beschikbaar wordt.10 Indachtig de ratio achter de oproepingstermijn,11 zal informatieverstrekking binnen deze termijn in ieder geval tijdig moeten zijn. Veelal zal dit samenvallen met de oproeping, en in ieder geval ligt het voor de hand dat beschikbare materiële informatie reeds bij de oproeping dient te worden verstrekt.
De benadering van Breukink biedt een wenselijk en bruikbaar uitgangspunt. Ik meen echter dat niet te lichtvaardig mag worden aangenomen dat de verstrekking van materiële informatie na de oproepingstermijn steeds zou nopen tot uitstel van de besluitvorming,12 zelfs indien die informatie reeds eerder beschikbaar was. Uitstel van besluitvorming kan grote gevolgen hebben voor de vennootschap; denk bijvoorbeeld aan de situatie dat daardoor een belangrijke transactie in gevaar komt, of aan de kosten die gemoeid gaan met de organisatie van een vergadering. Denkbaar is bovendien dat latere informatieverstrekking gerechtvaardigd is, of in ieder geval niet verwijtbaar, bijvoorbeeld indien dat reeds vooraf is aangekondigd,13 of indien de vennootschapsleiding geheel te goeder trouw handelde.14 Zelfs ter vergadering kan nog relevante informatie of een nadere toelichting worden verstrekt,15 hetgeen nu juist een van de functies is van het recht op inlichtingen van de algemene vergadering.16 Bij beursvennootschappen is echter meer terughoudendheid op zijn plaats; de aandeelhoudersvergadering is dan geen geschikt gremium voor het verstrekken van nieuwe materiële informatie, al zal in principe wel ruimte bestaan voor het geven van een nadere toelichting naar aanleiding van vragen van aandeelhouders.
Kortom, bepalend is niet of alle materiële informatie reeds bij de oproeping is verstrekt, maar of voldoende informatie tijdig vóór de besluitvorming is verstrekt om aandeelhouders redelijkerwijs in staat te stellen een eigen, geïnformeerd standpunt te bepalen, zodat zij op geïnformeerde wijze kunnen bijdragen aan het besluitvormingsproces. In voorkomende gevallen kan in besloten verhoudingen veelal ter vergadering nog aanvullende informatie worden verstrekt. Ik meen dat uitstel van besluitvorming vanwege late(re) informatieverstrekking slechts op zijn plaats is (a) indien aandeelhouders zonder dat uitstel te weinig tijd zouden hebben gehad om behoorlijk kennis te nemen van de betreffende informatie en daarnaar te handelen; of (b) als sanctie, indien de vennootschapsleiding materiële informatie op oneigenlijke gronden achterhield voor haar aandeelhoudershouders, bijvoorbeeld om nadelige gevolgen van een transactie te verbloemen. Ook dan dient er echter oog te zijn voor het belang van de vennootschap, en dient ervoor te worden gewaakt dat zij niet onevenredig wordt geschaad door dergelijk uitstel.