Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.1.0
3.3.1.0 Introductie
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649604:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 31. Zie voor voorbeelden van gebreken in het bijeenroepingsbesluit Rb. ’s-Gravenhage 4 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2533, JOR 2012/210 m.nt. Blanco Fernández (Confiança/Manaco) en Rb. Utrecht 4 april 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1741, JOR 2012/211 m.nt. Verburg (Pijnenborg/Kneipp).
Zie Kamerstukken II 1909/10, 217, nr. 3 (MvT), p. 33.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 40; Assink|Slagter 2013, § 44; Dumoulin 1999, p. 126 en p. 215; T&C Ondernemingsrecht/Lennarts 2020, art. 2:109 BW, aant. 2; GS Rechtspersonen/Schwartz 2019, art. 2:109 BW, aant. 1; Koelemeijer 1999, p. 83; Garcia Nelen 2020, p. 284. Anders: Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 209, die de agenderingsbevoegdheid koppelt aan de bevoegdheid tot oproeping. Dat is onjuist.
Kamerstukken II 2000/01, 25 732, nr. 17 (brief van de SER), p. 58.
En gebeurt volgens A-G Assink ook “vaak genoeg” niet (voetnoot 63 in de conclusie voor HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:832 (ECLI:NL:PHR:2020:111)).
In gelijke zin: Dumoulin 1999, p. 215; anders De Roo 2021, p. 322. In het verlengde hiervan besteedt Van Hasselt terecht nog aandacht aan een andere vraag: wat als het bestuur en de rvc in onenigheid verkeren en de rvc een algemene vergadering bijeenroept (en onmiddellijk tegen het minimaal aantal voorgeschreven dagen oproept) met als daaropvolgende reactie een bijeenroeping van de algemene vergadering door het bestuur op exact hetzelfde tijdstip, maar een andere locatie? Welke van de twee algemene vergaderingen heeft dan bindende besluiten genomen? (Van Hasselt 1919, p. 97). Op grond van art. 2:15 lid 1 sub b jo. art. 2:8 BW zou ik menen dat alle door de twee algemene vergaderingen genomen besluiten vernietigbaar zijn.
Hoge Raad 6 april 1936, ECLI:NL:PHR:1936:AG1885, NJ 1936, 1045(Zeepfabriek Frans Duller).
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 36.
Zie in dit verband Klein Wassink 2021, p. 126.
Zie over bevoegdhedenovereenkomsten Blanco Fernández 2017.
Met De Nijs Bik meen ik dat deze goedkeuringsbevoegdheid van de rvc niet bestaat als het voorstel afkomstig is van een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer. Zie punt 6 van de noot van De Nijs Bik onder OK 3 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1706, JOR 2021/242 m.nt. De Nijs Bik (Flynth).
Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 509.
Aan het bestuur en de rvc komt dwingendrechtelijk de bevoegdheid toe om de algemene vergadering bijeen te roepen (art. 2:109/219 BW). De uitoefening van deze bevoegdheid geschiedt door het nemen van een bijeenroepingsbesluit.1 Als eenmaal een bijeenroepingsbesluit is genomen, moet worden overgegaan tot oproeping, en de oproeping moet de agenda voor de bijeengeroepen algemene vergadering vermelden (art. 2:114 lid 1, sub a/224 lid 1 BW).2 Uit deze wetssystematiek volgt dat de bevoegdheid tot bijeenroeping de bevoegdheid om de agenda vast te stellen impliceert.3 De SER formuleerde het in zijn advies ‘Het functioneren en de toekomst van de structuurregeling’ als volgt:
“Uit de wet volgt voorts dat het bijeenroepen van de AvA en vaststelling van de in de AvA te behandelen onderwerpen (de agenda) aan elkaar gekoppelde bevoegdheden zijn.”4
Het zijn dus in eerste instantie het bestuur en de rvc die de agendapunten voor de algemene vergadering bepalen. Het nemen van het bijeenroepingsbesluit en (daarmee) het vaststellen van de agenda zal – wanneer de vennootschap een rvc heeft – in de praktijk doorgaans in onderling overleg gebeuren, maar dat hoeft naar de letter van de wet niet.5 Beide organen hebben ook afzonderlijk – eveneens dwingendrechtelijk – de bijeenroepingsbevoegdheid en daarmee het agenderingsrecht. Dat leidt tot een aantal (dogmatische) vragen.
In de eerste plaats kan de vraag worden gesteld of de afzonderlijke organen ook het agenderingsrecht hebben ten aanzien van de algemene vergadering over de bijeenroeping waarvan zij gezamenlijk besloten. Ik zou deze vraag bevestigend willen beantwoorden. Ieder van de twee organen zou bij ontzegging van het agenderingsrecht voor de gezamenlijk bijeengeroepen algemene vergadering namelijk ook zelfstandig tot bijeenroeping van een extra algemene vergadering (eventueel meteen volgend op de gezamenlijk bijeengeroepen algemene vergadering) kunnen overgaan. Ten aanzien van die vergadering heeft het orgaan in elk geval het agenderingsrecht. Het zou dus niet erg efficiënt zijn om de twee afzonderlijke organen het agenderingsrecht te ontzeggen voor een algemene vergadering die zij gezamenlijk hebben bijeengeroepen.
Een tweede vraag die art. 2:109/219 BW onbeantwoord laat, is of de afzonderlijke organen ook het agenderingsrecht hebben ten aanzien van de algemene vergadering die het andere orgaan bijeenriep. Ook deze vraag beantwoord ik bevestigend, en wel om precies dezelfde reden als die ik hiervoor al noemde. Als het orgaan dat niet bijeenriep het agenderingsrecht voor de door de ander bijeengeroepen algemene vergadering wordt ontzegd, kan hij zelfstandig een extra algemene vergadering bijeenroepen met op de agenda ‘zijn’ punten. Vanuit een oogpunt van efficiënte rechtstoepassing meen ik daarom dat wanneer het bestuur zelfstandig besluit tot bijeenroeping, de rvc voor de bijeengeroepen algemene vergadering agendapunten kan aandragen die het bestuur niet mag weigeren en vice versa.6
In lijn met het voorgaande zijn het bestuur en de rvc mijns inziens ook agenderingsbevoegd ten aanzien van een vergadering die wordt bijeengeroepen door iemand die op grond van de statuten bijeenroepingsbevoegd is, waarover par. 3.3.2. Andersom kan degene die de statutaire bijeenroepingsbevoegdheid heeft, met inachtneming van de statutaire bepaling en art. 2:8 BW, punten op de agenda voor een door het bestuur of de rvc bijeengeroepen algemene vergadering plaatsen. Tot slot zijn het bestuur en de rvc naar mijn mening in beginsel ook agenderingsbevoegd ten aanzien van de vergadering die krachtens een machtiging van de voorzieningenrechter is bijeengeroepen (art. 2:111/221 BW), tenzij uit de machtiging anders voortvloeit. Zie in dit verband verder par. 5.5.4.4.f.
Individuele bestuurders en commissarissen hebben op grond van de wet geen bijeenroepingsbevoegdheid en dus ook geen agenderingsrecht.7 De statuten kunnen daarin wel voorzien (zie par. 3.3.2.1). De oproeping kan wel door een individuele bestuurder of commissaris worden uitgevoerd, mits deze handelt ter uitvoering van het bijeenroepingsbesluit.8 Als toepassing is gegeven aan het one tier bestuursmodel (art. 2:129a/239a BW) kunnen de niet-uitvoerende bestuurders (als ‘deelorgaan’ van het bestuur) op grond van de wet geen bijeenroepingsbesluit nemen. De niet uitvoerende bestuurders hebben als deelorgaan op grond van de wet daarom ook geen agenderingsrecht. In de statuten kan aan hen wel het (bijeenroepingsrecht inclusief) agenderingsrecht worden toegekend (zie par. 3.3.2.1). De bijeenroepings- en agenderingsbevoegdheid van het bestuur en de rvc kan in de statuten niet worden uitgesloten. Art. 2:109/219 BW bevat dwingend recht. Het is wel mogelijk om bij of krachtens de statuten bestuursbesluiten tot bijeenroeping en/of agendering te onderwerpen aan de goedkeuring van bijvoorbeeld de rvc (zie art. 2:129/239 lid 3 BW en vergelijk art. 2:164/274 lid 1 sub g, h en l, BW, waarover hierna meer).9 Het bestuur en de rvc kunnen hun agenderingsbevoegdheid niet ‘wegcontracteren’ in een zogeheten bevoegdhedenovereenkomst. Dit loopt reeds stuk op het gegeven dat een orgaan van de vennootschap geen contractspartij kan zijn.10
Het bestuur van een vennootschap waarop art. 2:164/274 BW van toepassing is, heeft voor (het besluit tot) de agendering van een aantal voorstellen de goedkeuring van de rvc nodig. Het betreft voorstellen tot wijziging van de statuten, ontbinding van de vennootschap en vermindering van het geplaatste kapitaal (art. 2:164/274 lid 1, sub g, h en l BW).11 Het ontbreken van de goedkeuring van de rvc heeft tot gevolg dat het besluit dat de algemene vergadering op het niet goedgekeurde voorstel nam, nietig is.12 Bekrachtiging op grond van art. 2:14 lid 2 BW is mogelijk. Uit art. 2:164/274 BW moet a contrario worden afgeleid dat de rvc van een vennootschap waarop art. 2:164/274 BW van toepassing is geen zelfstandige bevoegdheid heeft om de in lid 1 sub g, h en l van het artikel genoemde voorstellen voor een algemene vergadering te agenderen.