Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/3.3.2
3.3.2 Technologische ontwikkelingen
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619037:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
In 1928 werd geoordeeld dat dit niet zo was in Olmstead v. United States, 277 U.S. 438, maar in 1967 ging het Hooggerechtshof om in de zaak Katz v. United States, 389 U.S. 347. Zie daarover nader Kuiper 2010, p. 141-142.
Er is sprake van een ‘vlottende inhoud van het privacybegrip’ aldus Knigge & Kwakman 2001, p. 133.
Art. 2 Politiewet 1993 en de art. 141 en 142 Sv boden voor de toepassing van die methode in de regel een toereikende wettelijke grondslag, aldus Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 29 april 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ3178. De HR deed de zaak af met toepassing van art. 81 RO: HR 3 mei 2013, nr. 11/03405 (niet gepubliceerd).
Zie daarover Knoops 2013.
Het voortschrijden van de techniek gaat aan criminelen niet voorbij. Zij zijn daardoor in staat steeds nieuwe en geavanceerder technieken en methoden te benutten. Wat betreft het reageren op vormfouten zijn vooral de doorlopend veranderende communicatietechnieken relevant. Omdat de met opsporing belaste autoriteiten ook niet stil zitten en steeds proberen zo snel mogelijk via nieuwe wegen lopende communicatie te onderscheppen, wordt de strafrechter telkens voor nieuwe vragen gesteld. In de Verenigde Staten is in het begin van de vorige eeuw bijvoorbeeld lang gedebatteerd over de vraag of telefooncommunicatie grondwettelijk beschermd was en onder welke voorwaarden.1 Vertrouwelijke communicatie valt in veel gevallen onder de bescherming van art. 8 EVRM, zodat bij onderschepping ervan de vraag rijst of daarin bij wet is voorzien, of de inbreuk op de privacy een legitiem doel dient en of deze noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het Nederlandse strafprocesrecht kent mede naar aanleiding van het rapport van de Commissie Van Traa met de Wet BOB inmiddels een zeer uitgebreide en gedetailleerde regeling van op de privacy inbreuk makende opsporingsmethoden. Elk van deze regels kan in de praktijk geschonden worden, wat de strafrechter voor vele vragen kan stellen naar de daaraan te verbinden rechtsgevolgen.
Ontwikkelingen op het gebied van communicatietechniek kunnen dus nieuwe eisen stellen aan privacybescherming.2 Iets vergelijkbaars doet zich voor bij andere door technologische of wetenschappelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakte onderzoeksmethoden. Denk bijvoorbeeld aan bloedonderzoek, geurproeven, vingerafdrukken, leugendetectie, DNA-onderzoek, verhoortechnieken met behulp van psychologische inzichten of hypnose. Hierbij kunnen echter ook andere aspecten dan bescherming van de privacy op de voorgrond treden. Bij veel van de genoemde methoden speelt bijvoorbeeld de vraag naar de betrouwbaarheid en de indicatieve waarde van de onderzoeksresultaten een belangrijke rol. Vormfouten die bestaan in de niet inachtneming van bij zulke onderzoeksmethoden geldende voorschriften, kunnen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten. Bij het reageren op dergelijke vormfouten treedt het waarborgen van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM op de voorgrond. In de zin dat onbetrouwbaar bewijsmateriaal niet gebruikt kan worden voor het bewijs, maar ook in de zin dat de verdediging voldoende gelegenheid moet hebben de onderzoeksresultaten aan te vechten al dan niet door middel van een second opinion.
Een vrij recent voorbeeld biedt de beslissing van het Hof Den Bosch over de zogenaamde ‘flockvezelmethode’. Die methode houdt in dat met een spray van vezels bijvoorbeeld het interieur van een personenauto kan worden behandeld. De aangebrachte vezels worden door de inzittenden van de auto meegevoerd en kunnen vervolgens op de plaats delict worden achtergelaten en daar worden aangetroffen. De toepassing van deze methode riep de vraag op of daardoor onrechtmatig inbreuk was gemaakt op de privacy van de verdachte, welke vraag ontkennend werd beantwoord.3 De volgende kwestie – de inzet van drones – hangt ook al in de lucht.4