De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.4:7.4 Conclusie controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen in de praktijk
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.4
7.4 Conclusie controle- en kwaliteitsborgingsmechanismen in de praktijk
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702027:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 6 zijn twee mechanismen besproken die kunnen helpen bij de kwaliteitscontrole van deskundigen. Die mechanismen zijn het disclosure statement en het deskundigenregister. In datzelfde hoofdstuk is onderzocht en geanalyseerd hoe die mechanismen moeten zijn opgebouwd. In dit hoofdstuk stond de vraag centraal of er in de onteigeningsen nadeelcompensatiepraktijk effectief gebruik wordt gemaakt van beide mechanismen en, indien dat het geval is, of de wijze waarop die mechanismen worden gebruikt, volstaat om de kwaliteit van de deskundige te controleren en te borgen.
In het onteigeningsrecht heeft het deskundigenregister inmiddels een vaste plaats gekregen. Dat geldt dan met name voor het deskundigenregister LRGD. De rechtbanken hanteren het uitgangspunt dat in beginsel nog alleen maar onteigeningsdeskundigen worden benoemd die als zodanig bij het LRGD staan geregistreerd. In de basis kwalificeert het LRGD als een adequaat deskundigenregister waarmee het kwaliteitsaspect deskundigheid redelijk tot goed kan worden gecontroleerd. Het LRGD zet stappen om te waarborgen dat de bij hem ingeschreven deskundigen ook blijvend voldoen aan de toelatingseisen. Er zijn nog wel degelijk verbeterpunten. Een voornaam verbeterpunt – de wettelijke legitimatie van het register – ligt evenwel buiten de directe invloedssfeer van het LRGD. Het is eigen aan een deskundigenregister dat dit niet of nauwelijks geschikt is om de kwaliteitsaspecten onafhankelijkheid en onpartijdigheid mee te kunnen controleren (gelet op § 6.2.5). Dat geldt dus evenmin voor het LRGD. Inzicht in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid kan het beste via het disclosure statement worden geboden. Anders dan het deskundigenregister, heeft het disclosure statement zijn doorbraak in het onteigeningsrecht nog niet gevonden. In het onteigeningsrecht wordt niet of nauwelijks gebruik gemaakt van disclosure statements. Geconcludeerd kan worden dat het voor procesactoren in het onteigeningsrecht mogelijk is om aan de hand van een eventuele inschrijving bij het LRGD zelfstandig de deskundigheid van de deskundige te controleren. De vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid kunnen procesactoren veel minder goed controleren, omdat er van een vaste inzet van disclosure statements nog geen sprake is. Als onderdeel van de voorhangprocedure zou de deskundige daarom eigenhandig een disclosure statement als in § 6.2.5 kunnen uitbrengen.
In het planschade- en nadeelcompensatierecht is de praktijk weerbarstig. Anders dan voor onteigeningsdeskundigen, is het voor planschade-en nadeelcompensatiedeskundigen nog niet volstrekt duidelijk welk register de aangewezen inschrijvingsinstantie is. Zowel het LRGD als Register DOBS komen daarvoor in aanmerking. Het LRGD richt zich echter nog niet voldoende duidelijk op planschade- en nadeelcompensatiedeskundigen. Register DOBS doet dat wel, maar in de relatief kleine wereld van het bestuursrechtelijk schadevergoedingsrecht is geen behoefte aan twee elkaar beconcurrerende registers. Ik heb dan ook voorgesteld om de DOBSgeregistreerden onder te brengen bij het grotere vlaggenschip LRGD. Op dit moment kunnen procesactoren via de raadpleging van de twee registers inzicht krijgen in het kwaliteitsaspect deskundigheid. Met betrekking tot de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid moet daarentegen worden geconcludeerd dat ook in het planschade- en nadeelcompensatierecht het vereiste inzicht nog grotendeels ontbreekt. Ook hier zou als onderdeel van de onderscheidenlijke voorhangprocedures een disclosure statement goed ingepast kunnen worden.
Nu dit hoofdstuk is afgerond, heb ik inmiddels onderzocht en beschreven wat eronder ‘kwaliteit’ in het licht van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen moet worden verstaan (hoofdstuk 5), met welke mechanismen procesactoren die kwaliteit kunnen controleren (hoofdstuk 6) en, hoe er in de onteigenings- en nadeelcompensatiepraktijk gebruik wordt gemaakt van die mechanismen (hoofdstuk 7). In het volgende hoofdstuk gaat de aandacht uit naar de wijze waarop de civiele onteigeningsrechter en de bestuursrechtelijke nadeelcompensatierechter omgaan met klachten ten aanzien van de kwaliteit van de deskundige.