Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/3.6.6
3.6.6 Conclusie
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS499710:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Wechem 2007, nr. 78 e.v., 151, 153 en 157 e.v.
Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 10 mei 2005, LJN AT6107. In deze zaak werd het beding luidend 'niettegenstaande de autorisatie behoudt Visa Card Services zich uitdrukkelijk het recht voor de Visa Acceptant terug te belasten indien de Visa Card-houder de transactie betwist en/of (...) en/of de Visa Card-houder verklaart geen zaken en/ of diensten te hebben ontvangen (...)' op zich als redelijk beschouwd maar een beroep hierop was i.s.m. de redelijkheid en billijkheid 'tenzij Visa (...) AMT tevoren door middel van de door Visa genoemde folder op de hoogte heeft gesteld van het feit dat bij de autorisatie van transacties terzake in het buitenland uitgegeven Visa Cards niet gecontroleerd kan worden of de naam- en adresgegevens bij het opgegeven kaartnummer horen.'
Rb. Roermond 25 januari 2001, LJN AA9651.
138. Concluderend kan worden gesteld dat de Nederlandse toets overwegend inhoudelijk is doch ruimte biedt voor de inachtneming van procedurele omstandigheden, zowel in het voordeel als in het nadeel van de consument. Procedurele omstandigheden geven echter, op een enkele uitzondering na, niet de doorslag. Hypothese 1 krijgt veruit de meeste steun. In het licht van de tabel uit par. 2.5.6 heeft de Nederlandse rechter een 'exclusieve' opvatting van de toets. Met het oog op de beschermingsdoelstelling uit de richtlijn krijgt de schending van het transparantiebeginsel (art. 6:238 lid 2 eerste zin) te weinig aandacht. Het verrassende karakter van bedingen komt niet vaak aan bod maar wel iets vaker dan verwacht.1
De derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid vormt een geschikte toets om procedurele omstandigheden voorrang te verlenen wanneer sprake is van een naar zijn inhoud niet nadelig beding (hypothese 2b'). Een dergelijk beding kan op grond van art. 6:248 lid 2 buiten toepassing worden gelaten wanneer een informatieplicht is geschonden of een onjuiste schijn is gewekt.2 De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid biedt ook uitkomst bij relatief niet-begrijpelijke bedingen (waarvan de lading voor de wederpartij niet voldoende kenbaar i0.3