De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/4.1:4.1 Inleiding
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583388:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in het vorige hoofdstuk uiteen is gezet, is het wettelijk kader inzake de kwalificatievraag voor een belangrijk deel gestoeld op het uitgangspunt dat de machtsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers vanuit economisch en juridisch oogpunt ongelijk zijn. Die ongelijkheid komt in artikel 7:610 BW tot uitdrukking in de zinsnede ‘in dienst van’, ofwel: de gezagsverhouding. Dat de gezagsverhouding daarmee de kern van het begrip ‘arbeidsovereenkomst’ vormt, doet niet af aan de relevantie van de andere elementen van dit begrip. Zoals in het volgende hoofdstuk nader aan bod zal komen, komt het bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie aan op een waardering van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, in hun onderling verband bezien. Om tot een antwoord op de kwalificatievraag te kunnen komen, is dan ook inzicht vereist in alle afzonderlijke elementen van het wettelijk kader.
In dit hoofdstuk worden de arbeidsovereenkomst (paragraaf 4.2), de overeenkomst van aanneming van werk (paragraaf 4.3) en de overeenkomst van opdracht (paragraaf 4.4) ontleed. Daarbij wordt per overeenkomst stilgestaan bij de elementen arbeid (c.q. werk/werkzaamheden), loon (c.q. prijs) en gezag (c.q. het ontbreken daarvan). Tot slot wordt in paragraaf 4.5 in kaart gebracht op welke wijze de drie overeenkomsten zich tot elkaar verhouden, mede bezien in het licht van de in hoofdstuk 3 uiteengezette totstandkomingsgeschiedenis. Deze beschouwing mondt uit in de beantwoording van de derde deelvraag: Op welke wijze wordt het wettelijk kader inzake de kwalificatievraag thans uitgelegd, en op welke wijze komen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie daarin tot uitdrukking?