Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/339
339 Zwak materieel recht; jurisprudentie
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458307:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, NJ 1986, 242, m.nt. L. Wichers Hoeth en W.H. Heemskerk (Enka/Dupont), waarover ook Gielen 1999, p. 65-68.
Zie de noot van L. Wichers Hoeth in NJ 1986, 242 onder HR 29 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4989, ook m.nt. W.H. Heemskerk (Enka/Dupont).
HR 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, NJ 2005, 442, m.nt.W.D.H. Asser en JBPr 2005, 21, m.nt. E.F. Groot (Frog/Floriade).
Hof Amsterdam 27 januari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2145. In deze zaak had het hof ’s- Gravenhage eerder geoordeeld dat de verzoeker aannemelijk diende te maken dat hij schade had geleden. De Hoge Raad vernietigde deze beslissing omdat de toewijsbaarheid van de vordering in de hoofdzaak niet ter toetsing voorligt in een procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en verwees de zaak naar het Hof Amsterdam. HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3354, NJ 2008, 323.
De voor vergoeding in aanmerking komende schade viel in het niet althans was zeer beperkt in het licht van de niet voor vergoeding in aanmerking komende immateriële schade als gevolg van het ondergaan van de straf en de overtuiging van de verzoeker dat hij ten onrechte strafrechtelijk was veroordeeld. Naar mijn mening mag, zoals het hof heeft gedaan, ook meewegen dat de vordering van de verzoeker een zeer beperkte omvang kent.
Hof Amsterdam 20 januari 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5992, NJF 2005, 184.
De verzoeker had bevestigd dat er gegronde vrees bestond voor gebrek aan verhaalsmogelijkheden als de hoofdzaak zou worden verloren en hij in de kosten, waaronder de voor het voorlopig getuigenverhoor gemaakte kosten, veroordeeld zou worden.
De eerste en bekendste zaak waarin het zwakke materiële recht werd opgevoerd is Enka/Dupont.1 In deze zaak was door de verzoeker een octrooiaanvraag gepubliceerd in de zin van art. 25 Rijksoctrooiwet 1910 en de openbaarmaking betrof daarmee het voornemen om het octrooi te verlenen.2 Dat betekende echter niet dat het octrooi ook daadwerkelijk (geheel of gedeeltelijk) zou worden verleend, omdat, zoals in deze zaak ook gebeurde, bezwaar kon worden gemaakt tegen de octrooiverlening. Deze octrooiaanvraag was volgens de Hoge Raad een zwevend recht dat de aanvrager alleen het recht gaf conservatoire maatregelen te nemen, terwijl hij eerst tot het instellen van een vordering bevoegd zou zijn wanneer het octrooi definitief zou zijn geworden. De Hoge Raad besliste dat hier niet aan de orde was of voldoende belang bestond bij een voorlopig getuigenverhoor en leek de zwakke materiële rechtspositie van de houder van de octrooiaanvraag als een zelfstandige grond voor het afwijzen van het voorlopig getuigenverhoor te aanvaarden. Overigens zal bij de beoordeling van de sterkte van het materiële recht meewegen in welke fase de octrooiaanvraag zich bevindt. De octrooiaanvraag van Enka bevond zich in een stadium waarin lang niet zeker was dat het octrooi daadwerkelijk zou worden verleend. Hoe waarschijnlijker het echter wordt dat een octrooi zal worden verleend, hoe sterker het materiële recht van degene die de aanvraag heeft gedaan.
In het arrest Frog/Floriade3 noemde de Hoge Raad de zwakke materiële rechtspositie niet als aparte afwijzingsgrond. Hieruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad de zwakke materiële rechtspositie niet als een aparte afwijzingsgrond wil laten bestaan. Dit lijkt mij een juiste ontwikkeling, aangezien de zwakke materiële rechtspositie eenvoudig onder meerdere – afhankelijk van de zwakte van de materiële vordering en het oogmerk (fishing expedition) van de verzoeker – van de door de Hoge Raad genoemde vier afwijzingsgronden kan worden begrepen.
Een verzoeker die onherroepelijk was veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijke invoer van cocaïne, wilde in de hoofdzaak immateriële schadevergoeding vorderen vanwege een aantasting in zijn persoon als gevolg van de inbreuk op zijn privacy en het verlies van zijn vertrouwen in de rechtstaat.4 Het hof Amsterdam liet doorschemeren dat het de slagingskans van deze vordering niet groot achtte, maar nam aan dat de verzoeker een rechtens relevant belang bij zijn verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor had. Bijkomende zwakke factoren aan de zijde van de verzoeker waren de omvang van de schadevergoeding5 en de geringe concretisering van de te bewijzen feiten. Sterke factoren aan de zijde van de verweerder waren het zeer aanzienlijke tijdsbeslag en de hoge kosten voor de verweerder. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat er onevenredigheid bestond tussen de belangen van de verzoeker bij toewijzing en de belangen van de verweerder bij afwijzing van het verzoek.
Ook in een andere zaak van het hof Amsterdam was de zwakke materiële vordering (er bestond volgens het hof gerede twijfel over het slagen van de vordering in de hoofdzaak) een belangrijke factor.6 In de afweging speelden ook de vaagheid en de relevantie van de feiten waarover bewijslevering werd gewenst en het gebrek aan verhaalsmogelijkheden voor de kosten van het voorlopig getuigenverhoor7 bij de verzoeker een rol. De verweerder had een belang bij afwijzing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor vanwege het tijdsbeslag en de aan het verhoor verbonden kosten (in casu zouden met het verhoor zes à zeven volle zittingsdagen gemoeid zijn).