Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/14.9
14.9 Omvang of waarde van de vordering?
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS365773:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Bressers 1986, p. 295-297 en Olaerts & Hamers 2003, p. 146-147.
Overigens is ook na de toepassingstermijn van artikel 2:94c BW de inbrengcontrole bij storting op aandelen anders dan in geld van artikel 2:94b BW eenvoudig te vermijden doordat de aandeelhouder activa aan de vennootschap verkoopt, de koopsom wordt schuldig gebleven, vervolgens aandelen worden uitgegeven en de stortingsplicht met de koopsom wordt verrekend. Ook dit kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid als de tegenprestatie (de koopsom) vanuit het perspectief van de NV onzakelijk was.
Er kan onderscheid worden gemaakt tussen de omvang en de waarde van de vordering.1 Met de omvang van de vordering wordt bedoeld de nominale waarde van de vordering zoals deze voortvloeit uit de relatie tussen de vordering en de oorspronkelijke tegenprestatie. Als, bijvoorbeeld, de koopsom van aandelen is omgezet in een geldlening ten belope van de koopsom, blijft de vordering deze omvang houden, tenzij daarop wordt afgelost of daarop rente wordt bijgeschreven. De waarde van de vordering is echter mede gerelateerd aan de gegoedheid van de debiteur en diens betalingsmoraal. Een vordering op een debiteur die deze niet kan betalen heeft een waarde die lager is dan haar omvang. Als de debiteur in het geheel niet kan betalen en ook niet te verwachten is dat hij dat te eniger tijd zal kunnen, kan de vordering zelfs waardeloos zijn.
Soms kan door de wijze van structurering worden gekozen of de waarde van de vordering of de omvang van de vordering voor de storting op aandelen wordt gehanteerd. Zoals onder 14.8 betoogd valt de verrekening van vorderingen op de aandeelhouder niet onder de werking van artikel 2:94c BW. Daardoor kan de regeling van artikel 2:94c BW worden omzeild, waardoor niet de waarde maar de omvang van de vordering als uitgangspunt voor de voldoening aan de stortingsplicht kan gelden. Een voorbeeld ter verduidelijking.
Oprichter A koopt voor rekening en risico van B NV i.o. een groot aantal ongebruikte auto’s van anderhalf jaar oud, bestemd voor de lease activiteiten van B NV. A voldoet de koopsom namens B NV i.o. De auto’s worden afgenomen van C BV, een dochtermaatschappij van A, echter boven de adviesprijs omdat de rentekosten wegens voorfinanciering van de auto’s betaald door C, bij de koopsom worden opgeteld, waarop overigens niet de gebruikelijke aanzienlijke kortingen voor de afname van meer auto’s worden gegeven. Na oprichting bekrachtigt B NV de aankoop van de auto’s, waardoor A een vordering heeft op B NV ter grootte van de koopprijs. Drie dagen later geeft B NV a pari aandelen uit aan A. De stortingsplicht voldoet A met instemming van B NV door verrekening van haar vordering op B NV. Hier is niets op af te dingen op grond van artikel 2:94c BW, al is A door middel van haar dochter C bevoordeeld ten koste van B NV en is het de vraag of de na oprichting uitgegeven aandelen wel zijn volgestort. Zou A de auto’s zelf na oprichting hebben geleverd aan B NV, dan zou op grond van 2:94c BW een waardering van de auto’s dienen plaats te vinden, en zou een accountant dienen te verklaren dat de waarde van het verkochte (de auto’s) ten minste gelijk was aan de tegenprestatie. Dat zou in het gegeven geval moeilijk denkbaar zijn. Overigens is de toepasselijkheid van artikel 2:94c BW ook eenvoudig te vermijden door een andere vennootschap dan de beoogde aandeelhouder de vennootschap te laten oprichten en de aandelen vervolgens over te dragen, waarna de transactie tussen aandeelhouder en vennootschap wordt aangegaan. Dat is natuurlijk niet de bedoeling van de wetgever geweest en structurering teneinde 2:94c BW te vermijden kan, indien de NV daardoor wordt benadeeld, tot bestuurdersaansprakelijkheid leiden.2 In dit voorbeeld had B BV de aankoop van auto’s ten behoeve van haar (B BV i.o.) niet moeten bekrachtigen, of zij had niet met verrekening moeten instemmen. B BV betaalt immers een onzakelijke prijs voor de auto’s en de vordering van A BV op B BV is in die zin niet reëel.
De waarde van de vordering en de omstandigheden waaronder verrekening van een vordering van een aandeelhouder op de vennootschap plaatsvindt ter storting op aandelen, spelen een rol bij de beoordeling van de geoorloofdheid van een zodanige verrekening en de mogelijkheid voor de vennootschap hiermee in te stemmen.