Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/6.3
6.3 Duitsland als voorbeeld voor Nederland?
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111484:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Door middel van het Gesetz zur Unternehmensintegrität und Modernisierung des Anfechtungsrechts (UMAG) van 22 september 2005, Bundesgesetzblatt 2005, deel 1, nummer 60, uitgegeven d.d. 27 september 2005, p. 2802; Aktiengesetz (AktG).
Spindler/Stilz 2015, § 93 AktG, Rn. 62-64, 66; Wellhöfer e.a. 2008, § 1, Allgemeine Grundlagen, Rn. 5 en § 8, Allgemeine Grundlagen, Rn. 3; Grützner e.a. 2010, BJR; Brömmelmeyer 2005. Ten overvloede verdient vermelding dat de BJR ook van toepassing is op leden van het toezichthoudende orgaan. Zie Cahn 2013; Spindler/Stilz 2015, § 116 AktG, Rn. 43-47.
Volgens BGHZ 135, 244 (ARAG//Garmenbeck); Spindler/Stilz 2015, § 93 AktG, Rn. 61.
Wellhöfer e.a. 2008, § 1 Allgemeine Grundlagen, Rn. 5 voor de AG en § 8 Allgemeine Grundlagen, Rn. 3 voor de GmbH. Spindler/Stilz 2015, § 93 AktG, Rn. 66 e.v.; BGH 21 april 1997, BGHZ 135, 244 (ARAG/Garmenbeck); Wellhöfer e.a. 2008, § 1, Allgemeine Grundlagen, Rn. 5; Gubitz e.a. 2012, p. 4; Roth 2013, p. 321, 342-343; Mussche 2011, § 4.2.5, § 4.2.6; Ihrig e.a. 2014, p. 503, Rn. 1523, p. 507, Rn. 1527; Hüffer 2014, § 93 Rn. 4e; Flohr/Pohl 2011 in: Bross & Flohr 2011, p. 301, Rn. 127. Zie voor een nadere uitwerking van deze voorwaarden in de latere wetgeving: Brömmelmeyer 2005; Sieg e.a. 2010.
Spindler/Stilz 2015, § 93 AktG, Rn 78. Naar analogie is de BJR ook van toepassing op bestuurders van de GmbH. Zie Wellhöfer e.a. 2008, § 8 Allgemeine Grundlagen, Rn. 3 en § 9, Rn. 21; Gubitz e.a. 2012, p. 4, 32; Kocher 2009, p. 215. Omdat de aandeelhoudersvergadering bij de GmbH een instructierecht heeft jegens het bestuur, wijkt toepassing van de BJR in dit soort gevallen af van de reguliere toepassing. Zie Gubitz e.a. 2012, p. 58; Schaub 1992, p. 987.
De BJR doet zijn intrede in de Duitse jurisprudentie in de ARAG/Garmenbeck- beslissing.1 Hierin overweegt het Bundesgerichtshof (BGH) dat de Aufsichtrat bij zijn toezichthoudende taken in ogenschouw moet nemen dat het bestuur bij het nemen van vennootschappelijke beslissingen een zekere speelruimte heeft. Deze speelruimte benadrukt het onderscheid tussen de taak van het bestuur (het besturen van de vennootschap en onder meer het bepalen van het beleid) en de taak van de Aufsichtrat (‘enkel’ toezichthouden op deze werkzaamheden). De speelruimte beschermt de bestuurder die bij het maken van een vennootschappelijke beslissing zonder grove nalatigheid mocht menen dat hij in het belang van de vennootschap handelt. Verdere uitwerking van deze BJR volgt in 2005 door wijziging van § 93 Abs. 1S.2 AktG.2 Na wijziging bepaalt dit artikel dat een bestuurder niet aansprakelijk is voor een vennootschappelijke beslissing die een schadelijk effect heeft gehad op de vennootschap, indien de bestuurder:
redelijkerwijs mocht aannemen;
op basis van voldoende informatie;
dat hij in het belang van de vennootschap handelde;
zonder dat hij een tegenstrijdig belang had bij deze beslissing.
Voorts mag de beslissing niet in strijd zijn met de wet, statuten of reglementen.3 Is aan de BJR-criteria voldaan, dan geniet de bestuurder bescherming van de ‘veilige haven’. De bestuurder is slechts aansprakelijk indien hij de grenzen van de BJR heeft overtreden. Een dergelijke overschrijding is bijvoorbeeld het geval als de bestuurder bij de uitoefening van zijn taak onverantwoorde risico’s neemt.4 Het uitgangspunt is dat een enkele mislukking of fout niet tot individuele aansprakelijkheid van de bestuurder leidt.5 Als de eiser de toepasselijkheid van de BJR betwist, dan moet de bestuurder aantonen dat hij te goeder trouw en in overeenstemming met zijn plichten handelde. Slaagt hij hierin, dan geniet hij gewoon de bescherming van de BJR en mag de rechter niet meer aan de zorgvuldigheidsmaatstaf van § 93 Abs. 1 AktG toetsen.6 Ook hier resulteert de BJR, net als in Delaware, in een terughoudende toetsing door de rechter.
De Duitse BJR omvat een meer gebalanceerde verhouding tussen bescherming van de bestuurder en verantwoordelijkheid van de bestuurder, doordat de presumptie van goede trouw zoals opgenomen in de Delaware-BJR is verlaten. Om tot een weloverwogen antwoord te komen op de vraag of invoering van de Duitse BJR in de Nederlandse wet gewenst is, is het zaak kritisch te kijken naar de hoofdargumenten voor invoering van de BJR, zoals voorstanders deze zowel in Duitsland als in Nederland aanhalen. De hoofdargumenten zijn achtereenvolgens dat de BJR (1) angstige bestuurders voorkomt; (2) zorgt voor rechtszekerheid; en (3) het risico op hindsight bias bij het rechterlijk oordeel vermindert.