Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/7.4:7.4 Conclusie
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/7.4
7.4 Conclusie
Documentgegevens:
Inge Graef & Jasper van den Boom, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Inge Graef & Jasper van den Boom
- JCDI
JCDI:ADS288417:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft de centrale vraag voor dit hoofdstuk of het mededingingsrecht een vloek dan wel een zegen is voor de sociale bescherming van platformwerkers, kunnen we concluderen dat elementen van beide opvattingen aanwezig zijn. Dit geldt vooral bij de toepassing van art. 101 VWEU, dat een duaal karakter heeft voor de bescherming van platformwerkers.
Het kartelverbod kan een ‘obstakel’ voor de bescherming van platformwerkers vormen, omdat platformwerkers die collectief willen onderhandelen over hun arbeidspositie zich binnen de werkingssfeer van art. 101 VWEU bevinden en daarmee – in principe – blootgesteld zijn aan mogelijke mededingingsaansprakelijkheid. De uitspraken van het Hof omtrent dit onderwerp geven platformwerkers slechts beperkte zekerheid en bescherming tegen platforms, en daarnaast zijn er nog geen richtsnoeren op Europees niveau die de platformwerkers handvatten bieden. Het is echter duidelijk dat zowel op Europees niveau (in de vorm van uitspraken van Eurocommissaris Vestager) als op lidstaatniveau (in Nederland in de vorm van de Leidraad voor tariefafspraken zzp’ers) begrip is voor de wens van platformwerkers om collectief te onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden. Wel blijkt uit de Nederlandse Leidraad voor tariefafspraken zzp’ers en de conclusie van advocaat-generaal Wahl in FNV KIEM dat deze collectieve overeenkomsten moeten dienen om een minimumniveau van bescherming te creëren en hier niet bovenuit mogen gaan. Het verdient aanbeveling om op Europees niveau de rechtszekerheid van de platformwerker te verbeteren, door duidelijke kaders of groepsvrijstellingen in te stellen die de synergie tussen het mededingingsrecht en arbeidsrecht verbeteren.
Tegelijkertijd biedt het mededingingsrecht mogelijkheden om platformwerkers te beschermen tegen de druk die platforms kunnen uitoefenen. De platforms genieten een asymmetrische onderhandelingspositie ten opzichte van de zwakkere platformwerker, waaraan het mededingingsrecht grenzen kan stellen. Door het verbod op prijscoördinatie in art. 101 VWEU zou in bepaalde omstandigheden via het mededingingsrecht kunnen worden afgedwongen dat platforms zich beperken tot het faciliteren van contact tussen de ondernemers en consumenten zonder hierbij centraal prijzen op te leggen. Synergie tussen het arbeids- en mededingingsrecht kan bereikt worden door platforms voor de keuze te stellen om: (a) veel gezag uit te oefenen en de platformwerker aan te merken als werknemer of (b) minder gezag uit te oefenen, maar geen centrale prijzen te stellen om mededingingsaansprakelijkheid te voorkomen waar dit anders tot schending van art. 101 VWEU zou leiden.
Daarnaast kan art. 102 VWEU platformwerkers bescherming bieden tegen gedragingen die misbruik van economische machtspositie opleveren. Noodzakelijke voorwaarde is dat het betreffende platform over zo’n machtspositie beschikt, wat afhangt van hoe mededingingsautoriteiten de relevante markt afbakenen. Verschillende vormen van uitsluitings- en/of uitbuitingsmisbruik zijn denkbaar, waarbij excessieve prijzen voor de opgelegde commissies en discriminatie tussen platformwerkers onderling de meest relevante lijken. Of art. 102 VWEU daadwerkelijk wordt ingezet om de sociale bescherming van platformwerkers te bevorderen, hangt af van de houding van de Europese Commissie en nationale mededingingsautoriteiten tegenover de doelen van mededingingshandhaving. Hoewel haar bepalingen vooral zien op transparantie, zal de nieuwe P2B-Verordening platformwerkers daarnaast ook helpen – mits ze niet buiten het toepassingsgebied worden gelaten.
Het mededingingsrecht heeft zeker een rol te spelen door te voorkomen dat het in de weg staat aan een betere bescherming van platformwerkers (door collectief onderhandelen onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken onder art. 101 VWEU), maar het is de vraag in hoeverre de mededingingsregels ingezet kunnen en zouden moeten worden om bescherming te bieden (door oneerlijke voorwaarden als uitbuitingsmisbruik onder art. 102 VWEU aan te merken), die platformwerkers nu missen wegens de inflexibiliteit van het huidige arbeidsrecht. Los van het antwoord op deze meer politieke of beleidsvraag, laat dit hoofdstuk zien dat er ruimte is voor synergie tussen de twee rechtsgebieden door de mededingingsregels te interpreteren op een manier die ook belangen gerelateerd aan sociale bescherming bevorderen. Een betere afstemming van het mededingingsrecht met de doelen van het arbeidsrecht is zowel wenselijk als mogelijk, teneinde de positie van de platformwerker, die nu nog te veel tussen wal en schip valt, te versterken.