Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/7.2
7.2 Artikel 101 VWEU: de positie van platformwerkers en de mogelijkheid tot algoritmisch management
Inge Graef & Jasper van den Boom, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Inge Graef & Jasper van den Boom
- JCDI
JCDI:ADS288411:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Lianos et al.2018, p. 4.
De term ‘partners’ wordt gebruikt door Uber om de chauffeurs aan te merken als zelfstandige partners in plaats van medewerkers; door critici wordt dit gezien als een mogelijke schijnconstructie, waardoor platforms de toepassing van arbeidsrechtelijke bescherming kunnen ontwijken. Een van de centrale vraagstukken omtrent de toepassing van het mededingings- en arbeidsrecht op platformwerk is het vraagstuk in welke mate deze ‘partners’ zich gedragen als medewerkers of als zpp’ers.
Daskalova 2018, p. 471.
Nowag2016, p. 94-103.
Platformwerk is een recente doch populaire ontwikkeling op de arbeidsmarkt. Dit type arbeid wordt verricht op diverse manieren en in diverse sectoren. De fietsbezorgers met Deliveroo-tassen zijn inmiddels een deel van het Nederlandse straatbeeld, maar er zijn ook diverse aanbieders voor platformwerk dat zich puur online afspeelt. Om deze verschillende vormen van platformwerk te bespreken wordt in dit hoofdstuk waar relevant een onderscheid gemaakt tussen (i) ‘online platformarbeid’ (het aanbieden van online werkzaamheden zoals vertalen of transcriberen) en (ii) ‘offline platformarbeid’ (het verrichten van o.a. vervoer en bezorgdiensten met aansturing via de app van een platform).1
De platformwerkers die worden ingezet door deze ondernemingen bevinden zich in een unieke arbeidspositie: ze zijn noch ‘klassieke’ werknemers, noch ‘klassieke’ zelfstandigen. De platforms stellen dat platformwerkers zelfstandige ondernemers zijn en dat de platforms enkel coördinatie bieden aan hun ‘partners’ (de platformwerkers). Deze rol kan echter als problematisch worden gezien binnen het Europese mededingingsrecht: coördinatie van marktgedrag tussen zelfstandige ondernemers kan in bepaalde gevallen in strijd zijn met het kartelverbod. In art. 101 VWEU is neergelegd dat het verboden is voor ondernemingen om afspraken te maken die de mededinging binnen de interne markt kunnen vervalsen. Vooral afspraken met betrekking tot de prijs of de verdeling van een markt worden als problematisch aangemerkt. Een vraag is of een bedrijfsmodel zoals dat van Uber, waarin centraal prijzen worden vastgesteld en ritten worden verdeeld tussen de ‘partners’2 van het platform, op gespannen voet staat met het kartelverbod. Zo ja, dan zou dit positief zijn voor platformwerkers die meer controle over hun activiteiten moeten krijgen van het platform om mededingingsaansprakelijkheid te voorkomen. Het kartelverbod kan echter ook een beperkende werking opleveren voor platformwerkers om collectief te onderhandelen: een onderhandeling over het minimumloon zou namelijk ook gezien kunnen worden als een prijsafspraak.3
Door deze verboden zitten zowel de platforms als de platformwerkers vast tussen het mededingingsrecht en het arbeidsrecht. Wanneer platforms de platformwerkers als ondernemers aanmerken, riskeren zij een inbreuk te maken op het mededingingsrecht, afhankelijk van de coördinerende rol die zij op zich nemen. Dit kan voorkomen worden door de platformwerker als werknemer aan te merken, met de bijkomstigheid dat het platform ook aan de normen voor sociale bescherming door werkgevers moet voldoen.4 In de praktijk valt de platformwerker echter tussen deze twee definities van ‘ondernemer’ en ‘werknemer’ in, waardoor deze noch de sociale bescherming geniet noch het vermogen heeft om collectief te onderhandelen. De platformwerker die zich in een zwakkere positie bevindt ten opzichte van het platform heeft hierdoor slechts beperkte middelen ter beschikking om voorwaarden te bedingen met het platform. In dit deel van het hoofdstuk worden de beschermende en beperkende factoren van art. 101 VWEU voor de positie van platformwerkers besproken, alsmede manieren om synergie te creëren tussen de doelen van het mededingingsrecht en het arbeidsrecht ter bevordering van de positie van platformwerkers.
7.2.1 Het collectief onderhandelingsvermogen van platformwerkers in het licht van artikel 101 VWEU7.2.2 Platforms als kartelondersteuners7.2.3 Gezamenlijk gebruik van prijsalgoritmes en prijssoftware