Hof Amsterdam, 28-04-2020, nr. 19/00899
ECLI:NL:GHAMS:2020:1167
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
28-04-2020
- Magistraten
Mrs. F.J.P.M. Haas, C.J. Hummel, M.J. Leijdekker
- Zaaknummer
19/00899
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2020:1167, Uitspraak, Hof Amsterdam, 28‑04‑2020
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:2038
Uitspraak 28‑04‑2020
Mrs. F.J.P.M. Haas, C.J. Hummel, M.J. Leijdekker
Partij(en)
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep — na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden — van
[X], wonende te [Z], belanghebbende,
(gemachtigde: […])
tegen de uitspraak van 10 augustus 2017 in de zaak met kenmerk SGR 17/1514 van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de heffingsambtenaar.
1. Ontstaan en loop van het geding voor verwijzing
1.1.
Met dagtekening 3 augustus 2016 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 61,70.
1.2.
Belanghebbende heeft hiertegen op 14 augustus 2016 bezwaar gemaakt. Bij een op 2 januari 2017 gedateerd bericht heeft belanghebbende de heffingsambtenaar schriftelijk in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op voornoemde bezwaarschrift en verzoekt belanghebbende om een dwangsom.
1.3.
Belanghebbende heeft vervolgens tegen het niet tijdig nemen van een beslissing beroep ingesteld. Bij uitspraak van 10 augustus 2017 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag. Bij uitspraak van 22 juni 2018, nr. BK.-17/00778, heeft het Gerechtshof Den Haag de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.5.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 juli 2019, nr. 18/03304, ECLI:NL:HR:2019:1175, (hierna: het verwijzingsarrest), het tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het verwijzingsarrest.
2. Loop van het geding na verwijzing
2.1.
Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze te geven op het verwijzingsarrest. Belanghebbende heeft per faxbericht van 20 juli 2019 zijn zienswijze gegeven. Van de zijde van de heffingsambtenaar is bij het Hof geen schriftelijke zienswijze binnengekomen.
2.2.
Partijen hebben het Hof toestemming gegeven tot het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Hierop heeft het Hof bepaald het onderzoek ter zitting achterwege te laten, het onderzoek te sluiten en schriftelijk uitspraak te doen.
3. Tussen partijen vaststaande feiten
3.1.
In cassatie is de Hoge Raad van de volgende feiten uitgegaan:
‘2.1.1
Belanghebbende heeft op 14 augustus 2016 via het webformulier ‘Vraag aan de gemeente’ bij het Contact Centrum van de gemeente Den Haag bezwaar gemaakt tegen een op 3 augustus 2016 opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.
2.1.2
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (hierna: de heffingsambtenaar) heeft vastgesteld dat het bezwaar niet van gronden was voorzien en heeft belanghebbende bij brief van 10 november 2016 gelegenheid gegeven tot herstel van dit verzuim.
2.1.3
Op 2 januari 2017 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
2.1.4
Belanghebbende heeft op 27 februari 2017 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat, gelet op de in 2.1.2 vermelde brief van 10 november 2016, de beslistermijn met vier weken is opgeschort tot 28 januari 2017 en daarom geen sprake is van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, lid 2, Awb.’
3.2.
Het Hof gaat eveneens van deze feiten uit en gaat daarnaast ook uit van de volgende feiten, zoals vastgesteld door het Gerechtshof Den Haag:
‘2.1.
Het door […] als gemachtigde van belanghebbende met betrekking tot de naheffingsaanslag ingediende bezwaarschrift van 14 augustus 2016 meldt:
‘Ik treed op namens [X] te [Z], cliënt, en maak hierbij op nog nader aan te geven gronden bezwaar tegen opgemelde naheffingsaanslag. Cliënt verzoekt in ieder geval om een vergoeding op grond van artikel 7:15 Awb wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast verzoek ik u om telefonisch te worden gehoord ter zake van dit bezwaarschrift. Tot slot verzoek ik u mij namens cliënt om, mede in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor, alle zaakstukken in dit dossier te doen toekomen zodat deze bestudeerd kunnen worden voordat de hoorzitting plaats heeft.’
2.2.
Bij brief van 16 augustus 2016 heeft de heffingsambtenaar een bevestiging van de ontvangst van het bezwaarschrift aan de gemachtigde van belanghebbende verzonden.
2.3.
Bij aan de gemachtigde van belanghebbende gerichte brief van 10 november 2016 (zie ook 5.1) geeft de heffingsambtenaar te kennen:
‘U heeft namens [X] een bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag parkeerbelastingen met bovengenoemd nummer. Uw bezwaarschrift is niet gemotiveerd. Ik verzoek u daarom mij binnen vier weken na dagtekening van deze brief de gronden van uw bezwaar aan te geven. U kunt daarvoor de bijgevoegde retourenvelop gebruiken.’
2.4.
De door de heffingsambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende gerichte brief van 20 december 2016 meldt:
‘U heeft namens [X] een bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag parkeerbelastingen met bovengenoemd nummer. In het bezwaarschrift verzoekt u om toezending van de stukken waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd en vraagt u telefonisch te worden gehoord. De parkeercontroleur heeft vastgesteld dat het voertuig ter plekke stond geparkeerd zonder geldig parkeerrecht. In de bijlage treft u de uitdraai van het elektronisch systeem waarin de naheffingsaanslag is geregistreerd alsmede een foto van het kenteken van het voertuig. Ik verzoek u mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief aan te geven wanneer en op welk telefoonnummer u bereikbaar bent voor een hoorzitting. U kunt gebruik maken van bijgevoegde antwoordenvelop.’
2.5.
Bij brief van 2 januari 2017 betreffende ‘uitblijven beslissing op bezwaar’ deelt de gemachtigde van belanghebbende de heffingsambtenaar mee:
‘Het bezwaarschrift dat ik als bijlage aan deze brief meezend, zond ik u tijdig. De beslistermijn is thans verstreken zonder dat u de gevraagde beslissing op dat bezwaarschrift heeft genomen. Gelet daarop verzoek ik u binnen uiterlijk twee weken na heden en als in artikel 4:17 van de Awb de gevraagde beslissing te nemen.’
2.6.
Bij het beroepschrift van 27 februari 2017 voert de gemachtigde van belanghebbende aan:
‘Namens [X] te Den Haag (…) stel ik beroep in bij uw rechtbank. Een machtiging wordt overgelegd. (…)
Gronden van beroep
[Belanghebbende] heeft een bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag aan [de heffingsambtenaar] gezonden. Omdat niet tijdig is beslist op dat bezwaarschrift heeft [belanghebbende] [de heffingsambtenaar] ter zake van het uitblijven van een besluit schriftelijk in gebreke gesteld. Op grond van artikel 4:17 lid 3 Awb verbeurt [de heffingsambtenaar] vanaf twee. weken na de verzenddatum van de ingebrekestelling een dwangsom indien het gevraagde besluit nog niet is genomen. [De heffingsambtenaar] heeft thans nog geen beslissing genomen op het bezwaarschrift van [belanghebbende]; hij is op dit moment ter zake derhalve nog steeds in gebreke. Om die reden is sprake van een fictieve weigering ex artikel 6:2 sub b Awb. Indien [de heffingsambtenaar] de tijdige ontvangst van de producties ontkent, kunnen daarvan verzendbewijzen worden overgelegd. [Belanghebbende] doet een nadrukkelijk bewijsaanbod aan uw rechtbank om in dat geval de verzendbewijzen in het geding te brengen.
Verzoek
Middels onderhavig beroepschrift verzoek ik uw rechtbank namens [belanghebbende]:
- I.
te bepalen dat [de heffingsambtenaar] binnen twee weken na de dag van verzending van uw uitspraak alsnog op het bezwaarschrift van [belanghebbende] het gevraagde besluit neemt, bij gebreke waarvan [de heffingsambtenaar] een nadere dwangsom verbeurt per dag of dagdeel van € 100,- met een maximum van € 15.000,- dan wel een dwangsom door u E.A. in goede justitie te bepalen;
- II.
de hoogte te bepalen van de door [de heffingsambtenaar] aan [belanghebbende] te verbeuren dwangsommen als bedoeld in § 4.1.3.2. Awb;
- III.
[de heffingsambtenaar] te verplichten [belanghebbende] de onder II. bedoelde dwangsommen te betalen alsmede haar een vergoeding te doen toekomen voor de kosten van het griffierecht in deze kwestie en eventueel nog voor deze kwestie door haar te maken, nader te specificeren, reis- en/of verletkosten dan wel overige gemaakte of nog te maken proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht;
- IV.
[de heffingsambtenaar] te verplichten [belanghebbende] de wettelijke rente te vergoeden over de onder II. genoemde bedragen. Ik wijs u in dat kader op artikel 4:87 lid 1 Awb juncto artikel 4:100 Awb.’
2.7.
Het verweerschrift in hoger beroep van 17 oktober 2017 meldt met betrekking tot de brief van 10 november 2016:
‘(…) In [hoger] beroep voert belanghebbende aan dat hij de brief van 10 november 2016 (bijlage 3 verweerschrift aan de rechtbank) nooit heeft ontvangen. (…) De brief van 10 november 2016 is verzonden naar [a-straat 1],[Q]. De dagtekening van de brief, te weten 10 november 2016, is de datum dat de brief is verzonden. Het staat naar mijn mening vast dat belanghebbende op de verzendatum van de brief op het bovengenoemde adres woonde en/of daar kantoor had. Belanghebbende heeft op 14 augustus 2016 digitaal bezwaar gemaakt. Onder de naam van belanghebbende staat als adres vermeld [a-straat 1],[Q]. Van problemen met de verzending van poststukken naar dit adres is mij niets gebleken. De ondertekenaar van de brief, [A], heeft de brief persoonlijk opgesteld en met dagtekening 10 november 2016 geprint. Hij heeft de brief persoonlijk in een envelop gedaan en die vervolgens in de postbak voor verzending van poststukken gedaan. Afhankelijk van het tijdstip waarop hij de brief in de postbak heeft gedaan is de brief nog dezelfde dag of de dag daarna door een medewerker van de postkamer opgehaald en aangeboden aan PostNL voor postbezorging. De brief van 10 november 2016 is niet als onbestelbaar naar de gemeente teruggezonden. De enkele stelling van belanghebbende dat hij de brief niet zou hebben ontvangen is naar mijn mening onvoldoende dat de ontvangst van de brief redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Belanghebbende voert voorts aan dat geen sprake is van een rechtsgeldige herstelbrief omdat belanghebbende niet is gewezen op de mogelijke gevolgen die verbonden konden worden aan het niet tijdig herstellen van het geconstateerde gebrek. Naar mijn mening is dat verzuim in de onderhavige procedure niet van belang omdat geen uitspraak strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van het door belanghebbende ingediende bezwaar is gedaan. Tenslotte voert belanghebbende aan dat [A] niet bevoegd was om de brief van 10 november 2016 op te stellen. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende stelt ben ik van mening dat [A] wel bevoegd was om de betreffende brief te ondertekenen. In dit verband verwijs ik naar bijlage 1 van dit verweerschrift. (…)’
2.8.
Bij brief van 28 september 2017 deelt de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende mee dat is besloten de naheffingsaanslag te laten vervallen en een vergoeding van de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te kennen van € 246: ‘ 1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting x een weging van 0‘5’.’
4. Het verwijzingsarrest
De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest het volgende overwogen:
‘2.1.5
Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. Het Hof heeft daartoe onder meer overwogen dat het de stelling van belanghebbende dat hij de brief van 10 november 2016 niet heeft ontvangen, niet geloofwaardig acht gelet op onder meer de uiteenzetting door de heffingsambtenaar over de verzending daarvan.
2.2.1
Belanghebbende bestrijdt dit oordeel met een aantal klachten, waarin onder meer wordt betoogd dat verzending van de brief van 10 november 2016 niet aannemelijk is geworden.
2.2.2
De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat het verzoek tot het herstel van het verzuim is verzonden naar het juiste adres (vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). Indien het een stuk betreft dat niet aangetekend is verzonden, zoals in dit geval, kan de heffingsambtenaar dat bewijs leveren door een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum het stuk is verzonden (vgl. AB RvS 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3338).
2.2.3
Hetgeen de heffingsambtenaar omtrent de verzending van de brief van 10 november 2016 in het verweerschrift bij het Hof heeft uiteengezet, heeft betrekking op activiteiten tot het tijdstip van de gestelde verzending. Daaruit blijkt niet dat die verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het bestreden oordeel is daarom onvoldoende gemotiveerd. De uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en verwijzing moet volgen.
2.2.4
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.’
5. Geschil na verwijzing
Na verwijzing is in geschil of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de schriftelijke ingebrekestelling prematuur is.
Belanghebbende vordert dat de heffingsambtenaar in de kosten van het geding wordt veroordeeld en dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Voorts vraagt belanghebbende om vergoeding van schade omdat — aldus belanghebbende — ‘de redelijke termijn om uitspraak te doen thans is verstreken’, en maakt hij aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over — naar het Hof verstaat — de proceskosten, de dwangsom het griffierecht en de immateriëleschadevergoeding.
6. Beoordeling van het geschil na verwijzing
6.1.
De omstandigheden dat belanghebbendes gemachtigde het bezwaarschrift op een ongebruikelijk methode heeft ingediend, het in de bezwaarfase heeft gelaten bij twee brieven, een standaardbezwaarschrift en -ingebrekestelling, dat in beide brieven niet inhoudelijk op de (onjuistheid van de naheffingsaanslag wordt ingegaan, dat hij niet heeft gereageerd op de brief van 20 december 2016, en dat hij niet op eigen initiatief de heffingsambtenaar erop gewezen heeft het bezwaar nog te willen motiveren en/of nog te willen worden gehoord, zijn onvoldoende voor het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond zou moeten worden verklaard wegens misbruik van procesrecht. Ook de overige stukken van het geding geven voor een dergelijk oordeel onvoldoende grond.
6.2.
De heffingsambtenaar heeft voor zijn betoog dat de brief van 10 november 2016 is verzonden, (ook na cassatie) niets meer of anders aangevoerd dan is weergegeven in overweging 2.7. van het Gerechtshof Den Haag.
6.3.
Uit het verwijzingsarrest volgt dat de heffingsambtenaar daarmee niet voldaan heeft aan de op hem rustende last te bewijzen dat de brief van 10 november 2016 daadwerkelijk is verzonden. Voor dit geding moet er dan ook van worden uitgegaan dat die brief niet is verzonden en de ingebrekestelling van de heffingsambtenaar door belanghebbendes gemachtigde bij bericht van 2 januari 2017 niet prematuur was. De rechtbank heeft het beroep (onder verwijzing naar artikel 6:12, tweede lid, Awb) ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
6.4.
Het beroep moet gegrond worden verklaard reeds omdat de heffingsambtenaar (in de uitspraak op bezwaar van 28 september 2017) na het instellen van het hoger beroep alsnog volledig aan de grieven van belanghebbende met betrekking tot de naheffingsaanslag tegemoet is gekomen en hem ook een kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. De juistheid van de door de heffingsambtenaar toegekende kostenvergoeding voor de fase van het bezwaar is door belanghebbende op zichzelf niet bestreden.
6.5.
Het vorenoverwogene brengt ook mee dat nu pas op 28 september 2017 uitspraak op bezwaar is gedaan, een dwangsom is verbeurd over het ten hoogste in aanmerking te nemen dagen (42). Die dwangsom bedraagt, nu de ingebrekestelling voor 1 januari 2019 is ontvangen, € 1.260.
6.6.
Het bezwaar is ontvangen op 14 augustus 2016, de uitspraak van de rechtbank is gedaan op 10 augustus 2017, de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag is van 22 juni 2018, het arrest van de Hoge Raad is van 12 juni 2019, en dit Hof doet uitspraak binnen één jaar na het wijzen van het arrest. In alle fasen van het geding is derhalve beslist binnen een redelijke termijn. Het hof vindt dan ook geen aanleiding tot het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade.
Slotsom
6.7
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is.
7. Kosten
De heffingsambtenaar wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeeld in de kosten van het beroep (1 punt à € 525), hoger beroep (1 punt à € 525) en van het geding na verwijzing (0,5 punt à € 525), alles met wegingsfactor 1. In totaal derhalve € 1.312,50.
8. Beslissing
Het Hof:
vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het beroep gegrond;
bevestigt de uitspraak op bezwaar van 28 september 2017; veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van de kosten in de bezwaarfase ten bedrage van € 246 vanaf vier weken na het doen van de uitspraak op bezwaar tot aan de dag van de algehele vergoeding; veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een dwangsom van € 1.260, indien dit bedrag niet tijdig wordt betaald te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de het verzending van deze uitspraak tot de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.312,50, indien dit bedrag niet tijdig wordt vergoed te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de het verzending van deze uitspraak tot de dag van de algehele voldoening;
gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van (€46 + € 126 =) € 172, indien dit bedrag niet tijdig wordt vergoed te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de het verzending van deze uitspraak tot de dag van de algehele voldoening.
De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, C.J. Hummel en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.L. Cheung, als griffier. De beslissing is op 28 april 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen……
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen 6 weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- 1.
— bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
- 2.
— (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- 3.
— het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- a.
de naam en het adres van de indiener;
- b.
de dagtekening;
- c.
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- d.
de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via ‘Login Mijn Zaak Hoge Raad op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.