Hof van Justitie van de Europese Unie 13 juli 2023, ECLI:EU:C:2023:569
Rb. Rotterdam, 03-10-2024, nr. 10881949 CV EXPL 24-1351
ECLI:NL:RBROT:2024:12105
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
03-10-2024
- Zaaknummer
10881949 CV EXPL 24-1351
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2024:12105, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 03‑10‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2024:7375, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 11‑07‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2024:5783, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 23‑05‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
Uitspraak 03‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Oneerlijk huurprijswijzigingsbeding, geen huurachterstand meer, geen sprake van verjaring.
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10881949 CV EXPL 24-1351
datum uitspraak: 3 oktober 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: (waarnemend) gerechtsdeurwaarder J. Snoek,
tegen
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘[gedaagden]’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- -
het tussenvonnis van 11 juli 2024 en de daarin genoemde stukken;
- -
de akte ter rolle van Havensteder, met een bijlage.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In het voornoemde tussenvonnis is Havensteder nog éénmaal in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de eventuele huurachterstand, berekend vanaf de aanvang van de huurovereenkomst tot en met de maand december 2023, op basis van de geldende huurprijs van € 1.370,- per maand, de verschuldigde bijkomende kosten en vergoedingen en het totaalbedrag dat [gedaagden] volgens Havensteder nog verschuldigd zijn. Zij heeft daarna een akte genomen.
Op het moment van dagvaarden was er geen huurachterstand
2.2.
Havensteder heeft berekend dat, rekening houdend met de eerste huurprijs van € 1.370,- per maand, over de jaren 2017 tot en met 2023 € 9.726,60 in totaal teveel bij [gedaagden] in rekening is gebracht.
2.3.
Het beroep van Havensteder op verjaring voor de periode 2017 tot en met 2019 wordt verworpen. Het recht van [gedaagden] op terugbetaling is namelijk pas ontstaan op het moment van vernietiging van het oneerlijke huurprijswijzigingsbeding bij vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2024. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de verjaringstermijn op een eerder moment te laten aanvangen, aangezien vanuit de overheid niet eerder op de mogelijke oneerlijkheid van huurprijswijzigingsbedingen is gewezen en ook rechters hierop tot voor kort niet actief hebben getoetst. Tot slot geldt dat een consument die een overeenkomst met een oneerlijk beding heeft gesloten, niet kan worden verweten dat hij zich niet tot de bevoegde nationale rechter heeft gewend om de hem door Richtlijn 93/13 gewaarborgde rechten uit te oefenen, wanneer de betrokken verkoper niets heeft ondernomen, ondanks het feit dat het oneerlijke karakter van vergelijkbare bedingen is vastgesteld in vaste nationale rechtspraak die deze verkoper ertoe had moeten aanzetten om de consument op eigen initiatief te benaderen en de gevolgen van dat oneerlijke beding zo snel mogelijk op te heffen1.. Daarom kan in deze zaak van verjaring geen sprake zijn.
2.4.
Gelet op het voorgaande was er op het moment van dagvaarden geen sprake van een huurachterstand. [gedaagden] hebben namelijk tot en met december 2023 juist € 5.237,76 teveel betaald (€ 4.488,84 -/- € 9.726,60). De eisen van Havensteder worden daarom afgewezen.
Havensteder moet de proceskosten betalen
2.5.
Havensteder moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagden] op nihil, omdat zij niet in deze procedure zijn verschenen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt Havensteder in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagden] worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
43416
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2024
Uitspraak 11‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Oneerlijke huurprijswijzigingsbepaling. Nadere stukken nodig om huurachterstand te kunnen berekenen/verifiëren.
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10881949 CV EXPL 24-1351
datum uitspraak: 11 juli 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: (waarnemend) gerechtsdeurwaarder J. Snoek,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde 1] c.s.’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- -
het tussenvonnis van 23 mei 2024 en de daarin genoemde stukken;
- -
de akte huurachterstand van Havensteder.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat de huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is en dat daarom de eerste huurprijs van € 1.370,- per maand is blijven gelden. Havensteder is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de eventuele huurachterstand op basis van deze huurprijs. Havensteder heeft daarna een akte genomen.
2.2.
Volgens Havensteder bedraagt de huurachterstand € 13.466,52 in totaal. Het overzicht van Havensteder met de daarin opgenomen berekening ziet echter alleen op de periode vanaf oktober 2023, terwijl de huurovereenkomst is aangegaan met ingang van 27 juli 2017. Bij gebreke van gegevens over de volledige periode vanaf 27 juli 2017 tot en met december 2023 kan de kantonrechter niet vaststellen of er een huurachterstand is. Havensteder wordt daarom nog éénmaal in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de eventuele huurachterstand, berekend vanaf de aanvang van de huurovereenkomst tot en met de maand december 2023, op basis van de geldende huurprijs van € 1.370,- per maand, de verschuldigde bijkomende kosten en vergoedingen en het totaalbedrag dat [gedaagde 1] c.s. volgens Havensteder nog verschuldigd zijn. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rolzitting van donderdag 1 augustus 2024 om 11:30 uur.
2.3.
Mocht Havensteder schriftelijk reageren, dan dient deze reactie in tweevoud ingestuurd te worden en uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen te zijn. Havensteder kan het processtuk ook zelf of door tussenkomst van een gemachtigde indienen op genoemde rolzitting.
2.4.
Verdere beslissingen worden aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 1 augustus 2024 om 11:30 uur, zodat Havensteder zich bij akte nader kan uitlaten over de punten genoemd in r.o. 2.2.;
3.2.
bepaalt dat de door Havensteder te nemen akte uiterlijk om 12:00 uur op de dag vóór de hiervoor genoemde rolzitting in tweevoud op de griffie moet zijn ontvangen;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
43416
Uitspraak 23‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis oneerlijke huurprijswijzigingsbepaling.
Partij(en)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10881949 CV EXPL 24-1351
datum uitspraak: 23 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: (waarnemend) gerechtsdeurwaarder J. Snoek,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde 1] c.s.’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
Havensteder eist bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontbinden en [gedaagde 1] c.s. te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de door Havensteder in de dagvaarding van 6 januari 2024 genoemde bedragen, waarin begrepen € 5.215,20 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand december 2023.
1.2.
Tegen [gedaagde 1] c.s. is verstek verleend.
1.3.
Havensteder is bij rolbeslissing van 1 februari 2024 in de gelegenheid gesteld een leesbaar exemplaar van de algemene huurvoorwaarden in het geding te brengen. Havensteder heeft vervolgens een akte genomen.
1.4.
Havensteder is bij rolbeslissing van 21 maart 2024 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voorlopige oordeel van de kantonrechter dat de huurprijswijzigingsregeling in deze zaak onredelijk bezwarend is en het voorlopige oordeel van de kantonrechter dat dit tot gevolg heeft dat de laatste afgesproken huurprijs (zonder wijzigingen) geldt. Havensteder heeft vervolgens een akte genomen.
2. De beoordeling
2.1.
In artikel 5 lid 1 van de algemene huurvoorwaarden is bepaald dat de huurprijs van de woning jaarlijks kan worden aangepast aan de hand van de ontwikkeling van de inflatie in het afgelopen jaar, vermeerderd met een door de verhuurder jaarlijks vast te stellen opslagpercentage van ten hoogste 5%. Dit komt neer op een mogelijke verhoging gebaseerd op de consumentenprijsindex plus 5%.
2.2.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat deze huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is. Dat heeft tot gevolg dat alle huurverhogingen komen te vervallen en dat de eerste huurprijs van € 1.370,- is blijven gelden.
2.3.
De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom de huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is, waarom dit tot gevolg heeft dat de eerste huurprijs altijd is blijven gelden en wat het gevolg daarvan is voor deze zaak.
De huurprijswijzigingsbepaling verstoort het evenwicht
2.4.
Een huurprijswijzigingsbepaling is naar het oordeel van de kantonrechter oneerlijk als die bepaling de verhuurder het recht geeft om de huur met meer te laten stijgen dan op grond van een redelijke inschatting van de markt op dat moment was te verwachten.1.De kantonrechter stelt vast dat de huurprijswijzigingsbepaling die partijen hebben afgesproken verder gaat dan dat. In het algemeen mag namelijk worden aangenomen dat een stijging gebaseerd op de consumentenprijsindex plus één procentpunt gerechtvaardigd was, maar een verdere stijging niet. Havensteder heeft niet of onvoldoende uitgelegd waarom het gerechtvaardigd was dat in dit geval de huur met meer zouden stijgen. De bepaling is daarom oneerlijk.
Niet van belang is of uitvoering aan de bepaling is gegeven
2.5.
In beginsel is het niet van belang of de huur in de jaren na het aangaan van de overeenkomst daadwerkelijk is verhoogd overeenkomstig het maximaal afgesproken percentage. Het gaat er immers om of de bepaling het evenwicht tussen de verhuurder en de huurder verstoort. Dit moet worden beoordeeld naar het moment waarop partijen de overeenkomst zijn aangegaan. Het feit dat de verhuurder zichzelf de bevoegdheid heeft gegeven om de huur jaarlijks met een bepaald percentage te verhogen, kan het evenwicht dus al verstoren ongeacht of de verhuurder daadwerkelijk van die mogelijkheid gebruik maakt.2.
Alle huurverhogingen komen te vervallen
2.6.
Als een huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is, dan heeft dat tot gevolg dat de kantonrechter deze bepaling moet vernietigen. Vernietiging heeft weer tot gevolg dat de huurprijswijzigingsbepaling geacht wordt er nooit te zijn geweest. Dat betekent dat alle huurverhogingen komen te vervallen en dat de huurprijs die partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn overeengekomen altijd is blijven gelden.
2.7.
De kantonrechter is zich ervan bewust dat teruggaan naar de huurprijs die gold toen de overeenkomst werd gesloten grote gevolgen kan hebben voor verhuurders en voor de markt, maar op basis van de richtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter geen andere mogelijke uitkomst. Het hof heeft namelijk beslist dat de rechter een oneerlijke bepaling niet mag wijzigen in een
eerlijke bepaling en ook geen aanvullend recht mag toepassen.3.De gevolgen van oneerlijkheid kunnen daarom ook niet (deels) buiten toepassing worden gelaten, omdat die gevolgen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn. Het doel van de richtlijn is namelijk dat oneerlijke bepalingen uit overeenkomsten verdwijnen en om dat doel te bereiken moeten de sancties uit de richtlijn afschrikkend zijn.
Havensteder mag zich uitlaten over de hoogte van de huurachterstand
2.8.
De kantonrechter heeft nu onvoldoende gegevens om de eventuele huurachterstand te berekenen op basis van de oude huurprijs. Havensteder wordt daarom in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de eventuele huurachterstand op basis van de geldende huurprijs van € 1.370,- per maand, de verschuldigde bijkomende kosten en vergoedingen en het totaalbedrag dat [gedaagde 1] c.s. volgens Havensteder nog verschuldigd zijn. De zaak wordt daartoe verwezen naar de rolzitting van donderdag 20 juni 2024 om 11:30 uur.
2.9.
Mocht Havensteder schriftelijk reageren, dan dient deze reactie in tweevoud ingestuurd te worden en uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen te zijn. Havensteder kan het processtuk ook zelf of door tussenkomst van een gemachtigde indienen op genoemde rolzitting.
2.10.
Verdere beslissingen worden aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 20 juni 2024 om 11:30 uur, zodat Havensteder zich bij akte nader kan uitlaten over de punten genoemd in r.o. 2.8.;
3.2.
bepaalt dat de door Havensteder te nemen akte uiterlijk om 12:00 uur op de dag vóór de hiervoor genoemde rolzitting in tweevoud op de griffie moet zijn ontvangen;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
43416
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑05‑2024
Rechtbank Rotterdam 9 februari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:801
Hof van Justitie van de Europese Unie 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:283 (Radlinger)
Hof van Justitie 30 mei 2013, ECLI:EU:C:2013:341 (Asbeek Brusse) enHof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia)