Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/2.5
2.5 Verplichtingen die op het bestuur rusten
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631773:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook De Roo (2018), die aangeeft dat een rechtspersoon zich rechtsconform behoort te gedragen, en dat er daarom een nalevingsplicht op het bestuur rust. Deze nalevingsplicht is een onderdeel van de bestuurstaak.
Karapetian (2019), nr. 2.4.
Zie uitvoerig Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb (2019), nr. 135 e.v.
Zie wat de jaarrekeningplicht betreft ook art. 2:49 BW inzake de vereniging, art. 2:58 BW voor de coöperatie en de onderlinge waarborgmaatschappij, art. 2:101/210 BW voor de NV en BV, en art. 2:300 BW voor de stichting. Bijzondere voorschriften inzake de jaarrekening en het bestuursverslag zijn te vinden in Titel 9 van Boek 2 BW. Zie voor het toepassingsbereik art. 2:360 BW.
Zie voor de vereniging art. 2:29 BW (de verplichting geldt alleen als de statuten zijn opgenomen in een notariële akte), de NV en BV art. 2:69/180 BW, en voor de stichting art. 2:289 BW. Voor een statutenwijziging geldt deze verplichting evenzeer.
Zie voor de vereniging art. 2:48 BW, voor coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen art. 2:58 BW, voor de NV en BV art. 2:101/210 BW, en voor de stichting art. 2:300 BW.
Zie voor coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen art. 2:63b BW.
Vgl. Van Nuland (2021), nr. 4.2.4.4.
Voor de BV gold een vergelijkbare bepaling. Dit art. 2:207c BW is echter per 1 januari 2012 vervallen.
Vgl. Booij (2017). Dit is ook voor trustbestuurders van belang. Zie bijvoorbeeld Rb Amsterdam 14 februari 2018, JOR 2018/126 m.nt. Van Eersel (Ontvanger/Tradman). Op grond van art. 36 Invorderingswet 1990 is ieder van de bestuurders van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting, de omzetbelasting, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak, de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen en de kansspelbelasting, verschuldigd door een dergelijk lichaam.
Zie bijvoorbeeld de Wet toezicht trustkantoren 2018. Daarover Frielink, Van Eersel en Van der Wulp (2020), nr. 3.5 en 4.5.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen, en de gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen of een doelmatig beheer van afvalwater, gevolgen die verband houden met het verbruik van energie en grondstoffen, alsmede gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting (art. 1.1 lid 2 Wet milieubeheer).
De bestuurstaak houdt op zichzelf al een verplichting in: het bestuur moet besturen. In deze paragraaf gaat het in meer specifieke zin om verplichtingen die op grond van de wet op een bestuur rusten.1
Bij de verplichtingen die op het bestuur rusten kan een onderscheid worden gemaakt tussen de verplichtingen die voortvloeien uit Boek 2 BW en verplichtingen die uit andere wetten of daarop gebaseerde regelgeving voortvloeien. Het onderscheid draagt geen principieel karakter. In deze studie beperk ik mij echter tot Boek 2 BW. Wel zullen ter illustratie enkele andere verplichtingen worden genoemd. In de literatuur wordt de nodige aandacht besteed aan en discussie gevoerd over de vraag of het in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid relevant is of een bestuurder ‘in hoedanigheid’ handelde of niet. Karapetian2 stelt bijvoorbeeld de vraag of het zonder vergunning (laten) lozen van afvalwater plaatsvindt in het kader van de bestuurlijke taakvervulling, en of het door een bestuurder veroorzaken van een ernstig verkeersongeval terwijl hij op weg is naar een zakelijke afspraak binnen de bestuurlijke taakvervulling valt. Deze vragen zijn van belang in verband met het al dan niet van toepassing zijn van de hierna te bespreken maatstaf van “ernstig verwijt”. Per geval zal uiteindelijk de rechter moeten bepalen of de activiteit of handeling zodanig samenhangt met de hoedanigheid van statutaire bestuurder dat sprake is van een bestuursdaad (of een daarmee gelijk te stellen nalaten) of niet.
Wat betreft Boek 2 BW worden hier – slechts ter illustratie – enkele verplichtingen genoemd die op het bestuur rusten.3 In dat verband worden verboden ook als verplichtingen aangemerkt: zij verplichten immers tot een nalaten. De verplichting om te besturen en tot een behoorlijke vervulling van de bestuurstaak kwamen reeds aan de orde. Verder kan worden gedacht aan:
de administratie- en jaarrekeningplicht (art. 2:10 BW);4
het voorkomen dat de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde (art. 2:20 BW);
het inschrijven van de statuten in het handelsregister;5
het jaarlijks uitbrengen van een bestuursverslag;6
het aan het handelsregister opgeven als de rechtspersoon als ‘groot’ moet worden aangemerkt;7
het bijhouden van een aandeelhoudersregister bij de NV en BV (art. 2:85/194 BW);
een beschrijving van de inbreng op aandelen anders dan in geld bij de NV en de BV (art. 2:94b/204a BW);
het in strijd met de voorwaarden verwerven van aandelen in het eigen kapitaal van de vennootschap (art. 2:98/207 BW);8
het verbod tot het verlenen van ongeoorloofde steun bij de verwerving van aandelen in een NV of BV (art. 2:98c BW);9
het verbod om aan de beraadslaging en besluitvorming deel te nemen indien de bestuurder daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft (art. 2:129/239 lid 6 BW); en
de verplichting de voor de taakuitoefening noodzakelijke gegevens aan de RvC te verschaffen (art. 2:141/251 BW).
Als gezegd vloeien voor het bestuur van een rechtspersoon ook uit andere wetten de nodige verplichtingen voort. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan (waar van toepassing):
het verkrijgen van alle voor de bedrijfsuitoefening relevante vergunningen en de zorg voor de naleving van de daaraan verbonden voorwaarden;
het (tijdig) doen van belastingaangifte en het (tijdig) betalen van belastingen en premies;10
de verplichting zich te gedragen als een goed werkgever (art. 7:611 BW);
de verplichting te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten (art. 3 Arbeidsomstandighedenwet);
verplichtingen in het kader van financiële toezichtswetgeving, waaronder inzake beheerste en integere bedrijfsvoering en cliëntenonderzoek;11 en
de verplichting de nodige zorg voor het milieu in acht te nemen (art. 1.1a Wet milieubeheer).12
De vraag of en welke verplichtingen die op formele bestuurders rusten, ook op quasi-bestuurders kunnen rusten komt aan de orde in par. 3.2.4 en wordt nader geanalyseerd in par 4.11.