Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/2.3
2.3 Het orgaan bestuur
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631695:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema (1934a), p. 66.
Zie De Jongh (2014), nr. 117 en Scheltema (1934a), p. 69. Zie over de relatie tussen een bestuurder en de vennootschap nader Bennaars (2015). Haar wetshistorische bespreking begint met een beschouwing over de totstandkoming van het Wetboek van Koophandel 1838. Zie voor de contractuele band tussen de rechtspersoon en de niet-uitvoerend bestuurder Kreileman (2020), hfdst. IV.3.
HR 18 januari 1901, W7553 (De Hoop). Zie voor de achterliggende casus De Jongh (2014), nr. 116.
Art. 2:19a BW bevat een regeling op grond waarvan de Kamer van Koophandel een rechtspersoon bij beschikking kan ontbinden als zich ten minste twee omstandigheden voordoen, waarbij een van de omstandigheden het ontbreken van een bestuur is. De gedachte daarachter is dat een rechtspersoon een bestuur moet hebben. Curaçao kent een vergelijkbare regeling in art. 2:25 e.v. BWC.
Dat het doel kan worden verwezenlijkt en de rechtspersoon kan functioneren met behulp van enkel quasi-bestuurders komt in par. 3.4.1 aan de orde. Hier wordt verwezen naar Rb Limburg 30 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4923, JOR 2018/208 m.nt. Frielink; Rechtspraakbundel (2020), nr. 30 (Forexx Company).
Asser/Kroeze 2-I (2021), nr. 190.
Vgl. Bartman/Dorresteijn/Olaerts (2020), nr. 3.4.
Zie voor de grote NV en BV art. 2:162/272 BW. Zie voor de regeling bij de vereniging art. 2:37 BW, voor de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij art. 2:53a lid 1 BW, en voor de stichting art. 2:286 lid 4 onder e BW, 2:289 lid 1 BW en art. 2:299 BW.
Daaronder vallen ook degenen die niet als zodanig door het bevoegde orgaan zijn benoemd, maar door de wet wel met bestuurders worden gelijkgesteld (art. 2:134/244 lid 4 BW) of in het kader van een (enquête)procedure door de rechter als tijdelijke bestuurder zijn benoemd. Terzijde wijs ik op de vragen die het levenstestament oproept. Zie daarover K.A.M. van Vught, ‘De aandeelhouder of bestuurder krachtens levenstestament – new kid on the block of verdoolde?’, WPNR 7210 (2018), p. 749-750.
Zie in dat verband onder meer HR 15 december 2000, JOR 2001/1 m.nt. Van den Ingh, NJ 2001/109 m.nt. Maeijer (Squamish). De Hoge Raad overwoog: “De aard van de regel dat de benoeming van een bestuurder van een naamloze of besloten vennootschap geschiedt door de algemene vergadering van aandeelhouders, tenzij de benoeming geschiedt door de raad van commissarissen (art. 2:132 en 2:242 BW), brengt mee dat niet kan worden aanvaard dat degene die, ondanks het ontbreken van een dergelijk besluit, op grond van verklaringen of gedragingen van de vennootschap heeft aangenomen dat hij tot bestuurder van de vennootschap is benoemd, als bestuurder van de vennootschap moet worden aangemerkt. De aard van genoemde bepalingen verzetten zich evenzeer ertegen dat wordt aangenomen dat de vennootschap het recht kan verwerken zich ertegen te verzetten dat degene die, ondanks het ontbreken van een benoemingsbesluit, meent dat hij tot bestuurder van de vennootschap is benoemd als zodanig moet worden aangemerkt”. Zie verder De Groot (2021), nr. 1.A.1; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II (2009), nr. 431; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond (2013), nr. 228 en 248; Hanegraaf (2017), nr. 4.2; en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb (2019), nr. 240. Zie ook Rb Gelderland 4 januari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:52 (SterGro) voor een buiten vergadering tot stand gekomen benoemingsbesluit.
Procuratiehouders zijn evenmin als bestuurder aan te merken. Er heeft in het verdere verleden wel enige twijfel over bestaan. Zie Everling (1929). Bestuurders kunnen worden benoemd in de oprichtingsakte of daarna door het daartoe bevoegde orgaan, dan wel door een rechterlijke uitspraak. Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb (2019), nr. 194 en De Bock (2017), nr. 6.2.1.
Het is belangrijk dit voor deze studie vast te stellen, omdat soms op een andere wijze met de terminologie wordt omgegaan. Ik wijs hier ter illustratie op de MvT bij het voorstel inzake de Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 386, nr. 3, p. 14-15: “Binnen het kader van een rechtspersoon kunnen gewoonlijk tal van functies worden onderscheiden. Te denken valt aan accountants, financieel adviseurs, juristen en administratief en commercieel personeel. Niet zelden worden de functies, behorende tot het hogere kader van de rechtspersoon, ook wel aangeduid met het verzamelbegrip «bestuurders». Het gaat dan bijvoorbeeld om de beleidsbepalende en leidinggevende functies. Dit neemt niet weg dat ook deze zogenoemde bestuurders doorgaans ook een bepaalde functie bekleden, bijvoorbeeld die van chief executive officer (CEO), directeur of commissaris. (…) Op de keper beschouwd kan de term «bestuurder» derhalve zowel worden gebruikt als verzamelbegrip voor een aantal (top)functies die worden uitgeoefend in het kader van een samenhangende bedrijfseconomische activiteit, alsook gelden als benaming voor een werkzaamheid die niet gekoppeld is aan een specifieke functie maar desondanks aangemerkt kan worden als een vorm van beroepsuitoefening in de zin van artikel 28, eerste lid, onder 5°, Sr.”. Dit strafrechtelijke begrip bestuurder is in het kader van mijn onderzoek niet goed bruikbaar.
Dat ik, zoals zal blijken, een zaakwaarnemer wel als een quasi-bestuurder aanmerk, is daarin gelegen dat hij de juridische grondslag van zijn optreden niet ontleent aan Boek 2 BW of een rechterlijke uitspraak.
Met de inwerkingtreding van de Wet Toezicht en Bestuur per 1 juli 2021 (Stb. 2020, 507 en 508) geldt dit niet langer uitsluitend voor de NV en BV (art. 2:129a/239a BW), maar ook voor de vereniging (art. 2:44a BW) en de stichting (art. 2:291a BW). Zie ook Koster (2020). Zie over het monistisch bestuursmodel uitvoerig Kreileman (2020).
Art. 2:47 lid 1; 2:140 lid 1; 2:250 lid 1; en 2:292a lid 1 BW
Art. 2:44a lid 1; 2:129a; 2:239a lid 1; 2:140; 2:250 lid 1 BW; en 2:291a BW.
In Curaçao is bepaald dat een rechtspersoon geen commissaris kan zijn bij een rechtspersoon waaraan een onderneming in de zin van de Handelsregisterverordening toebehoort (art. 2:19 lid 3 BWC). Dat geldt dus per definitie voor de NV, BV, coöperatieve vereniging en de onderlinge waarborgmaatschappij. Dit verbod geldt niet voor de niet-uitvoerend bestuurders in een monistisch bestuursmodel (art. 2:18 BWC). In Curaçao kan een rechtspersoon derhalve wel als niet-uitvoerend bestuurder worden benoemd.
Van der Grinten (1982), p. 201-202 merkt op dat bestuurders en commissarissen van een vennootschap, een contractuele verhouding tot de vennootschap hebben. Zie ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb (2019), nr. 171 en De Bock (2017).
Ten tijde van het afronden van het manuscript was er discussie over het op 1 januari 2021 ingevoerde Boek 2 BW van Aruba. De officieel gepubliceerde tekst is gelijk aan art. 2:8 lid 5 BW van Curaçao, maar blijkens de wetsgeschiedenis zou een arbeidsovereenkomst wel mogelijk zijn, maar zonder dat herstel van de dienstbetrekking mogelijk is. Vgl. W.J.M. van Veen, Parlementaire Geschiedenis Burgerlijk Wetboek van Aruba. Boek 2, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 35-39. Wellicht volgt nog herstelwetgeving.
Gerecht in Eerste Aanleg Curaçao 12 december 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:313 (X/OBNA).
Scheltema1 schreef in 1934 “Het recht stelt dus de rechtspersoon in het algemeen – afgezien van uitzonderingsgevallen als ten aanzien van familierechten e.d. – met de natuurlijke persoon op één lijn. Nu is, in het kader van het recht gezien, één van de meest relevante eigenschappen van de natuurlijke persoon deze, dat hij in staat is, een wil te vormen en te uiten, en in het verkeer te handelen. Wil het objectieve recht met zijn constructie van de rechtspersoon eenig practisch resultaat bereiken, dan dient het er voor te zorgen, dat er ten aanzien van de rechtspersoon iets zij, dat op één lijn staat met het willen, uiten en handelen van de natuurlijke persoon: zonder dien ware de rechtspersoon een blinde, ‘doove en stomme in een land van zienden, hoorenden en sprekenden.” Daarmee is het nut en de noodzaak van het als rechtspersoon hebben van een bestuur gegeven.
Ik zal hier niet uitvoerig stilstaan bij de verschillende opvattingen die hebben bestaan over de vraag hoe de relatie tussen een bestuurder en een vennootschap (compagnie) geduid zou moeten of kunnen worden (lastgeving, gemachtigde van de aandeelhouders, huur en verhuur van diensten, overeenkomst sui generis, arbeidsovereenkomst al dan niet bij wege van analogie).2 In 1901 heeft de Hoge Raad3 uitgemaakt dat een NV rechtspersoonlijkheid bezit. Wat betreft de relatie tussen de bestuurder en de rechtspersoon overwoog de Hoge Raad dat, als men de verhouding van de bestuurders tot de vennootschap al kan aanmerken als een contract van lastgeving, het niet gaat om lastgeving door iedere aandeelhouder afzonderlijk aan de bestuurders bij de oprichting gegeven (die waren immers bij de oprichting geen partij), maar aan een lastgeving door de gezamenlijke aandeelhouders overeenkomstig de statuten verstrekt, waarbij de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat een minderheid van aandeelhouders door de meerderheid overstemd wordt. In hedendaagse bewoordingen zou je kunnen zeggen dat het gaat om een organisatierechtelijke betrekking, waarbij Boek 2 BW en de statuten de bevoegdheden en verantwoordelijkheden alsmede de mogelijke persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder bepalen. Daarbij is (nog steeds) sprake van een last, in die zin, dat bestuurders verplicht zijn te besturen. Daarnaast kan er een contractuele verhouding bestaan tussen de bestuurder en de rechtspersoon (overeenkomst van opdracht of arbeidsovereenkomst).4 De plicht om behoorlijk te besturen en een eventuele op Boek 2 BW gestoelde vordering op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur, vinden echter primair hun grondslag in de organisatierechtelijke betrekking.
Elke rechtspersoon wordt geacht een bestuur te hebben.5 Zonder een bestuur kan de rechtspersoon niet functioneren en zijn doel niet verwezenlijken, althans niet op een wijze als de wetgever heeft bedoeld.6 Een belangrijk uitgangspunt is de autonomie van het bestuur (de zelfstandige bestuursbevoegdheid). Binnen de door de wet en de statuten gestelde grenzen (en daaruit voortvloeiende beperkingen) komt het bestuur (in beginsel) zelfstandigheid en beleidsvrijheid toe,7 en maakt het in onafhankelijkheid zijn keuzes. Bij grenzen en beperkingen kan onder meer worden gedacht aan een statutaire goedkeuringsregeling voor bepaalde bestuursbesluiten en aan een instructiebevoegdheid die in de statuten aan een ander orgaan is gegeven (zie par. 4.12). De bestuursautonomie dient door de andere organen van de rechtspersoon te worden gerespecteerd. Een bestuur mag niet vleugellam worden gemaakt en de bestuurstaak mag niet worden uitgehold, bijvoorbeeld door nagenoeg alle bestuursbesluiten aan voorafgaande goedkeuring van de RvC of de algemene vergadering te onderwerpen. In het geval dat de RvC of de algemene vergadering tot een zodanige goedkeuringsregeling zou besluiten dan is dat besluit nietig wegens strijd met de wet. Over de reikwijdte van de bestuursautonomie in concernverhoudingen is discussie mogelijk.8 Verder kan de bestuursautonomie worden geschonden doordat een persoon zich bijvoorbeeld als statutaire bestuurder gedraagt zonder als zodanig te zijn benoemd. Deze en vergelijkbare schendingen van de wet en de statuten komen in de volgende hoofdstukken ruimschoots aan bod.
Wat betreft de NV en de BV is bepaald dat de benoeming van bestuurders voor de eerste maal bij de akte van oprichting geschiedt en daarna door de algemene vergadering (art. 2:132/242 lid 1 BW).9 De formele of statutaire bestuurder in de zin van Boek 2 BW is de (rechts)persoon die in overeenstemming met de wet en de statuten van de betrokken rechtspersoon is benoemd.10 Niet voldoende is dat de betrokken persoon en/of anderen ervan zijn uitgegaan dat hij een statutaire bestuurder was en feitelijk heeft gefunctioneerd als ware hij een statutaire bestuurder. Van opgewekt vertrouwen ter zake van een dergelijke benoeming kan géén sprake zijn en de rechtspersoon kan ook niet het recht verwerken zich daartegen te verzetten.11 Dit betekent dat personen die wel de titel ‘directeur’ dragen, maar niet op de voorgeschreven wijze tot bestuurder zijn benoemd, géén statutaire bestuurder zijn.12 Voor de commissaris (toezichthouder) geldt evenzeer dat enkel degene die in overeenstemming met de wet en de statuten van de betrokken rechtspersoon is benoemd als zodanig kan worden aangemerkt. Uiteraard moet de persoon die tot bestuurder of commissaris is benoemd de benoeming ook aanvaarden, hetgeen stilzwijgend kan.
Onder formele of statutaire bestuurder wordt in deze studie dus verstaan de (rechts-)persoon die in overeenstemming met Boek 2 BW en de statuten van de betrokken rechtspersoon is benoemd.13 Verder kan worden gedacht aan gevallen van belet of ontstentenis. De commissaris die in een dergelijk geval overeenkomstig Boek 2 BW en de statuten tijdelijk de bestuursfunctie uitoefent, is in zoverre als een formele bestuurder aan te merken (art. 2:134 lid 4/244 lid 4 BW). Degene die niet zijnde een statutaire bestuurder, zoals in dit voorbeeld de commissaris, op grond van Boek 2 BW bevoegd een bestuursdaad verricht, wordt door mij niet als quasi-bestuurder aangemerkt.14 Hetzelfde geldt voor degene die door de rechter tot tijdelijke bestuurder in de zin van Boek 2 BW is benoemd: ook die wordt door mij niet als quasi-bestuurder aangemerkt.
Wat de inrichting van het bestuur betreft kan worden gekozen tussen een dualistisch (two tier) en een monistisch (one tier) bestuursmodel.15 Is gekozen voor een monistisch bestuursmodel, waarbij het bestuur derhalve bestaat uit uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders, dan kan de vennootschap geen RvC hebben.16 Voor zowel niet-uitvoerende bestuurders als leden van een RvC geldt dat uitsluitend natuurlijke personen als zodanig kunnen worden benoemd.17 Dit vereiste hangt samen met het feit dat het uitoefenen van toezicht in deze context als een persoonlijke taakvervulling wordt gezien. In Curaçao is dit enigszins anders geregeld.18
Dat iemand rechtsgeldig tot bestuurder van een rechtspersoon is benoemd en zich een statutaire bestuurder mag noemen, zegt op zichzelf niets over de inhoud van die functie. Met de benoeming ontstaat een organisatierechtelijke betrekking tussen de bestuurder en de rechtspersoon. Dat betekent dat met de benoeming voor de bestuurder rechten, verplichtingen en bevoegdheden ontstaan. Deze rechten, verplichtingen en bevoegdheden vloeien voort uit de wet en de statuten. Bij bevoegdheden kan worden gedacht aan het vertegenwoordigen van de rechtspersoon bij het aangaan van rechtshandelingen en het bijeenroepen van algemene vergaderingen.
In bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht kan de relatie nader worden ingevuld, maar dat is niet altijd nodig.19 Het maakt immers verschil of iemand min of meer als vrijwilliger, bestuurder is van een lokale sportvereniging met een tijdsbesteding van slechts enkele uren per maand dan wel een voltijdbaan heeft als bestuurder van een commerciële onderneming en daarmee zijn inkomen verdient. In laatstgenoemd voorbeeld ligt een aanvullende regeling voor de hand, onder meer inzake de aan de bestuurder toekomende vergoeding. Dat de wet in art. 2:134/244 lid 3 BW – wat de NV en de BV betreft – bepaalt dat in het geval dat een bestuurder is ontslagen, herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de vennootschap en bestuurder door de rechter niet kan worden uitgesproken, moet niet zodanig worden uitgelegd, dat daaruit (a contrario) zou volgen dat de contractuele relatie per definitie als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt.
In de Caribische delen van het Koninkrijk geldt dat de rechtsverhouding tussen een statutaire bestuurder en de rechtspersoon niet wordt aangemerkt of mede wordt aangemerkt als een arbeidsovereenkomst (art. 2:8 lid 5 BWC).20 Bestuurders van rechtspersonen genieten geen arbeidsrechtelijke (ontslag)bescherming.21 Wel kunnen zij in bijvoorbeeld een overeenkomst van opdracht allerlei elementen van een arbeidsovereenkomst opnemen en ook fiscaal kan sprake zijn van een dienstbetrekking.