CRvB, 12-01-2012, nr. 10-4170 AW
ECLI:NL:CRVB:2012:BV0770
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
12-01-2012
- Zaaknummer
10-4170 AW
- LJN
BV0770
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Ambtenarenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CRVB:2012:BV0770, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 12‑01‑2012; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑01‑2012
Inhoudsindicatie
Nu de inroostering (van appellant) op dinsdagmiddag dus niet onredelijk is, stond het appellant niet vrij zijn werkzaamheden op dat tijdstip te verzuimen. Door dat wel te doen is onmiskenbaar sprake van handelen in strijd met iets dat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort te doen en daarmee van plichtsverzuim. De stichting was dus bevoegd appellant te straffen. De gekozen straf acht de Raad niet onevenredig in verhouding met de aard en ernst van het plichtsverzuim. Door niet te verschijnen op lesuren waarvoor hij was ingeroosterd dupeerde appellant de leerlingen van de school en heeft hij het vertrouwen dat de stichting in hem als leerkracht mocht stellen geschaad. Appellant stelde zijn eigen belang voorop en dat valt hem te verwijten. De stichting heeft (...) terecht besloten tot inhouding van de bezoldiging van appellant.
Partij(en)
10/4170 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2010, 09/3227 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (hierna: stichting),
Datum uitspraak: 12 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Wijers, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand.
De stichting is vertegenwoordigd door mr. M.J. Quaak, R. Fins en J.P.R. Croes, allen werkzaam bij de stichting.
II. OVERWEGINGEN
- 1.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- 1.1.
Appellant is sinds 1998 werkzaam als leraar Frans bij de (rechtsvoorganger van de) stichting op de Wolfert van Borselen scholengroep te Hilligersberg. Zijn werktijdfactor bedroeg in het schooljaar 2008-2009 0,6013. Daarnaast was appellant werkzaam voor het Regionaal Opleidingscentrum Zadkine (ROC), met een werktijdfactor van 0,6545. Appellant was door de stichting sinds 1998 ingeroosterd voor vijf dagdelen per week . Voor het schooljaar 2008-2009 is appellant volgens het rooster voor het eerst voor zes dagdelen per week ingezet, waaronder de dinsdagmiddag. Appellant heeft laten weten op dinsdagmiddag niet beschikbaar te zijn vanwege werkzaamheden op het ROC. Hij is vanaf september 2008 op dinsdagmiddag niet verschenen op school.
- 1.2.
Bij brief van 2 september 2008 is appellant het voornemen meegedeeld hem disciplinair te straffen voor zijn afwezigheid zonder geldige reden op dinsdagmiddag, welke afwezigheid wordt aangemerkt als plichtsverzuim. Nadat appellant zijn zienswijze daarover had kenbaar gemaakt, heeft de stichting hem bij besluit van 17 oktober 2008 (besluit 1) de disciplinaire maatregel van inhouding van de bezoldiging opgelegd, over het deel van de werktijdfactor dat correspondeert met elke les die hij sinds het begin van het schooljaar 2008-2009 niet heeft gewerkt, tot ten hoogste 50% van één brutomaandsalaris. De maatregel is toegepast met ingang van de salarisbetaling over november 2008.
- 1.3.
Bij besluit van 19 december 2008 (besluit 2) heeft de stichting, omdat appellant nog steeds niet werkte op dinsdagmiddagen, meegedeeld zijn salarisbetaling met ingang van de maand december 2008 te staken over de tijd, gedurende welke hij opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten. Die inhouding bedraagt € 149,81 bruto per maand.
- 1.4.
Bij besluit van 7 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft de stichting de door appellant tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
- 2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
- 3.
Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht oordeelt de Raad als volgt.
- 3.1.
Bij de werktijdfactor van appellant behoort volgens de hier toepasselijke CAO VO 2008-2010 (CAO) een beschikbaarheid van maximaal zeven dagdelen per week. Volgens artikel 6.2, vijfde lid, van de CAO worden de feitelijke dagdelen waarop de werknemer in deeltijd wordt ingezet in overleg met de werknemer vastgesteld en zoveel als mogelijk aaneengesloten ingeroosterd, waarbij rekening wordt gehouden met andere verplichtingen van de werknemer. Door appellant in te roosteren op zes dagdelen heeft de stichting op zich niet in strijd met deze CAO gehandeld. Appellant heeft zich er echter op beroepen dat hij gedurende zijn gehele dienstverband steeds, overeenkomstig zijn verzoek, slechts was ingeroosterd voor vijf dagdelen, zodat hij er op mocht vertrouwen dat daarin geen verandering zou worden gebracht. Appellant is door zijn verplichtingen op het ROC niet in staat te voldoen aan de eisen die het rooster voor 2008-2009 aan hem stelt.
- 3.2.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen geslaagd beroep kan doen op opgewekte verwachtingen. Nog daargelaten dat van een toezegging of iets van dien aard niet gebleken is, moet worden geconstateerd dat de roosters ieder jaar opnieuw worden vastgesteld, waarbij steeds rekening moet worden gehouden met de veranderde omstandigheden, aan de zijde van de betrokken leerkracht, maar ook aan de zijde van de stichting. Aan het feit dat in het verleden kennelijk steeds tegemoet kon worden gekomen aan de wensen van appellant kan hij geen rechten ontlenen op voortdurende inroostering voor maar vijf dagdelen. Er is zeker geen sprake van een bindende arbeidsvoorwaarde, zoals namens appellant in hoger beroep gesteld. De Raad is uit de stukken gebleken dat de stichting over de op handen zijnde veranderingen in de roosters voldoende tijdig (in mei) met de docenten, en dus met appellant, heeft gecommuniceerd. Appellant moest er vanaf dat moment rekening mee houden dat hij zou kunnen worden ingezet op meer dagdelen dan tot dan toe gebruikelijk was.
- 3.3.
Door de stichting is verklaard dat in verband met een organisatorisch steeds complexer wordende schoolorganisatie niet langer rekening kon worden gehouden met ieders wensen. Het leerlingaantal is in de loop der tijd gegroeid van 300 naar 800, met een groeiend aantal personeelsleden als gevolg, terwijl velen daarvan in deeltijd werken. Met ingang van het schooljaar 2008-2009 is voorts de keuze gemaakt om, na klachten van ouders, prioriteit te geven aan het maken van zoveel mogelijk sluitende roosters voor de leerlingen, ter voorkoming van een te groot aantal tussenuren. De Raad acht hiermee voldoende onderbouwing gegeven van de noodzaak te komen tot een grotere en bredere inzetbaarheid van werknemers als appellant.
- 3.4.
Uit de stukken komt verder naar voren dat van de zijde van de stichting herhaaldelijk is geprobeerd om met appellant in overleg te komen over zijn inzetbaarheid. De locatiedirecteur heeft daartoe niet alleen overleg met appellant zelf nagestreefd, maar ook contact opgenomen met zijn collega-directeur van het ROC teneinde de problemen van appellant om op meer dagdelen les te geven bij de stichting te bespreken. Dit overleg heeft niet tot een oplossing geleid. Uiteindelijk is de inzet van appellant op dinsdagmiddag eenzijdig vastgesteld door de stichting, waarbij rekening is gehouden met het feit dat appellant op dinsdagmiddag op het ROC geen les behoefde te geven, maar vergaderverplichtingen had. Ook is appellant niet voor zeven, maar voor zes dagdelen ingeroosterd, omdat rekening is gehouden met de situatie in het verleden. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat niet is voldaan aan het bepaalde in het vijfde lid van artikel 2.2 van de CAO. Dat uiteindelijk niet in overleg kon worden gekomen tot een voor ieder bevredigdende oplossing is niet aan de stichting te wijten, maar aan appellant. Uit de stukken blijkt niet dat appellant constructief heeft meegedacht over het vinden van een oplossing voor het ontstane probleem. Het probleem is bovendien met name een probleem van appellant, die door zijn twee dienstverbanden van elk 0,6 niet (meer) kan voldoen aan de beschikbaarheidseis die zijn beide werkgevers aan hem mogen stellen. Het lag dan ook vooral op de weg van appellant om zich hier flexibel op stellen. Door zich te beroepen op verkregen rechten heeft appellant daaraan geen gestalte gegeven. De Raad acht niet aangetoond dat appellant anders is behandeld dan zijn collega’s, zodat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel door de rechtbank terecht is verworpen.
- 3.5.
Nu de inroostering op dinsdagmiddag dus niet onredelijk is, stond het appellant niet vrij zijn werkzaamheden op dat tijdstip te verzuimen. Door dat wel te doen is onmiskenbaar sprake van handelen in strijd met iets dat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort te doen en daarmee van plichtsverzuim. De stichting was dus bevoegd appellant te straffen. De gekozen straf acht de Raad niet onevenredig in verhouding met de aard en ernst van het plichtsverzuim. Door niet te verschijnen op lesuren waarvoor hij was ingeroosterd dupeerde appellant de leerlingen van de school en heeft hij het vertrouwen dat de stichting in hem als leerkracht mocht stellen geschaad. Appellant stelde zijn eigen belang voorop en dat valt hem te verwijten.
- 3.6.
Uit het vorenstaande volgt dat het wegblijven van appellant tevens kan worden aangemerkt als het in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaten zijn werkzaamheden te verrichten. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 18.2, zesde lid, van de CAO, op grond van welke bepaling de werknemer onder die omstandigheden geen bezoldiging ontvangt. De stichting heeft dan ook terecht besloten tot inhouding van de bezoldiging van appellant.
- 4.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
- 5.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) M.C. Nijholt.
RB