Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.5.3.4:9.5.3.4 De dynamische 403-vordering
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.5.3.4
9.5.3.4 De dynamische 403-vordering
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648857:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Dooren 2015, par. 4.1.
Bartman bij HR 28 juni 2002 in JOR 2002/136.
Van Dooren 2015, par. 4.1.
Van der Kraan 2013, p. 159.
Van Dooren 2015, voetnoot 27 en voetnoot 39.
Wibier 2008.
HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255, r.o. 3.6.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder verwijzing naar het Akzo/ING-arrest geeft Van Dooren aan dat door Bartman is betoogd dat een 403-vordering niet de hoofdvordering volgt, maar dat een 403-vordering steeds opnieuw uit een 403-verklaring kan ontspringen.1 De rechthebbende van de hoofdvordering kan een beroep doen op de 403-verklaring. In een eerdere annotatie van Bartman valt de volgende gedachtegang terug te vinden:
“Anders dan de OK beschouwt de Hoge Raad het “403-recht” van de schuldeiser van de dochter jegens haar moeder niet als een afhankelijk recht, omdat “een eenzijdige verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid niet een afhankelijk recht in het leven roept” (r.o. 3.4.5). Daar zou men nog over kunnen twisten. Immers, zonder vorderingsrecht op de dochter, geen 403-aanspraak op de moeder. Het laatste recht is zodanig verbonden aan het eerste, dat het daarzonder niet kan bestaan (art. 3:7 BW). Gaat de vordering op de dochter over, door cessie, contractsoverneming of onder algemene titel, dan verkrijgt de nieuwe crediteur ook een 403-aanspraak op de moeder. Of is hier geen sprake van “volgen” in de zin van art. 3:82 BW, maar van een hernieuwd “ontspringen” uit de eenmaal gedeponeerde, eenzijdige verklaring van hoofdelijke aansprakelijkheid ex art. 2:403 BW? Waarschijnlijk is dit laatste de visie van de Hoge Raad.”2
Van Dooren is kritisch over deze opvatting en vraagt zich af of een 403-vordering automatisch kan ontstaan in het vermogen van de partij die rechthebbende is van de hoofdvordering. Het tenietgaan van een ontstane 403-vordering is bij de ontspringingstheorie een probleem, aldus Van Dooren. Het gevolg is dat er een wildgroei aan 403-vorderingen kan optreden.3
Om het probleem van de wildgroei aan 403-vorderingen het hoofd te bieden, is reeds eerder betoogd dat de ontspringingstheorie kan worden gecombineerd met de wilsrechttheorie.4 Van Dooren kan zich in de oplossing met het wilsrecht niet vinden.5
In een alternatieve variant komt Van Dooren met een oplossing die hij aanduidt als de ‘dynamische 403-verklaring’. Bij de dynamische 403-verklaring gebeurt hetzelfde als bij de ontspringingstheorie. Alleen de rechthebbende van de hoofdvordering kan een beroep doen op de 403-verklaring. Een partij die eerder rechthebbende was van een hoofdvordering, maar die geen rechthebbende van de hoofdvordering meer is, kan de consoliderende rechtspersoon niet langer meer aanspreken op basis van de 403-verklaring. Deze ontspringingsgedachte werd reeds eerder geïntroduceerd. Verwezen zij naar het hiervoor aangehaalde citaat van Bartman. Ook Wibier is reeds met een dergelijke benadering gekomen.6
Van de drie varianten die Van Dooren behandelt, acht hij de dynamische 403-vordering de beste optie. Van Dooren geeft toe dat de Hoge Raad mogelijk geen ruimte biedt voor deze benadering,7 maar hij meent dat de benadering die hij bestempelt als dynamische 403-vordering wel past binnen de regels van de hoofdelijkheid.