Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.13.2.2
7.13.2.2 Samenloop
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581207:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de relatie tussen onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking bijvoorbeeld Van Boom 2002, p. 71-147.
Vranken 1998, p. 1503. Zie voor dezelfde samenloop HR 29 januari 1993, 1(111994, 172 m.nt. Van Schilfgaarde (VermoboNan Rijswijk). In HR 27 juni 1997, NI 1997, 719 m.nt. JH (Setz/ Brunings) overwoog de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat Brunings ook een vordering uit wanprestatie op de contractuele wederpartij had, er niet aan in de weg stond Setz aan te spreken uit ongerechtvaardigde verrijking.
Zie bijvoorbeeld Zwalve 1995, p. 157-163; Zwalve 1997, p. 585-586; Schoordijk 1996, p. 861866.; Schoordijk 1997, p. 16; Nieskens-Isphording 1998, p. 98-109.
Vranken 1998, p. 1503; Zippro 2003, p. 349.
Vranken 1998, p. 1503. Vranken wijst tevens op het feit dat sedert 1992 art. 6:104 BW de mogelijkheid biedt om bij onrechtmatig handelen of wanprestatie winstafgifte te vorderen. Als naar huidig recht de afgifte van onrechtmatig verkregen voordeel zowel op art. 6:104 BW als op art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking) kan worden gebaseerd, waarom dan de laatste weg willen afsluiten als het toch via de eerste weg kan worden bereikt?
Vranken 1998, p. 1495-1503; Zippro 2003, p. 349.
Voor beschouwingen over plaats en taak van de ongerechtvaardigde verrijking in het Nederlandse recht verwijs ik naar onder meer Wissink 2002, p. 4-70; Hartkamp 2001, p. 311-318, 327-334; Van Maanen 2001; Snijders 2001, p. 17.
Naast de vordering uit onrechtmatige daad kan tevens een verrijkingsvordering wordt ingesteld.1 Beide vorderingen zijn in zekere zin inwisselbaar.2 De ruime samenloop van verrijkingsvorderingen met vorderingen uit onrechtmatige daad en wanprestatie is in de Nederlandse literatuur stevig bekritiseerd.3 In de literatuur worden echter ook sterke, mijns inziens doorslaggevende, systematische argumenten aangevoerd om aan te tonen dat de verrijkingsvordering niet slechts subsidiair van aard is, maar cumulatief.4 Samenloopvraagstukken worden in het Nederlandse recht zelden opgelost door op voorhand de ene vordering achter te stellen bij de andere. Uitgangspunt is het beginsel van cumulatie.5 Ik voel mij dan ook het meest thuis bij de visie van Vranken, die meer in het algemeen de gedachte bestrijdt dat verrijkingsvorderingen slechts met uiterste terughoudendheid mogen worden gehanteerd.6 Bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht is het goed mogelijk een actie in te stellen op grond van onrechtmatige daad en op grond van ongerechtvaardigde verrijking.7 Het is wel de vraag of cumulatie feitelijk meer oplevert.