Wet van 27 juni 2000, Stb. 2000, 282.
HR, 14-10-2025, nr. 23/02367
ECLI:NL:HR:2025:1557
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
23/02367
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1557, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2030
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:924
ECLI:NL:PHR:2025:924, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1557
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2025
- Vindplaatsen
JIN 2025/160
NTS 2025/76
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Belaging van ex-partner, art. 285b.1 Sr. Bewijsklacht stelselmatigheid. Heeft verdachte ‘stelselmatig’ inbreuk gemaakt op persoonlijke levenssfeer van ex-partner? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2013:BZ3626 m.b.t. de in aanmerking te nemen factoren bij beoordeling van vraag of sprake is van belaging a.b.i. art. 285b.1 Sr. Hof heeft in zijn bewijsvoering vastgesteld dat verdachte vanaf 26-3-2021 wist dat A (zijn ex-partner) niet gediend was van zijn toenaderingen en dat zij op geen enkele manier contact met hem wenste. Op die datum heeft verdachte voor A bestemde brief en kaart in haar brievenbus gedeponeerd en gebeld naar haar huistelefoon. Toen haar moeder de telefoon opnam, gaf verdachte aan dat er brief in brievenbus was gedaan en dat deze voor A bestemd was. Vervolgens heeft verdachte A op 27-3-2021, 2-4-2021, 5-4-2021, 8-4-2021 en 10-4-2021 WhatsApp-berichten gestuurd. Verder heeft verdachte via zijn account op Instagram op 15-4-2021 en 17-4- 2021 haar (toenmalige) vriend benaderd en berichten gestuurd over A en heeft hij daar op 19-4-2021 bericht geplaatst waarin hij A vermeldde en informatie over (zijn relatie met) A deelde. Over invloed van deze gedragingen van verdachte op persoonlijk leven en persoonlijke vrijheid van A heeft hof vastgesteld dat A nog steeds bang is voor verdachte, dat zij zich niet veilig voelt en dat handelen van verdachte enorme impact heeft (gehad) op haar leven en psychisch welbevinden. Op deze vaststellingen heeft hof zijn oordeel gebaseerd dat verdachte met zijn gedragingen (in totaliteit en samenhang beschouwd) in periode van 26-3-2021 tot en met 19-4-2021 “op indringende en intensieve wijze” contact heeft gezocht met A en dat sprake is van stelselmatige inbreuk op persoonlijke levenssfeer van A. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02367
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2023, nummer 20-001429-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het tenlastegelegde voor zover deze inhoudt dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] .
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
- meerdere malen Whatsapp berichten te sturen en
- een brief en kaart te sturen aan die [aangeefster] en af te leveren aan het huisadres van die [aangeefster] en (vervolgens)
eenmaal naar het huisadres van die [aangeefster] te bellen met de kennelijke bedoeling om te verifiëren of een door verdachte aan die [aangeefster] verstuurde en/of afgegeven kaart is ontvangen en
- eenmaal een bericht op zijn, verdachtes, social media account (Instagram) te plaatsen waarin hij, verdachte, die [aangeefster] vermeldt en/of informatie over (zijn relatie met) die [aangeefster] deelt en
- meerdere malen de (toenmalige) vriend van die [aangeefster] (te weten [betrokkene 1] ) te benaderen en/of berichten te sturen over die [aangeefster] ,
met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen en te dulden.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 mei 2021 (pg. 3-6), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :
Op dinsdag 24 december 2019 ben ik [verdachte] tegengekomen. Wij hebben op een vriendschappelijke manier contact gehad. Ik merkte dat [verdachte] meer wilde, maar ik had een relatie. [verdachte] wilde graag met mij verder in een relatie. Ik gaf het een kans en was benieuwd of wij bij elkaar konden passen. Uiteindelijk heeft hij (het hof begrijpt (telkens): [verdachte] ) mij begin december verkering gevraagd. Ik heb toen gezegd dat ik dat niet wilde, omdat ik vond dat wij niet bij elkaar pasten. Ik heb aangegeven alleen nog als vrienden contact te willen houden. Dit kon hij echter niet accepteren. Hij bleef mij berichten sturen en bellen. Uiteindelijk heb ik [betrokkene 1] ontmoet. Ik werd verliefd en kreeg begin februari een relatie met hem. Sindsdien word ik gebeld. Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer 1] . Naast telefoontjes stuurde hij mij daarop verschillende brieven, enkele kaarten en meerdere sms’jes. Hij weet niet van ophouden.
Hij is ook bij mijn huis langs geweest om brieven te posten. Vervolgens heeft hij naar mijn huistelefoon gebeld, waarna mijn moeder opnam. Hij wilde mij helpen herinneren dat er post voor me was. Ik was op dat moment niet thuis. Op deze brief stond mijn naam, dus het was in één opslag duidelijk dat deze brief voor mij bestemd was, maar toch belde hij op om het te bevestigen, hopend dat ik de telefoon op nam in plaats van mijn moeder. Dit is op 26 maart 2021 geweest.
Ook plaatst [verdachte] (het hof begrijpt telkens: [verdachte] ) ‘posts’ op zijn verhaallijn die betrekking hebben op mij. Op deze berichten op Facebook en Instagram word ik met naam en toenaam genoemd. Hier heb ik enorm veel verdriet van, omdat ik hier geen controle over heb. Daarnaast voel ik me heel erg aangekeken. Ik durf niet meer in het dorp op het terras te gaan zitten. Ook benadert [verdachte] op Instagram (...) mijn vriend [betrokkene 1] (...). Mijn vriend [heeft] ontzettend veel last van [verdachte] , omdat hij niet wil stoppen. Hij blijft maar berichten plaatsen, vriendschapsverzoeken sturen en andere manieren vinden om contact te zoeken met mij en naasten.
Ik heb er zoveel last van, het beheerst mijn hele leven. Ik besef dat ik continu bezig ben met de situatie waarin ik verkeer en [dat ik] angstig ben. Ik kijk altijd om mij heen, voordat ik van huis vertrek. Ik heb al enkele keren bij [verdachte] aangegeven dat ik met rust wil worden gelaten, via Whatsapp en telefonisch. Ik heb [verdachte] geblokkeerd op alle ‘social media’ en via mijn telefoon. Het telefoonnummer van [verdachte] was [telefoonnummer 2] . Nu is zijn nummer [telefoonnummer 3] . Niks lijkt hem te stoppen. Ik ben bang waar dit gaat eindigen. Ik wil dat hij hiervoor vervolgd wordt, zodat dit niet ongestraft zich blijft vervolgen. Het stalken moet stoppen. Ik wil mijn leven weer vervolgen zonder gevoelens van angst, paniek en stress door [verdachte] .
In de bijlage bij de aangifte heb ik zoveel mogelijk bewijs verzameld zodat te zien is wat [verdachte] allemaal stuurt in mijn richting en andere[n].
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 3 mei 2021 (pg. 7-8), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op maandag 3 mei 2021 heb ik, als hulpofficier van justitie van (het hof begrijpt: de politie-eenheid) Oost-Brabant te [plaats] een mondelinge klacht ontvangen terzake van stalking.
De klacht werd gedaan door:
Achternaam: [aangeefster]
Voornamen: [aangeefster]
Geboren: [geboortedatum] 1995
Geboorteplaats: [geboorteplaats] Nederland
Geslacht: Vrouw
Nationaliteit: Nederlandse
Adres: [a-straat 1]
Postcode plaats: [plaats]
De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan.
3. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 4 juni 2021 (pg. 9-11), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :
V: Wat kun je vertellen over de brieven die je hebt ontvangen?
Ik kreeg er nog twee op 26 maart (het hof begrijpt: 2021). Dat was een brief en een kaart. Daarvoor belde [verdachte] ook naar mij op en toen sprak mijn moeder met hem.
V: Je hebt ook berichten ontvangen via de Whatsapp?
A: Dat klopt. Ik heb een nummer geblokkeerd van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] ).
A: Mijn eigen account is [accountnaam 1] (...) bij Instagram.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2021 (pg. 12-14), met bijlagen (pg. 15-112) voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Op maandag 3 mei 2021 werd door [aangeefster] aangifte gedaan ter zake van stalking. Door de aangeefster werd bewijs aangeleverd, zijnde schermafdrukken vanaf haar telefoon.
Bijlage 1: betreffende: Schermafdrukken van social media accounts (pagina 23)
(...)
[accountnaam 2]
Berichten
Je hield het tegen mij zelfs nog vol, samen hand in hand,
Nu blijkt, tegelijk ook bij anderen aan de hand..
Zet je mensen zo grof aan de kant?
Toen ineens niet meer bestaan en ‘vergeten’
Niemand anders mag iets weten
Weet de ander van dit spel of niet?
Waarom verberg, ontken en verwijder je veel van ons,
zodat niemand het gelooft, hoort of ziet?
Het maakt niet uit,
Het doet alleen pijn en verdriet.
Ongeloof. Waarom? Is dit de manier?
Ik geloofde niet dat jij dit was/zo kan zijn
Ik geloofde in wat jij mij beloofde..
Totaal niet verwacht na al het goede wat we elkaar
hebben gebracht..
Eén open en eerlijk gesprek is/was genoeg
Is dat teveel, wat ik van je vroeg?
Of durf je de confrontatie niet aan, na wat je hebt
gedaan?
De manier waarop.. die heb je zelf gekozen..
Jammer dat het zo moet, het doet niemand goed
Ik heb niks te verbergen, niks was schijn en ik kom
ervoor uit omdat het, na alles, mij wat doet.
Ik ben in deze altijd open eerlijk en oprecht
En ik denk dat je daar nu tegen- en met jezelf vecht..
Dank [aangeefster] , voor de mooie tijd! Ik werd er foxwild van
@ [accountnaam 1]
(...)
Bijlage 2: betreffende vriendschap verzoeken (pagina 27)
(...)
[accountnaam 2]
(...)
15 april (...)
[betrokkene 1] kerel,
Hoe is het?
Haha wellicht een rare en directe
vraag voor mijn beeldvorming. Maar
ik vraag dat liever gewoon bij de
bron. Hoelang ga je al met [aangeefster] ?
17 april (...)
Wellicht gevoelige vraag en wellicht
iets van meegekregen mja kijk maar
altijd goed
Berichtverzoek van [accountnaam 2] accepteren?
(...)
Bijlage 8.2: betreffende brieven en kaarten (pagina’s 84-90)
De brief zit in een enveloppe welke is geadresseerd [aangeefster] en op de andere zijde staat [b-straat 1] . Ik zie dat op de brief aan de linkerzijde bovenaan “ [plaats] , maart 2021” staat geschreven. Ik zie dat het handschrift ogenschijnlijk overeenkomt met het handschrift van de hierboven omschreven kaart. De brief omvat drie A4-tjes. Een passage uit de brief betreft:
“De wijze waarop je nu met me omgaat begrijp ik echt niet. Al helemaal niet als ik je dat dat ik enorm gekwetst ben. Zo gaan volwassenen toch niet met elkaar om? Dit negeren, ontlopen, blokkeren elkaar toch niet? Ik ben absoluut niet perfect, maar deze manier is echt niet correct."”
Ik zie dat de brief is ondertekend met de woorden “Groetjes, [verdachte] ”.
Bijlage 8.3: kaart
De kaart is geadresseerd [aangeefster] en ondertekend met Groetjes, [verdachte] . De kaart hoort bij de brief en dat maak ik op uit de tekst die erbij is geschreven “Vandaar bijgevoegde brief”.
Bijlage 6: betreffende whatsappberichten (pagina’s 61-63)
De aangeefster verklaarde dat ze meerdere Whatsapp berichten had ontvangen van [verdachte] . Ik zie dat de berichten worden verzonden vanaf het [telefoonnummer 3] .
[27-03-2021 18:36:42] [telefoonnummer 3] : joe joe,
Hierbij mijn nieuwe nummer.
Hoop dat het oke met je gaat. Heb wat in de bus gedaan bij je thuis.
Groetjes,
[verdachte]
[27-03-2021 19:29:24] [telefoonnummer 3] : Jullie mam weet ervan want ik wist niet of ik je naam erop had gezet.
[02-04-2021 07:48:37] [telefoonnummer 3] : Joee goedemorgen, ik ga en wil je verder niet lastigvallen ofzo maar vroeg me alleen even af of je mijn brief hebt ontvangen...
Deze heb ik met zorg samengesteld en het zou fijn zijn als je iets laat weten.
Het is verder ook aan jou wat je er mee wil doen/wil op reageren.
[05-04-2021 00:48:57] [telefoonnummer 3] : Als je zin hebt in een after of paaswandeling morgen let me know
[08-04-2021 19:35:32] [telefoonnummer 3] : [aangeefster] ,
Bericht op insta heb ik al aangepast.
Hoe dan ook, hoeveel we ook verschillen of elkaar niet begrijpen praten is en blijft het beste. Dat kunnen we beiden denk ik niet ontkennen. Ik merk ook dat je in de negatieve dingen blijft hangen en vind het jammer dat je me van alles noemt en selchte dingen ziet terwijl je er niet eerst naar vraagt.
Ik hoop dat je nu beetje begrijpt dat ik alles uit liefde heb gedaan. En dat meen ik oprecht. Het is erg jammer dat je zegt dat de brief je niks doet. Dat gaat oa nl over mijn gevoelens voor jou. Het enige wat ik gezegd heb tegen anderen is dat we altijd van elkaar hielden/leuk vonden (dat hadden we tegen elkaar uitgesproken) en dat we leuke dingen aan het doen waren en dat ik er enorm kapot van was dat het zo abrupt eindigt. Daarom en omdat ik om je geef heb ik die brief gestuurd. Niks meer niks anders. Had je dat niet zelf enigsinds niet kunnen verwachten als je zelf ineens alles afkapt verwijderd etc zonder gesprek, dat de ander vragen kan hebben....? Enkele van die vragen zijn oa..heb je ooit wel gevoelens gehad voor mij en heb je van mij gehouden zoals je had gezegd? Waren we 'zomaar’ over de toekomst/onze moeders/ons/evt. huis aan het praten en al die intieme leuke dingen aan het doen? Enfin het eea staat ook in de brief.
Zoals in de brief wil ik je wel nogmaals vragen om derhalve er een keer open over te praten. Dat hoeft niet nu of morgen maar wanneer het jou schikt.
Dat is het enige wat ik vraag. En het zou fijn zijn als je iig even aangeeft of je dat aub een keer zou willen doen?
Ik wil ook je rust respecteren maar zonder tegenbericht van jou, zal ik eind april eens opnieuw berichten.
[08-04-2021 20:44:41] [aangeefster] : [verdachte] ik wil geen contact. Ik wil dat jij me met rust laat. Ik heb je net aan de telefoon verteld dat ik niks van je wil en de reden is dat ik ons niet bij elkaar vind passen. Deze reden heb ik je wel al tien keer verteld. Ik heb jou al meerdere keren uitgelegd waarom ik dat vind. Voor mij valt er niks meer uit te leggen en wil ik echt dat je stopt met me lastig vallen. Ik wil niet meer praten. Hopelijk heb je respect voor mij en kun je dit tonen. Ik hoop dat je het los kan laten.
[10-04-2021 19:50:20] [telefoonnummer 3] : [aangeefster] ,
Jij vraagt respect aan mij? Na alles wat je hebt gezegd en gedaan de laatste tijd tegen mij? Heb je jezelf horen praten aan de telefoon? Moet dat zo op die toon en waarom? En wat is nou het probleem om dat face to face persoonlijk te zeggen? Vind je dan niet dat je eerst zelf ook respect moet geven? Als je zegt van mij gehouden te hebben al helemaal. Notabene je eigen woorden aan de tel maar waarom doe je dat dan niet...
Ik wil heel graag dat jij dan stopt met mij veroordelen voor het eea zonder dingen te vragen/verhelderen bij mij. Je gelooft slechts roddels of dingen die je hoort. Ook dat je stopt met mij proberen de schuld te geven van jou angst in vertrouwen en alleen zijn. En van mijn open en eerlijkheid.
Er zijn nog genoeg vragen [aangeefster] (oa zie boven), jij beantwoord deze niet, je legt deze niet uit, ontwijkt alles, speelt met mijn gevoelens, doet alsof ik ineens niet besta en hebt tegen me gelogen en enorm gekwetst. Dat je zelfs daar niet op ingaat is ook al erg jammer en pijnlijk. Waarom? Heb jij al eens nagedacht wat dat met iemand kan doen? Heb je wat te verbergen?
En ik weet allang meer dan je denkt. Jij zei tegen mij dat je naast mij destijds ook iemand anders zag/mee bezig was (net zoals je zei dat je al vreemdging met mij destijds), dus dat dubbelspel heb je zelf aangegeven en intitieel nog over gelogen toen ik het direct vroeg en doe je nu weer. Via via hoorde ik al dat je regelmatig vertoeft in [wijk] . 1+1=2. Dus ook daaruit blijkt helaas dat jij degene bent die niet open en eerlijk is geweest. Zo jammer dat ik dat niet van jou hoor.
Je durft nu zelfs mij en andere mensen die ik ken niet onder ogen te komen of ontwijk je (oa onze [naam] in de winkel en in [plaats] )
En als je mij blokkeert, ontloopt, ontkent en ontwijkt heb je dan wat te verbergen? En voor wie? Die andere kerel? Ik kan vast zeggen dat je daar nu heel vaak zit. Toen al en nu alweer meteen. Je patroon waar je het over het had herhaal je nu zelf.
[aangeefster] , je weet heeel goed wat je hebt gedaan tegen mij en dat ik het doorhad en die open en eerlijkheid komt jou nu slecht uit, vanwege je ’ander belang'.
Je houdt niet alleen mij maar ook die ander voor de gek. Weet hij überhaupt van ons? Of is het daarom dat je zo reageert?
Daarom betreur ik het ten zeerste dat je hier zo mee omgaat en al helemaal dat je schijnbaar vind dat dit een fatsoenlijke nette manier vindt om uit elkaar te gaan.
[aangeefster] , ik wilde niet geloven dat jij zoiets kunt doen/zeggen na alles. Ik wilde niet geloven dat jij dit bent. Vandaar ook zoveel vragen. Maar als dit jij wel bent, je ware gezicht is, dan heb ik me helaas enorm vergist. Sorry.
Ik zal het hierbij laten, maar als je het nog eens wilt heroverwegen om erover te praten hoor ik het graag.
[10-04-2021 20:32:03] [telefoonnummer 3] : U hebt dit contact geblokkeerd.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 juni 2021 (pg. 99-103), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige] :
Het begon eigenlijk vanaf het moment dat [aangeefster] zei dat ze geen verkering met hem (het hof begrijpt telkens: de verdachte [verdachte] ) wilde. Daarna werden er allemaal berichten gestuurd en ook post. Het heftigste vond ik toen [aangeefster] een andere jongen had leren kennen en toen kwam de social media erbij. Ik hoorde later van [aangeefster] dat zij duidelijk tegen hem had gezegd dat ze geen relatie met hem wilde. Ik hoorde van [aangeefster] dat hij zei dat dit het lot was en dat ze bij elkaar hoorden. Ik las het ook op een kaart die naar ons was gestuurd. Ik las het ook in een brief die hij bij ons in de brievenbus heeft gedaan. Hij belde daar later ook over op. Ik kwam thuis van het werk en ik hoorde dat mijn huistelefoon ging. Ik hoorde dat het [verdachte] was en dat hij aangaf dat er een brief in de bus was gedaan en dat deze voor [aangeefster] bedoeld was. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet meer wist of hij de naam van [aangeefster] er op had gezet. Ik ging kijken in de brievenbus en ik zag dat er een kaart en een brief in de brievenbus lag. Ik zag dat op beide de naam van [aangeefster] stond. Ik kreeg de indruk dat hij mij had gebeld om er zeker van te zijn dat ik het zou lezen. Ik merk aan mijn dochter dat ze heel onrustig is. Zij durft niet naar een terras te gaan of zich vrij te bewegen zoals altijd. Wij sluiten de poort en [aangeefster] sluit haar auto als ze weg gaat met de auto. [aangeefster] is altijd op haar hoede en is bang dat [verdachte] ergens in de buurt is als ze weg gaat.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 september 2016 (pg. 113-115), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1] :
V: Waar ken jij [aangeefster] van?
A: [aangeefster] is mijn vriendin.
V: Wanneer kregen jullie een relatie?
A: Wij kregen een officiële relatie rond december of januari, volgens mij januari (het hof begrijpt: 2021).
V: Wanneer hoorde jij dat er wat speelde tussen [verdachte] en [aangeefster] ?
A: Ik merkte een maand nadat wij een relatie hadden dat [aangeefster] overstuur was. Zij vertelde mij dat zij nog steeds appjes kreeg van [verdachte] . [verdachte] zocht ook contact met mij op. [aangeefster] wil nog steeds dat alle deuren op slot gedaan worden. Zij kijkt steeds over haar schouder, bang dat hij haar volgt.
7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 september 2021 (pg. 129-139), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :
V: Op welk adres woont en verblijft u?
A: Op [b-straat 1] te [plaats] .
V: Van welke social media maakt u gebruikt?
A: Instagram en Whatsapp, dat is eigenlijk wel het voornaamste.
V: Wat is de accountnaam van uw Instagram account?
A: [accountnaam 2] .
V: Door [aangeefster] en haar moeder wordt verklaard dat je een brief in de brievenbus hebt gedaan bij hun woning. Wat kun je daarover verklaren?
A: Zou goed kunnen, want ik heb haar een brief gestuurd.
V: Wanneer was dat?
V: Op de brief staat maart 2021 geschreven. Klopt dat, was het in maart?
A: Dat kan.
V: Er zijn nog meer poststukken bezorgd en het handschrift op deze post komt overeen met jouw handschrift. Hoe kun je dat verklaren?
A: Ik heb een keer een kaartje gestuurd (...).
V: Heb je toen nog op een andere manier geprobeerd contact met [aangeefster] te krijgen?
A: Misschien telefonisch.
V: [aangeefster] verklaarde dat je haar ook meerdere malen hebt gebeld. Klopt dat?
A: We hebben diverse keren wederzijds contact gehad ja.
V: Vanaf welk telefoonnummers belde je haar?
A: Met mijn eigen telefoonnummer. Dat is het telefoonnummer wat bij jullie bekend is en mijn vorige telefoonnummer. Dat weet ik niet meer welke dat geweest is.
V: En hoe zocht je nog meer contact?
A: Via de Whatsapp. Daarmee hebben wij normaal altijd contact gehad.
V: Klopt het dat [aangeefster] je blokkeerde op de Whatsapp?
A: Ja.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit, met dien verstande dat de verdediging de door de rechtbank bewezenverklaarde handelingen van de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 (in de kern) niet heeft betwist, doch ten aanzien daarvan heeft betoogd dat die handelingen een wederrechtelijk karakter ontberen, zodat het bewijs tekortschiet dat de verdachte wederrechtelijk en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Ter nadere adstructie van dit verweer heeft de raadsman aangevoerd dat de door de verdachte verrichte handelingen bedoeld waren om een antwoord te verkrijgen op de vragen van de verdachte omtrent de redenen van het – in de ogen van de verdachte plotseling en onverklaarbaar – verbreken van de relatie door aangeefster, hetgeen in de visie van de verdediging niet onbegrijpelijk is wanneer sprake is geweest van een affectieve relatie.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor belaging in de tenlastegelegde periode van 14 februari 2021 tot en met 25 maart 2021 en in de periode van 20 april 2021 tot en met 4 mei 2021, acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig, zodat de verdachte ter zake daarvan partieel zal worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof kan met betrekking tot de periode van 14 februari 2021 tot en met 25 maart 2021 op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat aangeefster geen contact wenste met de verdachte, zodat bijgevolg het wederrechtelijk karakter van de handelingen van de verdachte niet kan worden vastgesteld. Voorts heeft het hof in dat verband in aanmerking genomen dat onvoldoende uit het procesdossier is gebleken op welke data de in de tenlastelegging vermelde gedragingen betrekking hebben, waarbij voorts het bewijs tekortschiet om alle in de tenlastelegging vermelde gedragingen (waaronder de anonieme telefoontjes of telefoonnummers) aan de verdachte toe te schrijven.
Gelijk de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, stelt het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast, dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 – direct dan wel indirect – contact heeft gezocht, gehad en onderhouden met [aangeefster] , middels navolgende handelingen:
- het meermalen verzenden van Whatsappberichten naar aangeefster op 27 maart 2021 en 2, 5, 8 en 10 april 2021;
- het op 26 april 2021 verzenden en/of afleveren van een brief en een kaart aan het woonadres van aangeefster en het bellen naar (het huisadres van) aangeefster, teneinde te verifiëren of de door de verdachte afgegeven kaart is ontvangen;
- het op 15 en 17 april 2021 de (toenmalige) vriend van aangeefster, [betrokkene 1] te benaderen en berichten te sturen over aangeefster via zijn account op Instagram, en
- op 19 april een bericht op zijn Instagramaccount te plaatsen waarin hij aangeefster vermeldt en informatie over zijn (relatie met) die [aangeefster] deelt.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte met voormelde gedragingen wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] en zich mitsdien schuldig heeft gemaakt aan de belaging van die [aangeefster] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ter beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, stelt het hof voorop dat betekenis toekomt aan verschillende factoren, waaronder: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Deze in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren zijn daarbij in zekere mate communicerende vaten. Het gaat in dat verband niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte en de vraag of dat handelen in zijn totaliteit bezien voldoet aan de eisen die aan belaging in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht worden gesteld. In dat verband geldt bijvoorbeeld dat een eventuele korte duur en een geringe frequentie van de gedragingen van verdachte kunnen worden gecompenseerd door de andere criteria, zoals de indringendheid en de aard van de gedragingen en de invloed van die gedragingen op het persoonlijke leven van de getroffene.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021, op indringende en intensieve wijze contact heeft gezocht met aangeefster. Daartoe zijn door de verdachte meerdere Whatsappberichten aan aangeefster verstuurd, alsmede een brief en een kaart naar haar woonadres gestuurd en afgeleverd. Tevens heeft de verdachte naar (het woonadres van) aangeefster gebeld en naar haar geïnformeerd, alsmede een bericht betreffende aangeefster (en hun vermeende relatie) op zijn sociale media account geplaatst. Ten slotte heeft de verdachte meermalen via zijn sociale media account contact opgenomen met de toenmalig vriend van aangeefster.
De inhoud van de door verdachte aan aangeefster geschreven brief, die zij op 26 maart 2021 heeft ontvangen, voert het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte – in ieder geval – met ingang van 26 maart 2021 moet hebben geweten dat aangeefster niet gediend was van zijn toenaderingen en dat zij op geen enkele wijze contact met hem wenste. Immers heeft verdachte in deze brief geschreven: “zo gaan volwassenen toch niet met elkaar om? Dit negeren, ontlopen, blokkeren elkaar toch niet?”. Met deze passage acht het hof het wederrechtelijk karakter van de handelingen van de verdachte per 26 maart 2021, en bijgevolg de daaropvolgende data tot en met 19 april 2021, gegeven.
Niettegenstaande dat de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte zijn gepleegd in een betrekkelijk korte periode van 4 weken, is het hof – gelet het vorenstaande en zulks bezien in het licht van de hiervoor bedoelde vooropstelling – van oordeel dat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hiertoe heeft het hof in het bijzonder de stelselmatigheid, de (persoonlijke) aard van de inhoud en de verscheidenheid van de handelingen van de verdachte – in hun totaliteit en samenhang beschouwd – in aanmerking genomen. Aangeefster heeft meermalen, ook na 26 maart 2021, aan de verdachte te kennen gegeven en duidelijk gemaakt dat zij niet gediend was van zijn toenaderingen. Zij heeft hiervan aangifte en klacht gedaan. De verdachte heeft aangeefster meerdere Whatsappberichten verstuurd, alsmede een brief en kaart op haar woonadres bezorgd en afgegeven en aldus in haar privé-omgeving gebracht. Voorts is ook de (toenmalig) partner van aangeefster door de verdachte benaderd. Aangeefster heeft zich aan dit alles niet kunnen onttrekken en heeft deze inbreuk op haar levenssfeer moeten dulden.
Het hof heeft ten slotte gelet op de invloed van het handelen van verdachte op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, in die zin dat zij heeft aangegeven dat zij gedurende de tenlastegelegde periode en – gelet op de schriftelijke onderbouwing van haar vordering tot schadevergoeding, alsmede de mondelinge toelichting daarop van haar advocaat ter terechtzitting – op dit moment nog steeds bang is voor verdachte en zich niet veilig voelt, waarbij het handelen van de verdachte een enorme impact heeft (gehad) op het leven en psychisch welbevinden van aangeefster.
Het verweer van de verdediging, inhoudende dat de verdachte niet het oogmerk had om aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of haar vrees aan te jagen, omdat hij als gewezen partner het recht heeft om te weten wat de reden is voor de verbreking van de affectieve relatie door de ander, wordt door het hof verworpen. Het hof leidt verdachtes oogmerk af uit het samenstel van de inhoud van de Whatsapp-berichten, alsmede de overige uitingen en handelingen van de verdachte, welke er onmiskenbaar op waren gericht aangeefster er toe te bewegen met hem, verdachte, het gesprek aan te gaan over de verbreking c.q. het herstellen van de – in de ogen van de verdachte tussen hen bestaande – relatie en verdachtes pogingen daartoe te dulden.
Het hof merkt aanvullend nog op dat in het geheel niet aannemelijk is geworden dat aangeefster spullen van de verdachte in haar bezit had, zoals nog ten verwere is aangevoerd, nu in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting daar ook maar een begin van een aanknopingspunt voor is te vinden.
Mitsdien verwerpt het hof de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belaging van [aangeefster] op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
2.3
Artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.”
2.4
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626).
2.5.1
Het hof heeft in zijn bewijsvoering de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte wist vanaf 26 maart 2021 dat [aangeefster] niet gediend was van zijn toenaderingen en dat zij op geen enkele manier contact met hem wenste. Op die datum heeft de verdachte een voor [aangeefster] bestemde brief en een kaart in haar brievenbus gedeponeerd en gebeld naar haar huistelefoon. Toen de moeder van [aangeefster] de telefoon opnam, gaf de verdachte aan dat er een brief in de brievenbus was gedaan en dat deze voor [aangeefster] bestemd was. Vervolgens heeft de verdachte [aangeefster] op 27 maart, 2, 5, 8 en 10 april 2021 WhatsApp-berichten gestuurd. Verder heeft de verdachte via zijn account op Instagram op 15 en 17 april 2021 de (toenmalige) vriend van [aangeefster] benaderd en berichten gestuurd over [aangeefster] en heeft hij daar op 19 april 2021 een bericht geplaatst waarin hij [aangeefster] vermeldde en informatie over (zijn relatie met) die [aangeefster] deelde. Over de invloed van deze gedragingen van de verdachte op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [aangeefster] heeft het hof vastgesteld dat [aangeefster] nog steeds bang is voor de verdachte, dat zij zich niet veilig voelt en dat het handelen van de verdachte een enorme impact heeft (gehad) op haar leven en psychisch welbevinden.
2.5.2
Op deze vaststellingen heeft het hof zijn oordeel gebaseerd dat de verdachte met zijn onder 2.5.1 weergegeven gedragingen – in hun totaliteit en samenhang beschouwd – in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 “op indringende en intensieve wijze” contact heeft gezocht met [aangeefster] en dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] . In het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en de opgelegde taakstraf van zestig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 02‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Belaging, art. 285b.1 Sr. Eerste middel betreft de bewijsvoering. Tweede middel betreft de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen. De AG meent dat het oordeel dat sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in de zin van art. 285b Sr niet zonder meer begrijpelijk is. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02367
Zitting 2 september 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 7 juni 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘belaging’ veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede 60 uren taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het hof heeft daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel bestaande in een gebiedsverbod en een vrijheidsbeperkende maatregel bestaande in een contactverbod opgelegd. Ten slotte heeft het hof een vordering van een benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel betreft de bewijsvoering, het tweede middel betreft de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen. Voordat ik het eerste middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer, alsmede passages uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de pleitnota.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op tijdstippen in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door
- meerdere malen Whatsapp berichten te sturen en
- een brief en kaart te sturen aan die [aangeefster] en af te leveren aan het huisadres van die [aangeefster] en (vervolgens) eenmaal naar het huisadres van die [aangeefster] te bellen met de kennelijke bedoeling om te verifiëren of een door verdachte aan die [aangeefster] verstuurde en/of afgegeven kaart is ontvangen en
- eenmaal een bericht op zijn, verdachtes, social media account (Instagram) te plaatsen waarin hij, verdachte, die [aangeefster] vermeldt en/of informatie over (zijn relatie met) die [aangeefster] deelt en
- meerdere malen de (toenmalige) vriend van die [aangeefster] (te weten [betrokkene 1] ) te benaderen en/of berichten te sturen over die [aangeefster] ,
met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen en te dulden.’
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 mei 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :
Op dinsdag 24 december 2019 ben ik [verdachte] tegengekomen. Wij hebben op een vriendschappelijke manier contact gehad. Ik merkte dat [verdachte] meer wilde, maar ik had een relatie. [verdachte] wilde graag met mij verder in een relatie. Ik gaf het een kans en was benieuwd of wij bij elkaar konden passen. Uiteindelijk heeft hij (het hof begrijpt (telkens): [verdachte]) mij begin december verkering gevraagd. Ik heb toen gezegd dat ik dat niet wilde, omdat ik vond dat wij niet bij elkaar pasten. Ik heb aangegeven alleen nog als vrienden contact te willen houden. Dit kon hij echter niet accepteren. Hij bleef mij berichten sturen en bellen. Uiteindelijk heb ik [betrokkene 1] ontmoet. Ik werd verliefd en kreeg begin februari een relatie met hem. Sindsdien word ik gebeld. Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer 1] . Naast telefoontjes stuurde hij mij daarop verschillende brieven, enkele kaarten en meerdere sms’jes. Hij weet niet van ophouden.
Hij is ook bij mijn huis langs geweest om brieven te posten. Vervolgens heeft hij naar mijn huistelefoon gebeld, waarna mijn moeder opnam. Hij wilde mij helpen herinneren dat er post voor me was. Ik was op dat moment niet thuis. Op deze brief stond mijn naam, dus het was in één opslag duidelijk dat deze brief voor mij bestemd was, maar toch belde hij op om het te bevestigen, hopend dat ik de telefoon op nam in plaats van mijn moeder. Dit is op 26 maart 2021 geweest.
Ook plaatst [verdachte] (het hof begrijpt telkens: [verdachte]) ‘posts’ op zijn verhaallijn die betrekking hebben op mij. Op deze berichten op Facebook en Instagram word ik met naam en toenaam genoemd. Hier heb ik enorm veel verdriet van, omdat ik hier geen controle over heb. Daarnaast voel ik me heel erg aangekeken. Ik durf niet meer in het dorp op het terras te gaan zitten. Ook benadert [verdachte] op Instagram (...) mijn vriend [betrokkene 1] (...). Mijn vriend [heeft] ontzettend veel last van [verdachte] , omdat hij niet wil stoppen. Hij blijft maar berichten plaatsen, vriendschapsverzoeken sturen en andere manieren vinden om contact te zoeken met mij en naasten.
Ik heb er zoveel last van, het beheerst mijn hele leven. Ik besef dat ik continu bezig ben met de situatie waarin ik verkeer en [dat ik] angstig ben. Ik kijk altijd om mij heen, voordat ik van huis vertrek. Ik heb al enkele keren bij [verdachte] aangegeven dat ik met rust wil worden gelaten, via Whatsapp en telefonisch. Ik heb [verdachte] geblokkeerd op alle ‘social media’ en via mijn telefoon. Het telefoonnummer van [verdachte] was [telefoonnummer 2] . Nu is zijn nummer [telefoonnummer 3] . Niks lijkt hem te stoppen. Ik ben bang waar dit gaat eindigen. Ik wil dat bij hiervoor vervolgd wordt, zodat dit niet ongestraft zich blijft vervolgen. Het stalken moet stoppen. Ik wil mijn leven weer vervolgen zonder gevoelens van angst, paniek en stress door [verdachte] .
In de bijlage bij de aangifte heb ik zoveel mogelijk bewijs verzameld zodat te zien is wat [verdachte] allemaal stuurt in mijn richting en andere[n].
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 3 mei 2021 (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
Op maandag 3 mei 2021 heb ik, als hulpofficier van justitie van (het hof begrijpt: de politie-eenheid) Oost-Brabant te [plaats] een mondelinge klacht ontvangen terzake van stalking.
De klacht werd gedaan door:
Achternaam: [aangeefster]
Voornamen: [aangeefster]
Geboren: [geboortedatum] 1995
Geboorteplaats: [geboorteplaats] Nederland
Geslacht: Vrouw
Nationaliteit: Nederlandse
Adres: [a-straat 1]
Postcode plaats: [plaats]
De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan.
3. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 4 juni 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :
V: Wat kun je vertellen over de brieven die je hebt ontvangen?
Ik kreeg er nog twee op 26 maart (het hof begrijpt: 2021). Dat was een brief en een kaart. Daarvoor belde [verdachte] ook naar mij op en toen sprak mijn moeder met hem.
V: Je hebt ook berichten ontvangen via de Whatsapp?
A: Dat klopt. Ik heb een nummer geblokkeerd van [verdachte] (het hof begrijpt: de [verdachte]).
A: Mijn eigen account is [accountnaam] (...) bij Instagram.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2021 (…), met bijlagen (…) voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :
Op maandag 3 mei 2021 werd door [aangeefster] aangifte gedaan ter zake van stalking. Door de aangeefster werd bewijs aangeleverd, zijnde schermafdrukken vanaf haar telefoon.
Bijlage 1: betreffende: Schermafdrukken van social media accounts (…)
(…)
[verdachte]
Berichten
Je hield het tegen mij zelfs nog vol, samen hand in hand,
Nu blijkt, tegelijk ook bij anderen aan de hand..
Zet je mensen zo grof aan de kant?
Toen ineens niet meer bestaan en ‘vergeten’
Niemand anders mag iets weten
Weet de ander van dit spel of niet?
Waarom verberg, ontken en verwijder je veel van ons,
zodat niemand het gelooft, hoort of ziet?
Het maakt niet uit,
Het doet alleen pijn en verdriet
Ongeloof. Waarom ? is dit de manier?
Ik geloofde niet dat jij dit was/zo kan zijn
Ik geloofde in wat jij mij beloofde..
Totaal niet verwacht na al het goede wat we elkaar
hebben gebracht..
Eén open en eerlijk gesprek is/was genoeg
Is dat teveel, wat ik van je vroeg?
Of durf je de confrontatie niet aan, na wat je hebt
gedaan?
De manier waarop... die heb je zelf gekozen..
Jammer dat het zo moet, het doet niemand goed
Ik heb niks te verbergen, niks was schijn en ik kom
ervoor uit omdat het, na alles, mij wat doet.
Ik ben in deze altijd open eerlijk en oprecht
En ik denk dat je daar nu tegen- en met jezelf vecht..
Dank [aangeefster] , voor de mooie tijd! Ik werd er foxwild van.
@ [accountnaam]
(...)
Bijlage 2: betreffende vriendschap verzoeken (…)
(…)
[verdachte]
(…)
15 april (…)
[betrokkene 1] kerel,
Hoe is het?
Haha wellicht een rare en directe
vraag voor mijn beeldvorming. Maar
ik vraag dat liever gewoon bij de
bron. Hoelang ga je al met [aangeefster] ?
17 april (…)
Wellicht gevoelige vraag en wellicht
iets van meegekregen mja kijk maar
altijd goed
(…)
Bijlage 8.2: betreffende brieven en kaarten (…)
De brief zit in een enveloppe welke is geadresseerd [aangeefster] en op de andere zijde staat [b-straat 1] . Ik zie dat op de brief aan de linkerzijde bovenaan “ [plaats] , maart 2021” staat geschreven. Ik zie dat het handschrift ogenschijnlijk overeenkomt met het handschrift van de hierboven omschreven kaart. De brief omvat drie A4-tjes. Een passage uit de brief betreft:
“De wijze waarop je nu met me omgaat begrijp ik echt niet. Al helemaal niet als ik je dat dat ik enorm gekwetst ben. Zo gaan volwassenen toch niet met elkaar om? Dit negeren, ontlopen, blokkeren elkaar toch niet? Ik ben absoluut niet perfect, maar deze manier is echt niet correct."”
Ik zie dat de brief is ondertekend met de woorden “Groetjes, [verdachte] ”.
Bijlage 8.3: kaart
De kaart is geadresseerd [aangeefster] en ondertekend met Groetjes, [verdachte] . De kaart hoort bij de brief en dat maak ik op uit de tekst die erbij is geschreven “Vandaar bijgevoegde brief”.
Bijlage 6: betreffende whatsappberichten (…)
De aangeefster verklaarde dat ze meerdere Whatsapp berichten had ontvangen van [verdachte] . Ik zie dat de berichten worden verzonden vanaf het [telefoonnummer 3] .
[27-03-2021 18:36:42] [telefoonnummer 3] : joe joe.
Hierbij mijn nieuwe nummer.
Hoop dat het oke met je gaat. Heb wat in de bus gedaan bij je thuis.
Groetjes,
[verdachte]
[27-03-2021 19:29:24] [telefoonnummer 3] : Jullie mam weet ervan want ik wist niet of ik je naam erop had gezet.
[02-04-2021 07:48:37] [telefoonnummer 3] : Joee goedemorgen, ik ga en wil je verder niet lastigvallen ofzo maar vroeg me alleen even af of je mijn brief hebt ontvangen...
Deze heb ik met zorg samengesteld en het zou fijn zijn als je iets laat weten…
Het is verder ook aan jou wat je er mee wil doen/wil op reageren.
[05-04-2021 00:48:57] [telefoonnummer 3] : Als je zin hebt in een after of paaswandeling morgen let me know
[08-04-2021 19:35:32] [telefoonnummer 3] : [aangeefster] ,
Bericht op insta heb ik al aangepast.
Hoe dan ook, hoeveel we ook verschillen of elkaar niet begrijpen praten is en blijft het beste. Dat kunnen we beiden denk ik niet ontkennen. Ik merk ook dat je in de negatieve dingen blijft hangen en vind het jammer dat je me van alles noemt en selchte dingen ziet terwijl je er niet eerst naar vraagt.
Ik hoop dat je nu beetje begrijpt dat ik alles uit liefde heb gedaan. En dat meen ik oprecht. Het is erg jammer dat je zegt dat de brief je niks doet. Dat gaat oa nl over mijn gevoelens voor jou. Het enige wat ik gezegd heb tegen anderen is dat we altijd van elkaar hielden/leuk vonden (dat hadden we tegen elkaar uitgesproken) en dat we leuke dingen aan het doen waren en dat ik er enorm kapot van was dat het zo abrupt eindigt. Daarom en omdat ik om je geef heb ik die brief gestuurd. Niks meer niks anders. Had je dat niet zelf enigsinds niet kunnen verwachten als je zelf ineens alles afkapt verwijderd etc zonder gesprek, dat de ander vragen kan hebben....? Enkele van die vragen zijn oa..heb je ooit wel gevoelens gehad voor mij en heb je van mij gehouden zoals je had gezegd? Waren we 'zomaar’ over de toekomst/onze moeders/ons/evt. huis aan het praten en al die intieme leuke dingen aan het doen? Enfin het eea staat ook in de brief.
Zoals in de brief wil ik je wel nogmaals vragen om derhalve er een keer open over te praten. Dat hoeft niet nu of morgen maar wanneer het jou schikt. Dat is het enige wat ik vraag. En het zou fijn zijn als je iig even aangeeft of je dat aub een keer zou willen doen?
Ik wil ook je rust respecteren maar zonder tegenbericht van jou, zal ik eind april eens opnieuw berichten.
[08-04-2021 20:44:41] [aangeefster] : [verdachte] ik wil geen contact. Ik wil dat jij me met rust laat. Ik heb je net aan de telefoon verteld dat ik niks van je wil en de reden is dat ik ons niet bij elkaar vind passen. Deze reden heb ik je wel al tien keer verteld. Ik heb jou al meerdere keren uitgelegd waarom ik dat vind. Voor mij valt er niks meer uit te leggen en wil ik echt dat je stopt met me lastig vallen. Ik wil niet meer praten. Hopelijk heb je respect voor mij en kun je dit tonen. Ik hoop dat je het los kan laten.
[10-04-2021 19:50:20] [telefoonnummer 3] : [aangeefster] ,
Jij vraagt respect aan mij? Na alles wat je hebt gezegd en gedaan de laatste tijd tegen mij? Heb je jezelf horen praten aan de telefoon? Moet dat zo op die toon en waarom? En wat is nou het probleem om dat face to face persoonlijk te zeggen? Vind je dan niet dat je eerst zelf ook respect moet geven? Als je zegt van mij gehouden te hebben al helemaal. Notabene je eigen woorden aan de tel maar waarom doe je dat dan niet...
Ik wil heel graag dat jij dan stopt met mij veroordelen voor het eea zonder dingen te vragen/verhelderen bij mij. Je gelooft slechts roddels of dingen die je hoort. Ook dat je stopt met mij proberen de schuld te geven van jou angst in vertrouwen en alleen zijn. En van mijn open en eerlijkheid.
Er zijn nog genoeg vragen [aangeefster] (oa zie boven), jij beantwoord deze niet, je legt deze niet uit, ontwijkt alles, speelt met mijn gevoelens, doet alsof ik ineens niet besta en hebt tegen me gelogen en enorm gekwetst. Dat je zelfs daar niet op ingaat is ook al erg jammer en pijnlijk. Waarom? Heb jij al eens nagedacht wat dat met iemand kan doen? Heb je wat te verbergen?
En ik weet allang meer dan je denkt. Jij zei tegen mij dat je naast mij destijds ook iemand anders zag/mee bezig was (net zoals je zei dat je al vreemdging met mij destijds), dus dat dubbelspel heb je zelf aangegeven en intitieel nog over gelogen toen ik het direct vroeg en doe je nu weer. Via via hoorde ik al dat je regelmatig vertoeft in de [wijk] . 1+1=2. Dus ook daaruit blijkt helaas dat jij degene bent die niet open en eerlijk is geweest. Zo jammer dat ik dat niet van jou hoor.
Je durft nu zelfs mij en andere mensen die ik ken niet onder ogen te komen of ontwijk je (oa onze [naam] in de winkel en in [plaats] )
En als je mij blokkeert, ontloopt, ontkent en ontwijkt heb je dan wat te verbergen? En voor wie? Die andere kerel? Ik kan vast zeggen dat je daar nu heel vaak zit. Toen al en nu alweer meteen. Je patroon waar je het over het had herhaal je nu zelf.
[aangeefster] , je weet heeel goed wat je hebt gedaan tegen mij en dat ik het doorhad en die open en eerlijkheid komt jou nu slecht uit, vanwege je ’ander belang'.
Je houdt niet alleen mij maar ook die ander voor de gek. Weet hij überhaupt van ons? Of is het daarom dat je zo reageert?
Daarom betreur ik het ten zeerste dat je hier zo mee omgaat en al helemaal dat je schijnbaar vind dat dit een fatsoenlijke nette manier vindt om uit elkaar te gaan.
[aangeefster] , ik wilde niet geloven dat jij zoiets kunt doen/zeggen na alles. Ik wilde niet geloven dat jij dit bent. Vandaar ook zoveel vragen. Maar als dit jij wel bent, je ware gezicht is, dan heb ik me helaas enorm vergist. Sorry.
Ik zal het hierbij laten, maar als je het nog eens wilt heroverwegen om erover te praten hoor ik het graag.
[10-04-2021 20:32:03] [telefoonnummer 3] : U hebt dit contact geblokkeerd.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 juni 2021 (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige] :
Het begon eigenlijk vanaf het moment dat [aangeefster] zei dat ze geen verkering met hem (het hof begrijpt telkens: de verdachte [verdachte]) wilde. Daarna werden er allemaal berichten gestuurd en ook post. Het heftigste vond ik toen [aangeefster] een andere jongen had leren kennen en toen kwam de social media erbij. Ik hoorde later van [aangeefster] dat zij duidelijk tegen hem had gezegd dat ze geen relatie met hem wilde. Ik hoorde van [aangeefster] dat hij zei dat dit het lot was en dat ze bij elkaar hoorden. Ik las het ook op een kaart die naar ons was gestuurd. Ik las het ook in een brief die hij bij ons in de brievenbus heeft gedaan. Hij belde daar later ook over op. Ik kwam thuis van het werk en ik hoorde dat mijn huistelefoon ging. Ik hoorde dat het [verdachte] was en dat hij aangaf dat er een brief in de bus was gedaan en dat deze voor [aangeefster] bedoeld was. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet meer wist of hij de naam van [aangeefster] er op had gezet. Ik ging kijken in de brievenbus en ik zag dat er een kaart en een brief in de brievenbus lag. Ik zag dat op beide de naam van [aangeefster] stond. Ik kreeg de indruk dat hij mij had gebeld om er zeker van te zijn dat ik het zou lezen. Ik merk aan mijn dochter dat ze heel onrustig is. Zij durft niet naar een terras te gaan of zich vrij te bewegen zoals altijd. Wij sluiten de poort en [aangeefster] sluit haar auto als ze weg gaat met de auto. [aangeefster] is altijd op haar hoede en is bang dat [verdachte] ergens in de buurt is als ze weg gaat.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 september 2016 (…), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1] :
V: Waar ken jij [aangeefster] van?
A: [aangeefster] is mijn vriendin.
V: Wanneer kregen jullie een relatie?
A: Wij kregen een officiële relatie rond december of januari, volgens mij januari (het hof begrijpt: 2021).
V: Wanneer hoorde jij dat er wat speelde tussen [verdachte] en [aangeefster] ?
A: Ik merkte een maand nadat wij een relatie hadden dat [aangeefster] overstuur was. Zij vertelde mij dat zij nog steeds appjes kreeg van [verdachte] . [verdachte] zocht ook contact met mij op. [aangeefster] wil nog steeds dat alle deuren op slot gedaan worden. Zij kijkt steeds over haar schouder, bang dat hij haar volgt.
7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 september 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :
V: Op welk adres woont en verblijft u?
A: Op [b-straat 1] te [plaats] .
V: Van welke social media maakt u gebruikt?
A: Instagram en Whatsapp, dat is eigenlijk wel het voornaamste.
V: Wat is de accountnaam van uw Instagram account?
A: [Instagram naam] .
V: Door [aangeefster] en haar moeder wordt verklaard dat je een brief in de brievenbus hebt gedaan bij hun woning. Wat kun je daarover verklaren?
A: Zou goed kunnen, want ik heb haar een brief gestuurd.
V: Wanneer was dat?
V: Op de brief staat maart 2021 geschreven. Klopt dat, was het in maart?
A: Dat kan.
V: Er zijn nog meer poststukken bezorgd en het handschrift op deze post komt overeen met jouw handschrift. Hoe kun je dat verklaren?
A: Ik heb een keer een kaartje gestuurd (...).
V: Heb je toen nog op een andere manier geprobeerd contact met [aangeefster] te krijgen?
A: Misschien telefonisch.
V: [aangeefster] verklaarde dat je haar ook meerdere malen hebt gebeld. Klopt dat?
A: We hebben diverse keren wederzijds contact gehad ja.
V: Vanaf welk telefoonnummers belde je haar?
A: Met mijn eigen telefoonnummer. Dat is het telefoonnummer wat bij jullie bekend is en mijn vorige telefoonnummer. Dat weet ik niet meer welke dat geweest is.
V: En hoe zocht je nog meer contact?
A: Via de Whatsapp. Daarmee hebben wij normaal altijd contact gehad.
V: Klopt het dat [aangeefster] je blokkeerde op de Whatsapp?
A:Ja.’
6. Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:
‘De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit, met dien verstande dat de verdediging de door de rechtbank bewezenverklaarde handelingen van de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 (in de kern) niet heeft betwist, doch ten aanzien daarvan heeft betoogd dat die handelingen een wederrechtelijk karakter ontberen, zodat het bewijs tekortschiet dat de verdachte wederrechtelijk en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Ter nadere adstructie van dit verweer heeft de raadsman aangevoerd dat de door de verdachte verrichte handelingen bedoeld waren om een antwoord te verkrijgen op de vragen van de verdachte omtrent de redenen van het – in de ogen van de verdachte plotseling en onverklaarbaar – verbreken van de relatie door aangeefster, hetgeen in de visie van de verdediging niet onbegrijpelijk is wanneer sprake is geweest van een affectieve relatie.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor belaging in de tenlastegelegde periode van 14 februari 2021 tot en met 25 maart 2021 en in de periode van 20 april 2021 tot en met 4 mei 2021, acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig, zodat de verdachte ter zake daarvan partieel zal worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof kan met betrekking tot de periode van 14 februari 2021 tot en met 25 maart 2021 op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat aangeefster geen contact wenste met de verdachte, zodat bijgevolg het wederrechtelijk karakter van de handelingen van de verdachte niet kan worden vastgesteld. Voorts heeft het hof in dat verband in aanmerking genomen dat onvoldoende uit het procesdossier is gebleken op welke data de in de tenlastelegging vermelde gedragingen betrekking hebben, waarbij voorts het bewijs tekortschiet om alle in de tenlastelegging vermelde gedragingen (waaronder de anonieme telefoontjes of telefoonnummers) aan de verdachte toe te schrijven.
Gelijk de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, stelt het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast, dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 – direct dan wel indirect – contact heeft gezocht, gehad en onderhouden met [aangeefster] , middels navolgende handelingen:
- het meermalen verzenden van Whatsappberichten naar aangeefster op 27 maart 2021 en 2, 5, 8 en 10 april 2021;
- het op 26 april 2021 verzenden en/of afleveren van een brief en een kaart aan het woonadres van aangeefster en het bellen naar (het huisadres van) aangeefster, teneinde te verifiëren of de door de verdachte afgegeven kaart is ontvangen;
- het op 15 en 17 april 2021 de (toenmalige) vriend van aangeefster, [betrokkene 1] te benaderen en berichten te sturen over aangeefster via zijn account op Instagram, en
- op 19 april een bericht op zijn Instagramaccount te plaatsen waarin hij aangeefster vermeldt en informatie over zijn (relatie met) die [aangeefster] deelt.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte met voormelde gedragingen wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangeefster] en zich mitsdien schuldig heeft gemaakt aan de belaging van die [aangeefster] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ter beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, stelt het hof voorop dat betekenis toekomt aan verschillende factoren, waaronder: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Deze in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren zijn daarbij in zekere mate communicerende vaten. Het gaat in dat verband niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte en de vraag of dat handelen in zijn totaliteit bezien voldoet aan de eisen die aan belaging in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht worden gesteld. In dat verband geldt bijvoorbeeld dat een eventuele korte duur en een geringe frequentie van de gedragingen van verdachte kunnen worden gecompenseerd door de andere criteria, zoals de indringendheid en de aard van de gedragingen en de invloed van die gedragingen op het persoonlijke leven van de getroffene.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021, op indringende en intensieve wijze contact heeft gezocht met aangeefster. Daartoe zijn door de verdachte meerdere Whatsappberichten aan aangeefster verstuurd, alsmede een brief en een kaart naar haar woonadres gestuurd en afgeleverd. Tevens heeft de verdachte naar (het woonadres van) aangeefster gebeld en naar haar geïnformeerd, alsmede een bericht betreffende aangeefster (en hun vermeende relatie) op zijn sociale media account geplaatst. Ten slotte heeft de verdachte meermalen via zijn sociale media account contact opgenomen met de toenmalig vriend van aangeefster.
De inhoud van de door verdachte aan aangeefster geschreven brief, die zij op 26 maart 2021 heeft ontvangen, voert het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte – in ieder geval – met ingang van 26 maart 2021 moet hebben geweten dat aangeefster niet gediend was zijn toenaderingen en dat zij op geen enkele wijze contact met hem wenste. Immers heeft verdachte in deze brief geschreven: "zo gaan volwassenen toch niet met elkaar om? Dit negeren, ontlopen, blokkeren elkaar toch niet?”. Met deze passage acht het hof het wederrechtelijk karakter van de handelingen van de verdachte per 26 maart 2021,en bijgevolg de daaropvolgende data tot en met 19 april 2021, gegeven.
Niettegenstaande dat de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte zijn gepleegd in een betrekkelijk korte periode van 4 weken, is het hof – gelet het vorenstaande en zulks bezien in het licht van de hiervoor bedoelde vooropstelling – van oordeel dat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hiertoe heeft het hof in het bijzonder de stelselmatigheid, de (persoonlijke) aard van de inhoud en de verscheidenheid van de handelingen van de verdachte – in hun totaliteit en samenhang beschouwd – in aanmerking genomen. Aangeefster heeft meermalen, ook na 26 maart 2021, aan de verdachte te kennen gegeven en duidelijk gemaakt dat zij niet gediend was van zijn toenaderingen. Zij heeft hiervan aangifte en klacht gedaan. De verdachte heeft aangeefster meerdere Whatsappberichten verstuurd, alsmede een brief en kaart op haar woonadres bezorgd en afgegeven en aldus in haar privé-omgeving gebracht. Voorts is ook de (toenmalig) partner van aangeefster door de verdachte benaderd. Aangeefster heeft zich aan dit alles niet kunnen onttrekken en heeft deze inbreuk op haar levenssfeer moeten dulden.
Het hof heeft ten slotte gelet op de invloed van het handelen van verdachte op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, in die zin dat zij heeft aangegeven dat zij gedurende de tenlastegelegde periode en – gelet op de schriftelijke onderbouwing van haar vordering tot schadevergoeding, alsmede de mondelinge toelichting daarop van haar advocaat ter terechtzitting – op dit moment nog steeds bang is voor verdachte en zich niet veilig voelt, waarbij het handelen van de verdachte een enorme impact heeft (gehad) op het leven en psychisch welbevinden van aangeefster.
Het verweer van de verdediging, inhoudende dat de verdachte niet het oogmerk had om aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of haar vrees aan te jagen, omdat hij als gewezen partner het recht heeft om te weten wat de reden is voor de verbreking van de affectieve relatie door de ander, wordt door het hof verworpen. Het hof leidt verdachtes oogmerk af uit het samenstel van de inhoud van de Whatsapp-berichten, alsmede de overige uitingen en handelingen van de verdachte, welke er onmiskenbaar op waren gericht aangeefster er toe te bewegen met hem, verdachte, het gesprek aan te gaan over de verbreking c.q. het herstellen van de – in de ogen van de verdachte tussen hen bestaande – relatie en verdachtes pogingen daartoe te dulden.
Het hof merkt aanvullend nog op dat in het geheel niet aannemelijk is geworden dat aangeefster spullen van de verdachte in haar bezit had, zoals nog ten verwere is aangevoerd, nu in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting daar ook maar een begin van een aanknopingspunt voor is te vinden.
Mitsdien verwerpt het hof de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belaging van [aangeefster] op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.’
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 24 mei 2023, houdt onder meer het volgende in:
‘De raadsman pleit grotendeels overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en hier op na te noemen punten en met inachtneming van hetgeen in dat verband wordt opgemerkt als herhaald en ingelast wordt beschouwd.
De raadsman draagt de navolgende punten van de pleitnota voor:
- Punt 5.
- Punt 11 tot en met 15.
De voorzitter merkt op:
Ik begreep dat de verdediging de bewezenverklaarde periode niet wenste te betwisten, wat u nu voordraagt ziet op februari en aldus voor de bewezenverklaarde periode van de rechtbank.
De raadsman gaat van punt 16 van de pleitnota naar punt 21.
Buiten de pleitnota om merkt de raadsman op dat er op 28 april nog een telefoongesprek heeft plaatsgevonden. De raadsman draagt punt 25 van de pleitnota voor. De punten 47 tot en met 49 worden overgeslagen. De raadsman merkt op dat er onvoldoende bewijs is dat zijn cliënt het Instagrambericht heeft verzonden. De raadsman merkt voorts op dat geen sprake is van vrees aanjagen. De raadsman draagt punt 79 en verder voor. Na punt 95 draagt de raadsman punt 98 voor. De raadsman merkt op dat zijn vorige opmerking ook geldt voor het e-mailadres.
De raadsman verzoekt de onderdelen van de pleitnota die betrekking hebben op primair de niet-ontvankelijkheid van de vordering benadeelde partij in verband met de bepleite vrijspraak als voorgedragen te beschouwen. Het hof stemt hier mee in. De raadsman draagt de punten 124, 125 t/m 127, 129 tot en met 155 voor. De raadsman merkt op dat er sprake is andere problemen en een crisissituatie en een suïcidepoging. De raadsman merkt op dat door de benadeelde partij niet is onderbouwd dat er geen sprake is van andere medische kosten.
(…)
De voorzitter merkt op dat niet genoemde punten niet door de raadsman zijn voorgedragen.’
8. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van een voetnoot):
‘5. De vraag die voorligt, is of cliënt zich in de voormelde periodes schuldig heeft gemaakt aan het belagen van [aangeefster] door wederrechtelijk en stelselmatig opzettelijk een inbreuk te maken op haar persoonlijke levenssfeer, bestaande uit een aantal opgesomde ‘stalkingshandelingen’, met het oogmerk haar te dwingen iets (niet) te doen, te dulden of vrees aan te jagen.
(…)
11. Zo heeft cliënt in het voormelde processtuk verwezen en bewijsmiddelen aangeleverd van uitjes en/of diners in [...] , [...] , [...] , [...] , [...] , [...] en op plekken in Duitsland (zie bijlage 1 bij de pleitnotitie in eerste aanleg). In januari 2021 zijn partijen nog samen in Duitsland geweest (zie bijvoorbeeld de foto's met de pauwen). Niet alleen eind januari, maar ook begin februari en medio februari 2021 stelde aangeefster per Whatsapp nog enkele malen voor om af te spreken, onder meer om samen uit eten gaan en wandelingen te maken (zie bijlage 2 bij de pleitnotitie in eerste aanleg). De onjuistheden in de verklaring van aangeefster over zowel de start als het einde van de relatie met cliënt roepen bij de verdediging vragen op over de betrouwbaarheid van hetgeen [aangeefster] nog meer heeft verklaard.
12. Zo hebben partijen op initiatief van aangeefster op 4 februari 2021 een avondwandeling gemaakt, waarvoor cliënt haar bij de Jumbo heeft opgehaald. Na de wandeling schrijft cliënt aan haar: "Was gezel wel!" waarop [aangeefster] antwoord: "Ja vond ik ook. Ik heb even na gedacht. En lijkt me leuk om wat vaker samen af te spreken."
13. De volgende ochtend (5 februari 2021) schrijft aangeefster naar cliënt: "Altijd gezellig (met smiley emoticon)." Als cliënt vervolgens vraagt wanneer zij opnieuw zullen afspreken, reageert zij: "Dit weekend zit ik helaas wel vol. Maar volgende week moet altijd lukken." Op 8 februari 2021 beschrijft zij haar dag aan cliënt en vraagt hem: "Hoe is het met jou?" Op 11 februari 2021 verandert de toon van de communicatie tussen partijen voor enkele dagen, totdat aangeefster op 15 februari 2021 naar aanleiding van een e-mailbericht van cliënt aan haar schrijft: "Wat lief van die mail. Dankjewel (met 2 smiley emoticons). Ik zal er eens naar kijken."
14. Op 16 februari 2021 vraagt zij aan cliënt of hij die dag vrij is, met de mededeling: "Wellicht kan ik zaterdagochtend ff wandelen (met smiley emoticon)." Cliënt reageert: “Wellicht? Spreken we dan af? (met smiley emoticon)." Aangeefster antwoord: "Ja is goed. Doen we zaterdagochtend (met smiley emoticon)." Op 17 februari 2021 vraagt zij aan cliënt: "Maar waar zullen we zaterdag gaan wandelen?" (zie bijlage 5 en bijlage 18 van het processtuk "Brief verdachte tegenbewijs").
15. Op 23 en op 24 februari 2021 volgen nog twee lange telefoongesprekken tussen partijen van 50 resp. 46 minuten (zie hiertoe de als bijlage 3 bij de pleitnotitie in eerste aanleg aangehechte screenshots waaruit die lange telefoongesprekken blijken).
16. Let wel, dat cliënt tot die tijd geen weet heeft van het contact en de omgang van aangeefster met [betrokkene 1] , noch dat aangeefster haar moeder al die tijd in de waan laat dat zij geen contact heeft met cliënt en dat cliënt haar juist lastig valt met telefoontjes en berichten.
(…)
21.De werkelijkheid strookt dus niet met het beeld dat aangeefster vanaf medio december 2020 over cliënt heeft geschetst – 'het vervelende ex-vriendje dat blijft bellen en berichten blijft sturen' – richting haar moeder en [betrokkene 1] . U dient derhalve naar de verklaringen van [getuige] en [betrokkene 1] te kijken van uit het perspectief dat zij onjuist door aangeefster zijn ingelicht. Zij verklaren immers over wat zij van aangeefster hebben gehoord over cliënt, terwijl aangeefster in werkelijkheid in elk geval tot eind februari 2021 nog volop met cliënt bezig was (zowel contact als omgang op eigen initiatief van aangeefster).
(…)
Periode van 26 maart 2021 t/m 19 april 2021
25. Nu de voorstellen om nieuwe afspraakjes te plannen in maart 2021 niet werden geconcretiseerd en partijen eind maart 2021 nauwelijks tot geen contact meer hadden, ging cliënt er (zoals gezegd) van uit dat zij weer in een periode van weinig omgang waren beland en de persoonlijke problematiek van aangeefster weer op speelde.
(…)
Periode van 20 april 2021 t/m 4 mei 2021
(…)
79. De rechtbank heeft bij haar oordeel overwogen, dat cliënt vooral kwalijk wordt genomen dat hij Instagram-berichten over (zijn relatie met) aangeefster heeft geplaatst en daarbij geen rekening zou hebben gehouden met de gevolgen voor haar (en in beperkte mate verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen).
80. Wat betreft het Instagram-bericht met foto van de pauw(en) op pag. 16 t/m 21 van het eindp-v, heeft aangeefster blijkens haar eigen bericht daarbij geen bezwaar gemaakt tegen de tekst (!), maar 'slechts' kenbaar gemaakt dat zij niet gediend was van de daarbij geplaatste foto en dat cliënt die foto beter kon verwijderen. Naar aanleiding daarvan heeft cliënt die foto verwijderd, zodat hij terstond tegemoet gekomen is aan de wens van aangeefster. Nu hem niet door aangeefster noch door een ander is gevraagd de tekst of het gehele bericht te verwijderen, begrijpt cliënt niet dat de rechtbank hem (met name) verwijt dat hij die tekst bij het bericht heeft geplaatst, althans niet het gehele bericht heeft verwijderd.
81. Overigens blijkt uit de screenshots in het eindp-v niet op welke datum het betreffende bericht met foto op Instagram heeft gestaan, zodat onvoldoende bewijs is geleverd dat het in de ten laste gelegde periode heeft plaatsgehad. Wat aangeefster daarover zelf heeft verklaard, is onvoldoende (overtuigend) bewijs dat het bericht met foto van de pauw(en) tussen 26 maart en 19 april 2021 op Instagram heeft gestaan. Voor zover het namelijk buiten de ten laste gelegde periode op. Instagram heeft gestaan, kan hem dat niet worden verweten.
82. Wat betreft het Instagram-bericht met afbeelding van een tekst van 19 april – waarbij geen jaartal zichtbaar is – en daaronder een gedicht (op pag. 22 en 23 van het eindp-v), heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat aangeefster is ‘getagd’ in dit bericht.
83. In de tekst bij dit bericht is duidelijk zichtbaar, dat een spatie tussen "@" en " [accountnaam] " staat, zodat het bericht niet daadwerkelijk is gekoppeld aan het Instagram-account van aangeefster. Voor zover in rechte zou komen vast te staan dat client dit bericht heeft geplaatst en het de bedoeling was om aangeefster in dit bericht te taggen, is een ondeugdelijke poging geweest om aangeefster in dit bericht te taggen.
84. Dit gegeven wordt ondersteund door het feit dat aangeefster, in tegenstelling tot het voormelde Instagram-bericht met de foto van de pauw(en), niet met een eigen bericht op 'dit gedicht' gereageerd heeft.
85. Nu aangeefster niet in het bewuste Instagram-bericht is getagd, is het niet zichtbaar geweest voor de volgers/vrienden van het Instagram-account van aangeefster. Voor zover het door cliënt op zijn Instagram-account zou zijn geplaatst, is het enkel zichtbaar geweest in de sociale (media) omgeving van client. Dit roept de vraag op in hoeverre met het plaatsen van dit bericht – volgens de rechtbank – een ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
86. De verdediging wil hiermee zeggen, dat het Instagram-bericht niet zichtbaar was voor derden en in zoverre niet opzettelijk geopenbaard is in de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het is niet zo, dat de afbeelding en tekst door een ieder op het internet gezien konden worden.
87. Voor zover het bericht met gedicht op de Instagram-account van cliënt zou hebben gestaan, is het alleen zichtbaar geweest voor mensen die er bewust voor gekozen hebben om kennis te nemen van foto's en teksten van cliënt op Instagram. Die volgers of 'sociale media vrienden' kunnen zich in zoverre niet (bij cliënt) beklagen over foto’s of teksten die hij plaatst. Voor zover zij niet gediend zijn van een bepaalde foto en/of tekst van cliënt, hebben zij twee opties.
88. Ten eerste, om bij Instagram aan te geven dat het bericht aanstootgevend is en Instagram dat bericht dient te verwijderen of onzichtbaar te maken. Ten tweede, om het Instagram-account van cliënt te ‘ontvolgen’, zodat zij geen kennis meer hoeven te nemen van de bewuste foto/tekst en in het vervolg geen foto's of teksten meer hoeven te zien die hij op Instagram plaatst.
89. Voor zover uw Hof van oordeel zou zijn dat client deze tekst op Instagram heeft geplaatst – zijnde een gedicht met retorische vragen, waarin gevoelens worden geuit, [aangeefster] alleen bij voornaam wordt genoemd en zij wordt bedankt voor de mooie tijd samen – een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster oplevert, is cliënt onvoldoende duidelijk geworden waarom dit een ernstige inbreuk is.
90. Zo wordt in het gedicht geen dreigende of intimiderende taal aan aangeefster gericht, zodat het Instagram-bericht nooit een logische of verklaarbare aanleiding kan zijn geweest voor gevoelens van angst, stress of onveiligheid bij aangeefster, waardoor zij in die periode 'het huis niet meer uit te durfde'.
91. De tekst is evenmin beledigend, smadelijk of lasterlijk van aard, zodat het recht op vrije meningsuiting van degene die het bericht op Instagram heeft geplaatst in zoverre niet beknot zou mogen worden. Dat aangeefster de inhoud van dat bericht niet leuk/prettig vond, maakt nog niet dat de tekst als beledigend, smadelijk of lasterlijk aan te merken is, en daarmee een ernstige inbreuk vormde op haar persoonlijke levenssfeer.
92. Ook de voormelde brief en berichten die cliënt eind maart-begin april 2021 naar aangeefster heeft verzonden, bevatten geen teksten die gevoelens van angst, stress of onveiligheid bij aangeefster konden oproepen. Cliënt heeft nimmer gedreigd om cliënte of haar familie/vrienden wat aan te doen als zij de relatie of het contact met hem niet zou herstellen. Cliënt heeft aangeefster niet gedwongen nog een relatie of omgang met hem te hebben.
93. Voor zover aangeefster vanaf eind maart 2021 (tot geruime tijd later) met gevoelens van angst of stress heeft gekampt, gaat cliënt ervan uit dat het hierbij gaat om klachten waarmee zij al vóór en tijdens haar relatie met cliënt bekend was. Zij heeft juist regelmatig met cliënt gesproken over dergelijke klachten, de medicatie die zij daarvoor geslikt had en dat zij één jaar studievertraging had opgelopen vanwege haar (depressieve) gevoelens. Client heeft steeds geprobeerd aangeefster te helpen met haar persoonlijke problematiek, zodat het ontstaan of voortduren van die gevoelens en klachten niet (uitsluitend) aan cliënt te wijten zijn.
Jurisprudentie + Wetsgeschiedenis
94. Uit de jurisprudentie en wetsgeschiedenis op het gebied van belaging zijn belangrijke punten te halen, die van belang zijn voor de onderhavige zaak.
95. Zo blijkt uit de uitspraak van het Hof Amsterdam van 11 juli 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:4963), dat bij ‘echtscheidingskwesties’ minder snel tot een opzettelijke wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kan worden geconcludeerd, omdat partijen richting en na het einde van de relatie over en weer nog enkele malen contact hebben gehad. Dat dient dus ook in casu te gelden.
(…)
98. Voorts wordt verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9376). In deze zaak hadden aangeefster en verdachte vanaf 2004 over en weer telefonisch, sms- en chatcontact gehad. Dit contact was aanvankelijk zeer intensief en kende ook een intieme inhoud. Later waren er ook periodes waarin geen contact was tussen partijen. Het initiatief tot het opnemen van contact ging dan van één van beiden uit, waarna weer contact tot stand kwam. Als het initiatief bij verdachte lag, beantwoordde aangeefster dit contact. Een en ander heeft voortgeduurd tot augustus 2010. Op 19 augustus 2010 heeft aangeefster in een e-mailbericht aan verdachte laten weten dat zij voorlopig niet gediend was van contact met verdachte. Zij schrijft daarin onder meer dat verdachte haar een flinke tijd met rust moet laten. Hierdoor is niet komen vast te staan dat in die periode sprake is geweest van door verdachte gezocht contact waaraan een wederrechtelijk karakter moet worden toegekend.’
Bespreking van het eerste middel
9. Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde in casu ‘belaging’ oplevert, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. In het bijzonder wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 op indringende en intensieve wijze contact heeft gezocht met aangeefster te kort schiet in het licht van hetgeen door de verdediging ten aanzien van de duur, frequentie en inhoud van de contacten is aangevoerd en hetgeen bewezen is verklaard en in de bewijsmiddelen is vastgesteld.
10. Artikel 285b, eerste lid, Sr luidt als volgt:1.
‘Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.’
11. Blijkens de gewijzigde memorie van toelichting gaat het er bij belaging om dat ‘iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen’ wordt en dat daardoor een (diepgaande) inbreuk wordt gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Als voorbeelden noemt de memorie van toelichting onder meer het telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen.2.Onder stelselmatig wordt volgens de gewijzigde memorie van toelichting ‘hetzelfde verstaan als in het op 17 juni 1997 ingediende wetsvoorstel dat de bijzondere opsporingsbevoegdheden regelt (…). Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie. Eén enkel nachtelijk telefoontje is geen belaging. Uiteraard kan de combinatie van gedragingen wel het stelselmatige karakter opleveren’.3.
12. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr neemt uw Raad de volgende factoren in aanmerking: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.4.Daarbij gaat het, aldus A-G Hofstee in zijn conclusie voor een arrest van Uw Raad van 12 maart 2013, om het totaalbeeld dat uit de verschillende aspecten van de gedragingen van de verdachte naar voren komt.5.
13. Uw Raad oordeelde in dat arrest dat de omstandigheid dat de verdachte slechts een beperkt aantal (drie) sms-berichten in een periode van een week had verstuurd (waarvan de eerste twee binnen 24 uur), er niet aan in de weg stond om in dat specifieke geval een stelstelmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster aan te nemen. Daarbij speelde een rol dat de berichten gaandeweg specifieker en indringender werden, refereerden aan de functionele betrokkenheid van de aangeefster bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, leidden tot angst voor de veiligheid van haar en haar kinderen en tot ontwrichting van haar sociale leven, haar belemmerden in haar werk en teweegbrachten dat zij tijdelijk in het buitenland werd ondergebracht.6.
14. Ook in een arrest van 10 januari 2023 liet Uw Raad een veroordeling voor belaging in stand, terwijl de bewezenverklaring een periode van slechts vier dagen betrof.7.Het hof had geoordeeld dat desondanks sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer nu het ging om berichten van zeer dreigende aard, die kort na elkaar werden verzonden en steeds indringender werden. Dat oordeel getuigde, aldus Uw Raad, niet van een onjuiste rechtsopvatting en was niet onbegrijpelijk. Daarbij wees Uw Raad erop dat uit de bewijsvoering volgde dat de verdachte op 6 oktober 2014 een e-mailbericht aan de aangeefster had gestuurd met in de bijlage een naaktfoto van haar en vervolgens diezelfde dag meer e-mailberichten had verzonden waarin hij dreigde haar naaktfoto’s openbaar te maken, waarna hij op 7 oktober 2014 46 reacties had geplaatst op de Facebookpagina van de werkgever van de aangeefster inhoudend dat zij ‘de grootste huur in Nederland!!!’ was, en dat hij op 8 oktober 2014 in een e-mailbericht aan de aangeefster wederom had gedreigd met de openbaarmaking van deze foto’s.
15. Beide arresten illustreren dat de omstandigheid dat het om een gering aantal gedragingen in een korte periode gaat, kan worden gecompenseerd door de aard van de gedragingen en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Uit de rechtspraak van Uw Raad is in dit verband eerder wel afgeleid dat gedrag relatief snel als indringend stelselmatig lastig vallen wordt aangemerkt indien dat gedrag gepaard gaat met bedreigingen of beledigingen.8.De ondergrens van belaging komt daarentegen in zicht ‘als de gedragingen minder indringend of minder op de persoon gericht zijn, of in een korter tijdsbestek plaatsvinden’.9.
16. In een arrest van 22 maart 2011 volgde uit de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen dat de verdachte in twee maanden tijd een aantal keren door de straat waar de aangeefster woonde was gereden en dat hij de aangeefster op twee dagen had gebeld.10.Uw Raad oordeelde dat niet gezegd kon worden dat sprake was van ‘stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’ in de betekenis die daaraan toekomt in art. 285b Sr
17. In een arrest van 12 maart 2013, waarin het hof bewezen had verklaard dat de verdachte zich had schuldig gemaakt aan belaging door iemand in een periode van drie en een halve maand meermalen een sms-bericht te sturen, oordeelde Uw Raad dat de bewezenverklaring ontoereikend was gemotiveerd en nam daarbij mede in aanmerking dat de bewijsmiddelen over de aard van de gedragingen van de verdachte niet meer inhielden dan dat de aangeefster per sms ‘vele bedreigingen’ van de verdachte had ontvangen.11.
18. In een arrest van 10 oktober 2017 had het hof vastgesteld dat de verdachte in een periode van anderhalve maand de aangever diverse malen direct dan wel indirect had benaderd en dat hij de aangever, diens echtgenote en zowel de praktijk waar de aangever werkzaam was als het bedrijf waar diens echtgenote werkzaam was had gebeld en daarbij negatieve uitspraken had gedaan over hun zoon. Verder had hij zowel de werkplek van de aangever als die van zijn echtgenote bezocht en zich ook daar negatief uitgelaten over hun zoon. Hij had een brief aan de werkgever van de echtgenote van de aangever gestuurd waarin hij de zoon van de aangever een drugsgebruiker met criminele vrienden noemde en hij had een brief aan het BIG-register gestuurd met de vraag of de aangever daar stond ingeschreven.12.Uw Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in de betekenis die daaraan toekomt in artikel 285b Sr zonder nadere motivering niet begrijpelijk was.
19. Ten slotte oordeelde Uw Raad op 15 februari 2022 in een zaak waarin het hof bewezen had verklaard dat de verdachte zich op één dag schuldig had gemaakt aan belaging door meermalen telefonisch contact op te nemen met medewerkers van een advocatenkantoor (in de bewijsmiddelen wordt het aantal geschat op ongeveer 100 en minimaal 80 keer).13.Uw Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat dit een ‘stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’ opleverde, niet zonder meer begrijpelijk was. Dat het gedrag van de verdachte als storend voor de organisatie van het advocatenkantoor was ervaren en dat de daar werkzame personen door die verstoring gedurende één werkdag niet onbelemmerd aan hun professionele werkzaamheden waren toegekomen, maakte dat niet anders.
20. In de onderhavige zaak heeft het hof de verdachte vrijgesproken van belaging in de periode van 14 februari 2021 tot en met 25 maart 2021, omdat ‘op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid (kan) worden vastgesteld dat aangeefster geen contact wenste met de verdachte’. Het hof heeft de verdachte ook vrijgesproken van belaging in de periode van 20 april 2021 tot en met 4 mei 2021, omdat (naar ik begrijp) ‘onvoldoende uit het procesdossier is gebleken op welke data de in de tenlastelegging vermelde gedragingen betrekking hebben, waarbij voorts het bewijs tekortschiet om alle in de tenlastelegging vermelde gedragingen (waaronder de anonieme telefoontjes of telefoonnummers) aan de verdachte toe te schrijven’.
21. De bewezenverklaring van belaging betreft een periode van nog geen maand, van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in die periode op vijf dagen Whatsapp berichten naar de aangeefster heeft verstuurd en dat hij op de eerste dag een brief en een kaart heeft verzonden naar of afgeleverd op het woonadres van de aangeefster en naar (het huisadres van) aangeefster heeft gebeld om te verifiëren of de afgegeven kaart was ontvangen. Verder heeft hij op twee dagen de (toenmalige) vriend van de aangeefster benaderd via zijn account op Instagram en berichten gestuurd over aangeefster. En op één dag heeft hij een bericht op Instagram geplaatst waarin hij de aangeefster vermeld en informatie over zijn relatie met haar deelt.
22. Het hof heeft overwogen dat de verdachte met deze handelingen ‘op indringende en intensieve wijze contact’ heeft gezocht met de aangeefster. In het bijzonder ‘de stelselmatigheid, de (persoonlijke) aard van de inhoud en de verscheidenheid van de handelingen van de verdachte – in hun totaliteit en samenhang beschouwd –’ brengen het hof tot het oordeel dat sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het hof heeft overwogen dat aangeefster ook na 26 maart 2021 meermalen aan de verdachte te kennen heeft gegeven en duidelijk heeft gemaakt ‘dat zij niet gediend was van zijn toenaderingen’. Het hof heeft ten slotte gelet op ‘de invloed van het handelen van verdachte op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, in die zin dat zij heeft aangegeven dat zij gedurende de tenlastegelegde periode en – gelet op de schriftelijke onderbouwing van haar vordering tot schadevergoeding, alsmede de mondelinge toelichting daarop van haar advocaat ter terechtzitting – op dit moment nog steeds bang is voor verdachte en zich niet veilig voelt, waarbij het handelen van de verdachte een enorme impact heeft (gehad) op het leven en psychisch welbevinden van aangeefster’.
23. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden in een relatief korte periode en dat de frequentie van de gedragingen ook niet heel hoog genoemd kan worden. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt evenmin dat de aard en intensiteit van de inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster heel indringend was. De communicatie van de verdachte naar de aangeefster kwam er in de kern op neer dat de verdachte vragen had over de beëindiging van een (vermeende) relatie en daarover met de aangeefster in contact wilde komen. Van beledigingen of bedreigingen blijkt uit de bewijsmiddelen niet. Een en ander is ook van belang in verband met de door de aangeefster gestelde en door het hof meegewogen invloed van de gedragingen van verdachte op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster.
24. Ik merk daarbij in de eerste plaats op dat de kaart en de brief, het telefoontje en de eerste twee appjes met elkaar verband hielden en dat de brief erop gericht was uitleg te verkrijgen over het ‘negeren, ontlopen, blokkeren’. Ik merk voorts op dat de verdachte in het laatste appbericht, van 10 april 2021, na een lange uiteenzetting, aangeeft dat hij het hierbij zal laten, ‘maar als je het nog eens wilt heroverwegen dan hoor ik het graag’. Uit de bewezenverklaring en bewijsvoering blijkt niet dat de verdachte nadien opnieuw rechtstreeks contact met aangeefster heeft gezocht. Het gaat om twee berichten aan [betrokkene 1] , die niet onvriendelijk van toon zijn en een concrete vraag en boodschap behelzen. Het bericht op Instagram ten slotte doet verslag van de gevoelens van verdachte.
25. Al met al meen ik dat het oordeel van het hof dat sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in de zin van art. 285b Sr niet zonder meer begrijpelijk is.
26. Het middel slaagt.
Bespreking van het tweede middel
27. Het middel bevat een aantal klachten inzake de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel bestaande in een gebiedsverbod. Allereerst wordt aangevoerd dat de maatregel, inhoudende dat de verdachte voor de duur van 2 jaren zich niet zal ophouden in het gebied [a-straat 1] te [plaats] , zijnde het woonadres van [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum] -1995, te onbepaald is geformuleerd.
28. Het bestreden arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
‘Het hof acht het voorts passend en geboden aan de verdachte ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten maatregelen strekkende tot beperking van de vrijheid, zoals bedoeld in artikel 38v, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Het hof heeft daarbij de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in acht genomen. De verdachte zal worden bevolen zich gedurende 2 (twee) jaren te onthouden van enig contact met [aangeefster] en zich niet op te houden in het gebied van [a-straat 1] te [plaats] , zijnde het woonadres van aangeefster.
Het hof zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel(en) wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 6 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.
(…)
BESLISSING
Het hof:
(…)
legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in het gebied [a-straat 1] te [plaats] , zijnde het woonadres van [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum] -1995);
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 6 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de toepassing van die vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum] -1995);
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 6 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij toepassing van die vervangende hechtenis de verplichtingen in gevolgde de opgelegde maatregel niet opheft;’
29. Bij herstelarrest van 12 juni 2023 heeft het hof het dictum van het bestreden arrest gewijzigd in die zin dat de vrijheidsbeperkende maatregel (BFK: inhoudende het gebiedsverbod) als volgt komt te luiden:
‘legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in het gebied [a-straat 1] te [plaats] , zijnde het woonadres van [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum] -1995);’
30. Uit de hiervoor weergegeven onderdelen van het arrest en het herstelarrest blijkt dat het hof aan de verdachte twee vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in art. 38v Sr heeft opgelegd, in de vorm van een gebiedsverbod en een contactverbod. In de onderhavige zaak wordt alleen geklaagd over de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een gebiedsverbod.
31. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van art. 38v Sr is aangegeven dat een gebiedsverbod in de zin van art. 38v Sr ‘een exacte omschrijving (moet) bevatten van het gebied waarbinnen de veroordeelde zich niet mag bevinden’.14.Net zoals bij bijzondere voorwaarden in geval van een voorwaardelijke veroordeling moet duidelijk zijn wat het gedragsvoorschrift precies inhoudt, zodat de verdachte zich aan dit voorschrift kan houden.15.
32. In een arrest van 12 maart 2019 was een vrijheidsbeperkende maatregel aan de orde die inhield dat de verdachte zich niet zal ophouden binnen een straal van één kilometer van ‘de woonadressen’ van betrokkene.16.Uw Raad overwoog dat de enkele aanduiding van een (onbekend) woonadres van een bepaalde persoon niet een voldoende precieze omschrijving is van het gebied waarin de verdachte zich niet mag ophouden en dat de rechter dat gebied in zijn uitspraak moet aanduiden, waarbij de wettelijke regeling niet de mogelijkheden biedt om die aanduiding nadien te veranderen. In een arrest van 10 september 2024 oordeelde Uw Raad dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende dat de verdachte zich niet zal ophouden ‘rond de woning’ van betrokkene, welke woning exact was aangeduid, niet een voldoende precieze omschrijving van het gebied waarbinnen de verdachte zich niet mag bevinden betrof.17.
33. Een korte zoekslag op internet leert dat [...] de postcode is van [a-straat ] in [plaats] .18.Bij postcode [...] wordt geen gebied vermeld. In de overwegingen onder het kopje ‘Op te leggen straf’ is de juiste postcode vermeld; in het dictum en in het herstelarrest staat de verkeerde postcode. Het dictum en het herstelarrest lenen zich naar het mij voorkomt voor verbeterde lezing in die zin dat het om postcode [...] gaat, de postcode die bij [a-straat ] hoort. Anders dan de steller van het middel meen ik voorts dat duidelijk is dat het hof met ‘het gebied [a-straat ] ’ de betreffende straat bedoelt. Vermelding van de postcode lijkt mij daarbij niet nodig, nu postcode en straat samenvallen. Om misverstanden te komen zou Uw Raad, ingeval Uw Raad anders oordeelt over het eerste middel, de vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een gebiedsverbod verbeterd kunnen lezen in die zin dat deze inhoudt ‘dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in de straat [a-straat ] te [plaats] ’.
34. De steller van het middel voert daarnaast aan dat het hof abusievelijk heeft verzuimd in het dictum te bepalen dat de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan één van de verplichtingen wordt voldaan zes (het middel spreekt abusievelijk over zeven) dagen bedraagt, waarbij op grond van art. 38w, derde lid, Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.
35. Het hof heeft in het dictum zowel bij het gebiedsverbod als bij het contactverbod bepaald dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan en dat de duur van deze vervangende hechtenis zes dagen bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Het middel ziet er kennelijk op dat in het dictum niet is vermeld dat de totale duur van de vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt en dat het dictum aldus geïnterpreteerd zou kunnen worden dat de totale duur die de vervangende hechtenis ten hoogste kan bedragen tweemaal zes maanden is.
36. Uw Raad heeft in een arrest van 14 januari 2025 overwogen dat de rechter aan een verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel kan opleggen waaraan meerdere in art. 38v, tweede lid, Sr genoemde verplichtingen worden verbonden. Daarbij bepaalt de rechter overeenkomstig art. 38w, tweede lid, Sr de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel – dat wil zeggen: aan een aan die maatregel verbonden verplichting – wordt voldaan. Op grond van art. 38w, derde lid, Sr geldt van rechtswege dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.19.
37. Gelet hierop moet het arrest van het hof wat betreft de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen zo worden verstaan dat aan de verdachte één vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd waarbij de verdachte wordt bevolen zich niet op te houden in het omschreven gebied en tevens wordt bevolen zich te onthouden van contact met de genoemde persoon, en dat de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan één van die verplichtingen wordt voldaan zes dagen bedraagt, waarbij op grond van art. 38w, derde lid, Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. De verdachte heeft in zoverre geen belang bij cassatie.
38. Het middel faalt.
Afronding
39. Het eerste middel slaagt, het tweede middel faalt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad niet binnen twee jaar nadat cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Dat behoeft evenwel niet tot strafvermindering te leiden.20.Ook voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
40. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑09‑2025
Kamerstukken II 1998/99, 25 768, nr. 5, p. 17. De aanvankelijke toelichting is op dit punt aangepast naar aanleiding van het advies van de Raad van State (Kamerstukken II 1996/97, 25 768, A, p. 3-4). Zie ook Kamerstukken I 1999/2000, 25 768, nr. 67a, p. 7-8.
Vgl. onder meer HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710, NJ 2004/426, m.nt. De Jong; HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394, m.nt. Reijntjes en HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:4, NJ 2023/48.
Vgl. A-G Hofstee in zijn conclusie (onder 10) voor HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/393, m.nt. Reijntjes.
HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/393, m.nt. Reijntjes
HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:4, NJ 2023/48.
M.J.A. Duker, ‘De reikwijdte van het belagingsartikel’, RM Themis 2007, p. 153 en A-G Jörg in zijn conclusie voor HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228, m.nt. Keijzer, randnummer 17.
A-G Paridaens, conclusie voor HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:69, randnummer 2.9.
HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0096, NJ 2011/228, m.nt. Keijzer.
HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394, m.nt. Reijntjes
HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2577, NJ 2017/403.
HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:174, NJ 2022/97.
Vgl. met betrekking tot bijzondere voorwaarden o.a. HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667, NJ 2018/311, m.nt. T. Kooijmans, rov. 5.3. en HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2392, NJ 2017/389, rov. 3.3.
HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338, NJ 2019/229, m.nt. Vellinga, rov. 2.6.
HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1147, NJ 2024/278.
HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:61. Zie ook HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:841.
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3.
Beroepschrift 31‑01‑2025
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 7 juni 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot 60 uren taakstraf, subsidiair 30 dagen hechtenis en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaren. Voorts is hem een gebieds- en contactverbod opgelegd en is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.636,84, te betalen aan haar of de Staat.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 359 jo. 415 Sv, en wel omdat het oordeel van het hof dat het in casu ‘belaging’ oplevert, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. Meer in het bijzonder schiet het oordeel van het hof dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021, op indringende en intensieve wijze contact heeft gezocht met aangeefster te kort in het licht van hetgeen door de verdediging ten aanzien van de duur, frequentie en inhoud van de contacten heeft aangevoerd en hetgeen bewezen is verklaard en in de bewijsmiddelen is vastgesteld, te kort. Het arrest kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
1.1
Ten laste van de verdachte is in eerste aanleg bewezenverklaard dat verdachte:
‘op tijdstippen in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 te [a-plaats], althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door
- —
meerdere malen Whatsapp berichten te sturen en
- —
één brief en kaart te sturen aan die [aangeefster] en af te leveren aan het huisadres van die [aangeefster] en (vervolgens)
één maal naar het huisadres van die [aangeefster] te bellen met de kennelijke bedoeling om te verifiëren of een door verdachte aan die [aangeefster] verstuurde en/of afgegeven kaart is ontvangen en
- —
éénmaal een bericht op zijn, verdachtes, social media account (Instagram) te plaatsen waarin hij, verdachte, die [aangeefster] vermeldt en/of informatie over (zijn relatie met) die [aangeefster] deelt en
- —
meerdere malen de (toenmalige) vriend van die [aangeefster] (te weten [betrokkene 1]) te benaderen en/of berichten te sturen over die [aangeefster],
met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen en te dulden.’
1.2
Tegen het vonnis heeft verdachte hoger beroep ingesteld. Namens de verdachte is blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota het volgende aangevoerd, voor zover voor het middel van belang:
‘Periode van 26 maart 2021 t/m 19 april 2021
- 25.
Nu de voorstellen om nieuwe afspraakjes te plannen in maart 2021 niet werden geconcretiseerd en partijen eind maart 2021 nauwelijks tot geen contact meer hadden, ging cliënt er (zoals gezegd) van uit dat zij weer in een periode van weinig omgang waren beland en de persoonlijke problematiek van aangeefster weer op speelde.
- 26.
Zoals cliënt dat bij eerdere fases van minder contact/omgang had gedaan, probeerde hij daarom in de periode van 26 maart 2021 t/m 19 april 2021 het contact met aangeefster weer op gang te brengen, onder meer door haar aan te bieden te helpen met haar problemen. Hiertoe wordt verwezen naar de in houd van de brief van 26 maart 2021 (met ansichtkaart), die op 27 maart 2021 bij het huisadres van aangeefster is bezorgd.
- 27.
Met die brief beoogde cliënt hetzelfde te bereiken als met voormelde e-mail, waarin cliënt o.a. iets geopperd had vóór de problemen van aangeefster en hij daarmee hoopte het contact met haar te herstellen. Dat lukte, aangezien aangeefster op 15 februari2021 reageerde dat zij het lief vond dat cliënt haar die e-mail had verstuurd en hem daarvoor bedankte. De bewuste brief volgde, omdat partijen al even geen contact meer hadden. Cliënt had het gevoel of het vermoeden dat aangeefster hem negeerde, ontliep of mogelijk zelfs geblokkeerd had. Gezien hun gezamenlijke verleden is het derhalve niet vreemd noch wederrechtelijk dat cliënt wilde weten of zijn gevoel/vermoeden, klopte.
- 28.
Cliënt probeerde het contact weer te herstellen of de mogelijk aflopende relatie te redden. Voor zover aangeefster geen relatie of zelfs geen contact meer met cliënt wilde, had ze, dat richting cliënt kenbaar dienen te maken en/of zijn vragen kunnen beantwoorden. Nu bleef cliënt in hetongewisse en ging hij ervan uit dat zij nog ‘in de relationele sfeer waren’, zoals hij bij de politie heeft verklaard (op pag. 138 van het eindp-v).
- 29.
Vandaar dat cliënt middels die brief beoogde dat aangeefster zijn gevoelens en vragen zou beantwoorden. Hieronder ook de vraag of het negeren dan wel ontlopen van de ander voor volwassenen een gepaste manier was om met elkaar om te gaan. Client kan zich om die redenen niet vinden in het oordeel van de rechtbank, dat cliënt wist dat aangeefster hem, negeerde dan wel geblokkeerd had, enkel en alleen omdat zij geen contact met hem wilde hebben, en hij daaruit redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij geen contact meer met hem wilde hebben.
- 30.
Dat cliënt, die rondom die periode ook een nieuw telefoonnummer kreeg, niet daadwerkelijk overal geblokkeerd was door aangeefster, blijkt uit het feit dat client in maart en in april 2021 nog enkele e-mail- en Whatsapp-berichten naar aangeefster heeft gestuurd om te vragen hoe het met haar ging en met haar emotionele/mentale welzijn, omdat partijen eerder ook over aangeefsters emotionele/geestelijke klachten hadden gesproken. Uit het procesdossier blijkt dat aangeefster het telefoonnummer op 10 april 2021 geblokkeerd heeft, en niet bijvoorbeeld na de Whatsapp-berichten van 27 maart 2021 en begin april 2021.
- 31.
Client hoorde steeds minder van aangeefster, waar dat eerder in hun relatie met periodes ook al was voorgekomen, en vroeg hoe het met haar ging. Hij probeerde juist duidelijkheid te krijgen, zodat het oordeel van de rechtbank dat cliënt vanaf 26 of 27 maart 2021 wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat aangeefster helemaal geen contact meer wilde, niet juist is.
- 32.
Dat aangeefster helemaal geen contact meer met cliënt wilde hebben, was hem op 8 april 2021 pas duidelijk, nadat zij dat per Whatsapp-bericht aan hem kenbaar had gemaakt. Dat zij in dat bericht onder meer beschreven had, dat zij al eerder(meerdere malen) had aangegeven met rustgelaten wilde worden, klopt niet. Dat was niet eerder aan cliënt medegedeeld. Dat aangeefster dat al (meerdere malen) aan cliënt kenbaar zou hebben gemaakt, wordt ook niet door enig objectief bewijsmiddel zijdens aangeefster ondersteund.
- 33.
Uit welk e-mailbericht of Whatsapp-bericht van aangeefster gericht aan cliënt blijkt dat zij aan cliënt heeft laten weten dat zij geen contact meer met hem wilde? Uit welk afschrift of screenshot van een telefoongesprek tussen partijen blijkt dit?
- 34.
Indien iemand, zoals aangeefster beweert en zoals zij op 8 april 2021voor het eerst heeft gedaan, kenbaar maakt geen contact meer te willen hebben en met rust gelaten wil worden, wordt dat kort en helder medegedeeld. Naar algemene ervaringsregels wordt dat niet gedaan in een telefoongesprek dat 50 of 46 minuten duurt, zoals de telefoongesprekken tussen partijen op 23 en 24 februari 2021.
- 35.
Overigens heeft aangeefster op donderdag 25 februari 2021 nog tweemaal naar cliënt gebeld, maar heeft hij die oproepen gemist:
(…)
- 36.
Naar aanleiding van die gemiste oproepen hebben partijen op 26 februari 2021 nog over en weer per Whatsapp contact gehad.
(…)
- 37.
Ook uit de gemiste oproepen en voormelde Whatsapp-berichten blijkt niet dat aangeefster geen contact meer met cliënt wilde hebben. Van telefoongesprekken of Whatsapp-berichten tussen partijen na dié data, waarin aangeefster beweerdelijk heeft laten weten dat zij geen contact meer met cliënt wilde hebben, is niet gebleken.
- 38.
Op 8 april 2021 hebben partijen nogmaals telefonisch contact gehad, zijnde een gesprek van 26 minuten. Mede vanwege de duur van het gesprek en het tijdsverloop sindsdien weet cliënt niet meer exact wat partijen hebben besproken, maar wel dat over hun relatie is gesproken en aangeefster op een aantal vragen van cliënt is ingegaan.
- 39.
Mogelijk dat aangeefster tijdens dit gesprek voor het eerst één keer of vaker tegen client heeft gezegd dat zij geen contact meer wilde en dat zij daar naar verwijst in haar Whatsapp-bericht van diezelfde datum. Meer precies, dat zij tijdens dat telefoongesprek enkele malen aan cliënt zou hebben laten weten dat zij geen contact meer wilde hebben en daaraan refereert in het Whatsapp-bericht en zij dus niet op eerdere data aan dient heeft laten weten dat zij geen contact meer wilde.
- 40.
Voor zover aangeefster vóór 8 april 2021 al enkele malen aan client zou hebben laten weten dat zij hem ‘beu was’ en geen contact wilde hebben, roept dit de vraag op waarom aangeefster op 8 april dan niet ‘kort en krachtig’ heeft gezegd dat zij met rust gelaten wilde worden. Indien dat het geval zou zijn geweest, was logisch geweest dat aangeefster het telefoongesprek binnen 1 of 2 minuten had beëindigd. Het is niet logisch dat partijen nog een telefoongesprek van 26 minuten voeren als zij al enkele malen zou hebben laten weten dat zij met rust gelaten wilde worden.
- 41.
De duur van dit telefoongesprek onderschrijft de verklaring van cliënt dat zij over hun relatie althans het einde daarvan hebben gesproken én dat aangeefster pas op 8 april 2021 voor het eerst heeft geantwoord op een deel van de vragen van cliënt. Indien aangeefster in de periode daarvoor al meerdere malen aan cliënt zou hebben gezegd om haaf met rust te laten en zij op dat moment al enkele weken door client zou worden belaagd, ligt het niet in de rede dat aangeefster op 8 april 2021 nog 26 minuten lang met client in gesprek is. Dan had aangeefster clients telefoonnumme ral veel eerder dan 10 april 2021 geblokkeerd. Dan had aangeefster het e-mailadres van cliënt geblokkeerd, wat überhaupt niét gebeurd is voor zover bij de verdediging bekend is. Op 8 april 2021 was client pas voor het eerst duidelijk dat zijn relatie met aangeefster definitief ten einde was en niet meer te herstellen was. Zodoende dient cliënt eveneens (partieel) te worden vrijgesproken van het beweerdelijk belagen van aangeefster in de periode van 26 maart 2021 t/m 8 april 2021, omdat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat het in die periode voor cliënt duidelijk was (of had moeten zijn) dat zijn relatie met aangeefster niet meer te herstellen was en dat zij ook geen contact/omgang meer met hem wilde hebben. In zoverre kunnen de handelingen van cliënt tot en met 8 april 2021 eveneens niet als wederrechtelijk worden aangemerkt, noch als een (stelselmatige) inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
- 43.
De verdediging verzoekt uw hof derhalve om cliënt voorts (partieel) vrij te spreken van het ten laste gelegde belagen van aangeefster in de periode van 26 maart 2021 t/m 8 april,2021.
- 44.
Waar client na een relatie van bijna één jaar (en omgang van 14 maanden) op 8 april 2021 voor het eerst duidelijk was, dat zijn relatie met aangeefster niet meer te herstellen was, resteren ‘slechts’ één of meer ten laste gelegde handelingen van na die datum, zoals het laatste contact dat cliënt op 10 april 2021 per Whatsapp met aangeefster heeft. Daarnaast het ten laste gelegde bericht met gedicht dat cliënt volgens de politie op 19 april (2021) op zijn Instagram-account heeft geplaatst, maar waarover hij helemaal niet gehoord is door de politie. Cliënt kan zich niet herinneren dit bericht met gedicht te hebben geplaatst, zodat onvoldoende (overtuigend) bewijs is geleverd dat cliënt verantwoordelijk is voor dit Instagram-bericht.
- 45.
Gezien het verleden tussen partijen, waarin periodes van veel contact/omgang werden afgewisseld met periodes van minder contact/omgang, alsmede de wijze waarop het contact verbroken wordt en cliënt in die periode al geruchten hoort dat aangeefster in haar omgeving ontkent ooit een relatie met client te hebben gehad, ziet de verdediging het laatste Whatsappcontact op 10 april 2021 tussen partijen — en het Instagram-bericht van 19 april voor zover voldoende (overtuigend) bewijs voorhanden is dat client dit bericht heeft geplaatst — niet als wederrechtelijke ‘stalkingshandeling’, zodat cliënt voorts van deze ten laste gelegde handelingen vanaf 10 april 2021 (partieel) vrijgesproken dient te worden. Hierover hierna meer.
De verdediging verzoekt uw Hof derhalve om dient voorts (partieel) vrij te spreken van het ten laste gelegde belagen van aangeefster in de periode van 10 april 2021 t/m 19 april 2021.
(…)
Subsidiair
- 50.
Voor zover uw Hof het Whatsapp-contact op 10 april 2021 en het Instagram-bericht van 19 april wel als wederrechtelijke gedragingen zou zien en/of van oordeel zou zijn dat cliënt vanaf 26 maart 2021 had moeten begrijpen dat aangeefster hélemaal geen contact meer met hem wilde hebben, acht cliënt niet bewezen dat met de ten laste gelegde handelingen een stelselmatige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster door haar te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of dat haar vrees is aangejaagd.
- 51.
Aangeefster is namelijk pas achteraf en indirect op de hoogte geraakt van de Instagramberichten die naar dhr. [betrokkene 1] zijn verzonden en/of van het Instagram-bericht van 19 april.
Voorts om die reden verzoekt cliënt uw Hof om hem (partieel) vrij te spreken van het beweerdelijk belagen van aangeefster in de periode tot en met 19 april 2021.
- 52.
Dhr. [betrokkene 1] heeft bij de politie onder meer verklaard, dat cliënt contact met hem zocht, ‘vrienden worden op Face book en zo’, maar dat hij daar niet op gereageerd heeft (pag. 113 en 114 van het eindp-v).
- 53.
Op pag. 28 van het eindp-v is een vriendschapsverzoek van Facebook te zien, van iemand die zich ‘Dhr. [verdachte]’ noemt. Niet gesteld noch gebleken is dat dit een Facebook-account van cliënt is of überhaupt aan hem te linken is. Uit het screenshot is evenmin op te maken aan welke persoon, d.w.z. welk Facebook-account, het betreffende vriendschapsverzoek is gericht, zodat het geen bewijs kan opleveren voorde ten laste gelegde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster(door het benaderen van dhr. [betrokkene 1] via Facebook).
- 54.
Wat betreft de Instagram-berichten van 15 en 17 april — waarbij geen jaartal zichtbaar is op het screenshot — blijkt hieruit dat vanaf een account waaraan de naam ‘[accountnaam 2]’ is gekoppeld, twee berichten naar dhr. [betrokkene 1] zijn gestuurd. In het eerste bericht is hem gevraagd hoe het met hem gaat en hoe lang hij al met [aangeefster] gaat. Een achternaam van die [aangeefster] wordt niet genoemd. In het tweede bericht wordt vermeld dat het wellicht een gevoelige vraag is, zodat hij maar moet kijken (of bij reageert). Client is niet over deze Instagram-berichten gehoord door de politie. Cliënt kan zich niet herinneren deze berichten te hebben verstuurd, zodat onvoldoende (overtuigend) bewijs is geleverd dat cliënt verantwoordelijk is voor het versturen van deze Instagram-berichten.
- 55.
Uit het procesdossier blijkt namelijk niet of cliënt die berichten heeft verzonden. Ook het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hierover geen opheldering verschaft. Gezien de overige bewijsmiddelen zou wellicht aangenomen kunnen worden dat cliënt die berichten heeft verzonden, omdat wordt gevraagd hoe lang die [betrokkene 1] al met [aangeefster] gaat, maar de vraag is of uw Hof op basis van die aanname (met voldoende overtuiging) bewezen kan verklaren dat cliënt dit heeft gedaan. Voor zover dat het geval is, resteert de vraag of met het versturen van die twee berichten naar dhr. [betrokkene 1] een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster is gemaakt.
- 56.
Met deze berichten is namelijk geen contact gezocht met aangeefster. Ook niet indirect, omdat in die twee berichten niet aan dhr. [betrokkene 1] is gevraagd om iets door te geven aan aangeefster.
Er wordt in eerste instantie slechts aan dhr. [betrokkene 1] gevraagd hoe het met hem gaat en hoe lang hij al met [aangeefster] gaat. In tweede instantie wordt opgemerkt dat de vraag wellicht gevoelig ligt en aan dhr. [betrokkene 1] wordt overgelaten of hij daar al dan niet op reageert. De heer [betrokkene 1] heeft vervolgens aan de politie laten weten dat hij geen reden zag op die berichten te reageren (op pag. 113 en 114 van het eindp-v), noch heeft hij verklaard dat hij die berichten als een inbreuk op zijn eigen levenssfeer dan wel de levenssfeer van aangeefster beschouwde.
- 57.
Nu in die berichten niet aan/van dhr. [betrokkene 1] is gevraagd om contact te leggen met aangeefster noch om de berichten zelf of een andere boodschap aan aangeefster door te geven, dhr. [betrokkene 1] niet op die berichten gereageerd heeft en zich kennelijk ook niet gestoord heeft aan die berichten, is daarmee geen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
- 58.
Uit het vonnis van de rechtbank is client (in elk geval) onvoldoende duidelijk geworden in hoeverre die twee berichten, gericht aan dhr. [betrokkene 1], tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster hebben geleid, laat staan een wederrechtelijke inbreuk. Die berichten zijn immers niet aan aangeefster gericht, noch aan haar verzonden, zodat zij niets hoefde te dulden doordat dhr. [betrokkene 1] die berichten heeft ontvangen.
- 59.
Gezien de tekst(en) gaat er evenmin enige dreiging of belediging jegens aangeefster uit van die berichten. Voorts in zoverre is aangeefster niet direct noch indirect gedwongen iets te dulden.
- 60.
Kortom, er kan geen wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster worden aangenomen, doordat deze twee berichten naar dhr. [betrokkene 1] zijn verzonden. De rechtbank heeft wel terecht overwogen dat de ten laste gelegde handelingen (van na 8 april 2021) zich in een relatief korte periode hebben voorgedaan, waarbij client onvoldoende duidelijk is geworden op grond waarvan de rechtbank in casu toch stelselmatigheid heeft aangenomen.
- 62.
De omstandigheden waaronder die handelingen (zouden) hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven van aangeefster maken immers niet dat die handelingen stelselmatig hebben plaatsgehad. Stelselmatigheid zou slechts aan de hand van de duur en de frequentie van die handelingen kunnen worden aangenomen.
(…)
- 65.
Wat aan de aard/inhoud of de frequentie van voormelde berichten dan zodanig intens was dat die berichten daarmee een (ernstige) wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster hebben gevormd, blijkt voor cliënt eveneens onvoldoende uit het vonnis van de rechtbank.
- 66.
De aard/inhoud van de brief en berichten van eind maart-begin april 2021 was namelijk dat cliënt in die periode zijn relatie met aangeefster probeerde te herstellen tot wat deze in de periode daaraan voorafgaand was. Tot eind februari 2021 hadden partijen namelijk nog regelmatig contact en omgang met elkaar en werd besproken om nieuwe dates in te plannen.
- 67.
De aard/inhoud van die berichten zag tevens op de situatie dat, voor zover aangeefster die relatie niet meer wilde voortzetten, cliënt een verklaring van aangeefster verlangde waarom dat het geval was. Of aangeefster, zoals cliënt via-via had vernomen, inmiddels mogelijk een relatie met dhr. [betrokkene 1] onderhield, was daarbij uiteraard relevant (voor client).
- 68.
Naar algemene ervaringsregels is in zoverre niet vreemd noch zijn handelingen zoals voormelde brief en berichten van cliënt als wederrechtelijk aan te mérken, als iemand die (mogelijk) door zijn partner verlaten wordt en de relatie hoopt voort te zetten in een tijdsbestek van ca, 2 weken daar een brief mét zijn gevoelens en vragen enerzijds en nog enkele berichten anderzijds aan wijdt, gericht aan de partner waarmee hij in contact wil komen nu het diegene ontbreekt aan enige uitleg over het gebrek aan contact en mogelijk het einde van een relatie van bijna één jaar (en omgang gedurende 14 maanden).
- 69.
Wat betreft de duur/frequentie ziet de tenlastelegging op één brief én enkele Whatsapp- en Instagram-berichten tussen 26 maart en 19 april 2021. Hierbij dient echter ook het verleden tussen partijen te worden meegewogen of die duur/frequentie maakt dat van een wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op dé persoonlijke levenssfeer van aangeefster kan worden gesproken. Meer precies, dat eerst de omgang en aansluitend de relatie tussen partijen in de 14 maanden voorafgaand aan die 26 maart, werd gekenmerkt door periodes waarin veel contact en omgang werden 'afgewisseld met periodes van minder contact en omgang.
(…)
- 117.
Dat aangeefster op enkele data vanaf 26 maart 2021 een brief (met kaart) en enkele Whatsap'p-berichten heeft ontvangen, partijen op 8 april 2021 26 minuten lang met elkaar gesproken hebben, partijen op 8 en 10 april 2021 per Whatsapp nog berichten hebben uitgewisseld, dienst volgens de verdediging anders te worden beschouwd dan wat er daarna is gebeurd.
- 118.
Op 10 april 2021 heeft cliënt nog één laatste maal per Whatsapp contact gehad met aangeefster, o.a., om aan te geven dat hij haar met rust zou laten, voordat zij het telefoonnummer van cliënt blokkeerde. Aan client is voorts ten laste gelegd dat hij op 15 en 17 april twee Instagram-berichten naar dhr. [betrokkene 1] zou hebben verstuurd, alsmede op 19 april op Instagram een bericht met gedicht over (zijn relatie met) aangeefster zou hebben geplaatst.
- 119.
Ook als uw Hof de voormelde handelingen van 26 maart t/m 19 april 2021 op dezelfde wijze zou beschouwen, oftewel dat client niet pas vanaf 8 april 2021 maar vanaf 26 maart 2021 al duidelijk had moeten zijn dat aangeefster geen contact meer met hem wilde hebben, zijn de voormelde brief en berichten gedurende korte tijd — een tijdsbestek van 24 dagen — en op een beperkt aantal dagen in de ten laste gelegde periode ter kennis van aangeefster gekomen, zodat daarin onvoldoende een (wederrechtelijke) stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster kan worden aangenomen, welke stelselmatigheid wel vereist is om tot een bewezenverklaring van belaging te kunnen komen.
- 120.
Ten slotte wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 maart 2011 ( NJ 2011, 228 en NbSr 2011/140), waarin overwogen is dat gedurende een periode van 2 maanden meedan 7 keer door de straat rijden, gezien de duur, de frequentie en de intensiteit van die gedragingen, niet als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer kon worden beschouwd. In casu gaat het eveneens om een beperkt aantal gedragingen in relatief korte tijd.
- 121.
Voorts om die reden wordt uw Hof verzocht om cliënt vrij te speken van de aan hem ten laste gelegde belaging (van 26 maart 2021 t/m 19 april 2021).
1.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
‘hij op tijdstippen in de periode van 26 maart 202 t tot en met 19 april 2021 te [a-plaats], althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door
- —
meerdere malen Whatsapp berichten te sturen en
- —
een brief en kaart te sturen aan die [aangeefster] en afte leveren aan het huisadres van die [aangeefster] en (vervolgens)
eenmaal naar het huisadres van die [aangeefster] te bellen met de kennelijke bedoeling om te verifiëren of een door verdachte aan die [aangeefster] verstuurde en/of afgegeven kaart is ontvangen en
- —
eenmaal een bericht op zijn, verdachtes, social media account (Instagram) te plaatsen waarin hij, verdachte, die [aangeefster] vermeldt en/of informatie over (zijn relatie met) die [aangeefster] deelt en
- —
meerdere malen de (toenmalige) vriend van die [aangeefster] (te weten [betrokkene 1]) te benaderen en/of berichten te sturen over die [aangeefster],
met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen en te dulden.’
1.4
Het hof heeft het volgende overwogen:
‘Gelijk de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld, stelt het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast, dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021 — direct dan wel indirect — contact heeft gezocht, gehad en onderhouden met aangeefster [aangeefster], middels navolgende handelingen:
- —
het meermalen verzenden van Whatsappberichten naar aangeefster op 27 maart 2021 en 2, 5, 8 en 10 april 2021;
- —
het op 26 april 2021 verzenden en/of afleveren van een brief en een kaart aan het woonadres van aangeefster en het bellen naar (het huisadres van) aangeefster, teneinde te verifiëren of de door de verdachte afgegeven kaart is ontvangen;
- —
het op 15 en 17 april 2021 de (toenmalige) vriend van aangeefster, [betrokkene 1] en te benaderen en berichten te sturen over aangeefster via zijn account op Instagram,
- —
op 19 april een bericht op zijn Instagramaccount te plaatsen waarin hij aangeefster vermeldt en informatie over zijn (relatie met) die [aangeefster] deelt.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte met voormelde gedragingen wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [aangeefster] en zich mitsdien schuldig heeft gemaakt aan de belaging van die [aangeefster].
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ter beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, stelt het hof voorop dat betekenis toekomt aan verschillende factoren, waaronder: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Deze in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren zijn daarbij in zekere mate communicerende vaten. Het gaat in dat verband niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte en de vraag of dat handelen in zijn totaliteit bezien voldoet aan de eisen die aan belaging in art. 285b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht worden gesteld. In dat verband geldt bijvoorbeeld dat een eventuele korte duur en een geringe frequentie van de gedragingen van verdachte kunnen worden gecompenseerd door de andere criteria, zoals de indringendheid en de aard van de gedragingen en de invloed van die gedragingen op hel persoonlijke leven van de getroffene.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021, op indringende en intensieve wijze contact heeft gezocht met aangeefster. Daartoe zijn door de verdachte meerdere Whatsappberichten aan aangeefster verstuurd, alsmede een brief en een kaart naar haar woonadres gestuurd en afgeleverd. Tevens heeft de verdachte naar (het woonadres van) aangeefster gebeld en naar haar geïnformeerd, alsmede een bericht betreffende aangeefster (en hun vermeende relatie) op zijn sociale media account geplaatst. Ten slotte heeft de verdachte meermalen via zijn sociale media account contact opgenomen met de toenmalig vriend van aangeefster.
De inhoud van de door verdachte aan aangeefster geschreven brief, die zij op 26 maart 2021 heeft ontvangen, voert het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte — in ieder geval — met ingang van 26 maart 2021 moet hebben geweten dat aangeefster niet gediend was zijn toenaderingen en dat zij op geen enkele wijze contact met hem wenste. Immers heeft verdachte in deze brief geschreven: ‘zo gaan volwassenen toch niet met elkaar om? Dit negeren, ontlopen, blokkeren elkaar toch niet?’. Met deze passage acht het hof het wederrechtelijk karakter van de handelingen van de verdachte per 26 maart 2021, en bijgevolg de daaropvolgende data tot en met 19 april 2021, gegeven. Niettegenstaande dat de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte zijn gepleegd in een betrekkelijk korte periode van 4 weken, is het hof — gelet het vorenstaande en zulks bezien in het licht van de hiervoor bedoelde vooropstelling — van oordeel dal sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hiertoe heeft het hof in het bijzonder de stelselmatigheid, de (persoonlijke) aard van de inhoud en de verscheidenheid van de handelingen van de verdachte — in hun totaliteit en samenhang beschouwd — in aanmerking genomen. Aangeefster heeft meermalen, ook na 26 maart 2021, aan de verdachte te kennen gegeven en duidelijk gemaakt dut zij niet gediend was van zijn toenaderingen. Zij heeft hiervan aangifte en klacht gedaan. De verdachte heeft aangeefster meerdere Whatsappberichten verstuurd, alsmede een brief en kaart op haar woonadres bezorgd en afgegeven en aldus in haar privé-omgeving gebracht. Voorts is ook de (toenmalig) partner van aangeefster door de verdachte benaderd. Aangeefster heeft zich aan dit alles niet kunnen onttrekken en heeft deze inbreuk op haar levenssfeer moeten dulden.’
1.5
De bewezenverklaring steunt voorts op de volgende bewijsmiddelen:
‘1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 mei 2021 (pg. 3–6), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster]:
Op dinsdag 24 december 2019 ben ik [verdachte] tegengekomen. Wij hebben op een vriendschappelijke manier contact gehad. Ik merkte dat [verdachte] meer wilde, maar ik had een relatie. [verdachte] wilde graag met mij verder in een relatie. Ik gaf het een kans en was benieuwd of wij bij elkaar konden passen. Uiteindelijk heeft hij (het hof begrijpt (telkens): [verdachte]) mij begin december verkering gevraagd. Ik heb toen gezegd dat ik dat niet wilde, omdat ik vond dat wij niet bij elkaar pasten. Ik heb aangegeven alleen nog als vrienden contact te willen houden. Dit kon hij echter niet accepteren. Hij bleef mij berichten sturen en bellen. Uiteindelijk heb ik [betrokkene 1] ontmoet. Ik werd verliefd en kreeg begin februari een relatie met hem. Sindsdien word ik gebeld. Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer 1]. Naast telefoontjes stuurde hij mij daarop verschillende brieven, enkele kaarten en meerdere sms'jes. Hij weet niet van ophouden.
Hij is ook bij mijn huis langs geweest om brieven te posten. Vervolgens heef hij naar mijn huistelefoon gebeld, waarna mijn moeder opnam. Hij wilde mij helpen herinneren dat er post voor me was. Ik was op dat moment niet thuis. Op deze brief stond mijn naam, dus het was in één opslag duidelijk dat deze brief voor mij bestemd was, maar toch belde hij op om het te bevestigen, hopend dat ik de telefoon op nam in plaats van mijn moeder. Dit is op 26 maart 2021 geweest.
Ook plaatst [verdachte] (het hof begrijpt telkens: [verdachte]) ‘posts’ op zijn verhaallijn die betrekking hebben op mij. Op deze berichten op Facebook en Instagram word ik met naam en toenaam genoemd. Hier heb ik enorm veel verdriet van, omdat ik hier geen controle over heb. Daarnaast voel ik me heel erg aangekeken. Ik durf niet meer in het dorp op het terras te gaan zitten. Ook benadert [verdachte] op Instagram (…) mijn vriend [betrokkene 1] (…). Mijn vriend [heeft] ontzettend veel last van [verdachte], omdat hij niet wil stoppen. Hij blijft maar berichten plaatsen, vriendschapsverzoeken sturen en andere manieren vinden om contact te zoeken met mij en naasten.
Ik heb er zoveel last van, het beheerst mijn hele leven. Ik besef dat ik continu bezig ben met de situatie waarin ik verkeer en [dat ik] angstig ben. Ik kijk altijd om mij heen, voordat ik van huis vertrek. Ik heb al enkele keren bij [verdachte] aangegeven dat ik met rust wil worden gelaten, via Whatsapp en telefonisch. Ik heb [verdachte] geblokkeerd op alle ‘social media’ en via mijn telefoon. Het telefoonnummer van [verdachte] was [telefoonnummer 2]. Nu is zijn nummer [telefoonnummer 3]. Niks lijkt hem te stoppen, ik ben bang waar dit gaat eindigen. Ik wil dat hij hiervoor vervolgd wordt, zodat dit niet ongestraft zich blijft vervolgen. Het stalken moet stoppen, ik wil mijn leven weer vervolgen zonder gevoelens van angst, paniek en stress door [verdachte].
In de bijlage bij de aangifte heb ik zoveel mogelijk bewijs verzameld zodat te zien is wat [verdachte] allemaal stuurt in mijn richting en andere(n).
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 3 mei 2021 (pg 7–8), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
Op maandag 3 mei 2021 heb ik, als hulpofficier van justitie van (het hof begrijpt: de politie-eenheid) Oost-Brabant te [b-plaats] een mondelinge klacht ontvangen terzake van stalking.
(…)
3. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 4 juni 2021 (pg. 9–11), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [aangeefster]:
V: Wat kun je vertellen over de brieven die je hebt ontvangen?
Ik kreeg er nog twee op 26 maart (het hof begrijpt: 2021). Dat was een brief en een kaart. Daarvoor belde [verdachte] ook naar mij op en toen sprak mijn moeder met hem.
V: Je hebt ook berichten ontvangen via de Whatsapp?
A: Dat klopt, ik heb een nummer geblokkeerd van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte]).
A: Mijn eigen account is [accountnaam 1] (…) bij Instagram
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2021 (pg. 12–14), met bijlagen (pg. 15–112) voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:
Op maandag 3 mei 2021 werd door aangeefster [aangeefster] aangifte gedaan ter zake van stalking. Door de aangeefster werd bewijs aangeleverd, zijnde schermafdrukken vanaf haar telefoon.
Bijlage 1: betreffende: Schermafdrukken van social media accounts (pagina 23) 1.
(…)
Je hield het tegen mij zelfs nog vol, samen hand in hand, Nu blijkt, tegelijk ook bij anderen aan de hand .
Zet je mensen zo grof aan de kant?
Toen ineens niet meer bestaan en vergeten
Niemand anders mag iets weten
Weet de ander van dit spel of niet?
Waarom verberg, ontken en verwijder je veel van ons,
Zodat niemand het gelooft, hoort of ziet?
Het maakt niet uit.
Het doet alleen pijn en verdriet
Ongeloof Waarom? is dit de manier?
Ik geloofde niet dat jij dit was/zo kan zijn
ik geloofde in wat jij mij beloofde…
Totaal niet verwacht na al het goede wat we elkaar hebben gebracht
Eén open en eerlijk gesprek is/was genoeg
Is dat teveel, wat ik van je vroeg?
Of durf je de confrontatie niet aan, na wat je hebt gedaan?
De manier waarop…die hebt je zelf gekozen…
Jammer dat het zo moet, het doet niemand goed
Ik heb niks te verbergen, niks was schijn en ik kom ervoor uit omdat het, na alles, mij wat doet.
Ik ben in deze altijd open eerlijk en oprecht
En ik denk dat je daar nu tegen- en met jezelf vecht.
Dank [aangeefster], voor de mooie tijd! Ik werd er foxwild van.
@[accountnaam 1]
(…)
Bijlage 2: betreffende vriendschap verzoeken (pagina 27) (…)
[betrokkene 1] kerel,
Hoe is het?
Haha wellicht een rare en directe vraag voor mijn beeldvorming. Maar ik vraag dat liever gewoon bij de bron. Hoe lang ga je al met [aangeefster]?
Wellicht gevoelige vraag en wellicht iets van meegekregen mja kijk maar altijd goed.
Bericht verzoek van [accountnaam 2] accepteren?
Bijlage 8.2: betreffende brieven en kaarten (pagina's 84–90)
De brief zit in een enveloppe welke is geadresseerd [aangeefster] [aangeefster] en op de andere zijde staat [b-straat 1]. Ik zie dat op de brief aan de linkerzijde bovenaan ‘[a-plaats], maart 2021’ staat geschreven. Ik zie dat het handschrift ogenschijnlijk overeenkomt met het handschrift van de hierboven omschreven kaart. De brief omvat drie A4-tjes. Een passage uit de brief betreft;
‘De wijze waarop je nu met me omgaat begrijp ik echt niet. Al helemaal niet als ik je dat dat ik enorm gekwetst ben. Zo gaan volwassenen toch niet met elkaar om? Dit negeren, ontlopen, blokkeren elkaar toch niet? Ik ben absoluut niet perfect, maar deze manier is echt niet correct.’
Ik zie dat de brief is ondertekend met de woorden ‘Groetjes, [verdachte]’.
Bijlage 8.3: kaart
De kaart is geadresseerd [aangeefster] [aangeefster] en ondertekend met Groetjes, [verdachte]. De kaart hoort bij de brief en dat maak ik op uit de tekst die erbij is geschreven ‘Vandaar bijgevoegde brief’
Bijlage 6: betreffende whatsappberichten (pagina's 61–63)
De aangeefster verklaarde dat ze meerdere Whatsapp berichten had ontvangen van [verdachte]. ik zie dat de berichten worden verzonden vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer 3].
[27-03-2021, 18:16:42] [telefoonnummer 3]:
joe joe, Hierbij mijn nieuwe nummer. Hoop dat het oke met je gaat Heb wat in je bus gedaan bij je thuis. Groetjes, [verdachte]
[27-03-2021, 19:29:24] [telefoonnummer 3]:
Jo je man weet ervan want ik wist niet of ik je naam erop had gezet [02-04-2021 07:48:37) [telefoonnummer 3]:
Joo goedemorgen, ik ga en wil je verder niet lastigvallen ofzo maar vroeg me alleen even af of je mijn brief hebt ontvangen. Deze heb ik met zorg samengesteld en het zou fijn zijn als je iets laat weten. Het is verder ook aan jou wat je er mee wil doen/wil op reageren [onleesbaar] [telefoonnummer 3]:
Als je zin hebt in een … of …wandeling morgen let me know.
[onleesbaar] [telefoonnummer 3]:
[aangeefster],
Bericht op Insta heb ik al aangepast. Hoe dan ook, hoeveel we ook verschillen of elkaar niet begrijpen praten is en blijft het beste. Dat kunnen we beiden denk ik niet ontkennen. Ik merk ook dat je in de negatieve dingen blijft hangen en vind het jammer dat je we van alles zoveel en slechte dingen ziet terwijl je er niet eerst naar vraagt. Ik hoop dat je een beetje begrijpt dat ik alles uit liefde heb gedaan. En dat meen ik oprecht. Het is erg jammer dat je zegt dat de brief je niks doet. Dat gaat … over mijn gevoelens voor jou. Het enige wat ik gezegd heb tegen anderen is dat we altijd van elkaar hielden/leuk vonden (dat hadden we tegen elkaar uitgesproken) en dat we leuke dingen aan het doen waren en dat ik er enorm kapot van wat dat het zo abrupt eindigt. Daarom en omdat ik om je geef heb ik die brief gestuurd. Niks meer niks anders wat je dat niet zelf enigszins niet kunnen verwachten als je zelf ineens alles afkapt verwijderd (…) zonder gesprek, dat de ander vragen kan hebben…? Enkel van die vragen zijn o.a. heb je ooit wel gevoelens gehad voor mij en heb je van mij gehouden zoals je had gezegd? Waren we ‘zomaar’ over de toekomst/onze moeders/ons/esc. huis aan het praten en al die intieme leuke dingen aan het doen? (…) staat nog in de brief.
Zoals in die brief wil ik je wel nogmaals vragen om derhalve er een keer open over is praten. Dat hoeft niet nu of morgen maar wanneer het jou schikt. Dat is het enige dat ik vraag. En het zou fijn zijn als je iig even aangeeft of je (…) een keer zou willen doen?
Ik wil ook je rust respecteren maar zonder tegenbericht van jou, zal ik eind april een opnieuw berichten.
[08-04-2021 20.44:41]
[aangeefster]: [verdachte] ik wil geen contact. Ik wil dat jij me met rust laat. Ik heb je net aan de telefoon verteld dat ik niks van je wil en de reden is dat ik ons niet bij elkaar vind passen. Deze reden heb ik je wel al tien keer verteld. Ik heb jou al meerdere keren uitgelegd waarom ik dat vind. Voor mij valt er niks meer uit te leggen en wil ik echt dat je stopt met me lastig vallen. Ik wil niet meer praten. Hopelijk heb je respect voor mij en kan je dit tonen. Ik hoop dat je het los kan laten.
[10-04-2021 19.30:29] [telefoonnummer 3]
[aangeefster] jij vraagt respect aan mij? Na alles wat je hebt gezegd on gedaan de laatste tijd tegen hij? Heb je jezelf horen praten aan de telefoon? Moet dat (…) tegen en waarom? En wat is nu het probleem om dat face to face persoonlijk te zeggen? Vind je dan niet dat je eerst zelf ook respect moet geven? Als je zegt van mij gehouden te hebben al helemaal. Notabene je eigen woorden aan de tel maar waarom doe je dat dan niet.
Ik wil heel graag dat jij dan stopt met mij veroordelen voor het een zonder dingen te vragen/(…) bij mij. Je gelooft slechts roddels of dingen die je hoort. Ook dat je stopt met mij proberen de schuld te geven van jou angst in vertrouwen en alleen zijn. En van mijn open en eerlijkheid. Er zijn nog genoeg vragen (…) (oa zie boven). Jij beantwoord deze niet, je legt deze niet uit, ontwijkt alles, speelt met mijn gevoelens, doet alsof (…) niet besta en hebt tegen me gelogen en enorm gekwetst. Dat je zelfs daar niet op ingaat is ook al erg jammer on pijnlijk waarom? Heb jij al eens nagedacht wat dat met iemand kan does? Heb je wat te verbergen?
En ik weet allang meer dan je denkt. Jij zegt tegen mij dat je naast mij destijds ook iemand anders zag/mee bezig was (net zoals je zei dat je al vreemdging met mij destijds), dus dat dubbelspel heb je zelf aangegeven en (….) nog doorgelogen toen ik het direct vroeg en doe je nu weer. Via via hoorde ik al dat je regelmatig vertoeft in de [wijk], 1+1=2. Dus ook daaruit blijkt helaas dat jij degene bent die niet open en eerlijk is geweest. Zo jammer dat ik dat niet van jou hoor. Je durft nu zelfs mij en andere mensen die ik ken niet onder ogen te komen of ontwijk je (oa onze [naam] in de winkel en in [a-plaats]). En als je mij blokkeert, ontloopt, ontkent en ontwijkt heb je dan wat te verbergen? En voor wie? Die andere kerel? Ik kan vast zeggen dat je daar nu heel vaak zit. Toen al en nu alweer meteen. Je patroon waar je het over had herhaal je nu zelf.
[aangeefster], je weet heel goed wat je hebt gedaan tegen mij en dat ik het doorhad en die open en eerlijkheid komt jou nu slecht uit, vanwege je ‘ander belang’. Je houdt niet alleen mij naar ook die ander voor de gek. Weet hij überhaupt van ons? Of is het daarom dat je zo reageert?
Daarom betreur ik het ten zeerste dat je hier zo mee omgaat en als helemaal dat je schijnbaar vind dat dit een fatsoenlijke nette manier vindt om uit elkaar te gaan.
[aangeefster], ik wilde niet geloven dat jij zoiets kunt doen/zeggen na alles. Ik wilde niet geloven dat jij dit bent. Vandaar ook zoveel vragen. Maar als dit jij wel bent, je ware gezicht is, dan heb ik me helaas enorm vergist. Sorry.
Ik zal het hierbij laten, mar als je het nog eens wilt heroverwegen om erover te praten hoor ik het graag.
[10-04-2021 20:12:05] [telefoonnummer 3]. u hebt dit contact geblokkeerd’
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 juni 2021 (pg. 99–103), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige [getuige]:
Het begon eigenlijk vanaf het moment dat [aangeefster] zei dal ze geen verkering met hem (het hof begrijpt telkens: de verdachte [verdachte]) wilde. Daarna werden er allemaal berichten gestuurd en ook post. Het heftigste vond ik toen [aangeefster] een andere jongen had leren kennen en toen kwam de social media erbij. Ik hoorde later van [aangeefster] dat zij duidelijk tegen hem had gezegd dat ze geen relatie met hem wilde. Ik hoorde van [aangeefster] dat hij zei dat dit het lot was en dat ze bij elkaar hoorden. Ik las het ook op een kaart die naar ons was gestuurd. Ik las het ook in een brief die hij bij ons in de brievenbus heeft gedaan. Hij belde daar later ook over op. Ik kwam thuis van het werk en ik hoorde dat mijn huistelefoon ging. Ik hoorde dat het [verdachte] was en dat hij aangaf dat er een brief in de bus was gedaan en dat deze voor [aangeefster] bedoeld was. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet meer wist of hij de naam van [aangeefster] er op had gezet, ik ging kijken in de brievenbus en ik zag dat er een kaart en een brief in de brievenbus lag. Ik zag dat op beide de naam van [aangeefster] stond. Ik kreeg de indruk dat hij mij had gebeld om er zeker van te zijn dat ik het zou lezen. Ik merk aan mijn dochter dal ze heel onrustig is. Zij durft niet naar een terras te gaan of zich vrij te bewegen zoals altijd. Wij sluiten de poort en [aangeefster] sluit haar auto als ze weg gaat met de auto. [aangeefster] is altijd op haar hoede en is bang dat [verdachte] ergens in de buurt is als ze weg gaat.
6. Het proces-verbaal van verhoor geinige d.d. 28 september 2016 (pg. 113–115), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [betrokkene 1]:
V: Waar ken jij [aangeefster] van?
A: [aangeefster] is mijn vriendin.
V: Wanneer kregen jullie een relatie?
A. Wij kregen een officiële relatie rond december of januari, volgens mij januari (het hof begrijpt: 2021).
V. Wanneer hoorde jij dat er wat speelde tussen [verdachte] en [aangeefster]?
A: ik merkte een maand nadat wij een relatie hadden dat [aangeefster] overstuur was. Zij vertelde mij dat zij nog steeds appjes kreeg van [verdachte]. [verdachte] zocht ook contact met mij op. [aangeefster] wil nog steeds dat alle deuren op slot gedaan worden. Zij kijkt steeds over haar schouder, bang dat hij haar volgt.
7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 september 2021 (pg. 129–139), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte]:
V: Op welk adres woont en verblijft u?
A: Op [b-straat 1] te [a-plaats].
V: Van welke social media maakt u gebruikt?
A: Instagram en Whatsapp, dat is eigenlijk wel het voornaamste.
V: Wat is de accountnaam van uw Instagram account?
A: dvhooff.
V: Door [aangeefster] en haar moeder wordt verklaard dat je een brief in de brievenbus hebt gedaan bij hun woning. Wat kun je daarover verklaren?
A: Zou goed kunnen, want ik heb haar een brief gestuurd.
V: Wanneer was dat?
V: Op de brief staat maart 2021 geschreven. Klopt dat, was het in maart?
A: Dat kan.
V: Er zijn nog meer poststukken bezorgd en het handschrift op deze post komt overeen met jouw handschrift. Hoe kun je dat verklaren?
A: Ik heb een keer een kaartje gestuurd (…).
V: Heb je toen nog op een andere manier geprobeerd contact met [aangeefster] te krijgen?
A: Misschien telefonisch.
V: [aangeefster] verklaarde dal je haar ook meerdere malen hebt gebeld. Klopt dat?
A: We hebben diverse keren wederzijds contact gehad ja.
V: Vanaf welk telefoonnummers helde je haar?
A: Met mijn eigen telefoonnummer. Dat is het telefoonnummer wat bij jullie bekend is en mijn vorige telefoonnummer. Dat weet ik niet meer welke dat geweest is.
V: En hoe zocht je nog meer contact?
A: Via de Whatsapp. Daarmee hebben wij normaal altijd contact gehad.
V: Klopt het dat [aangeefster] je blokkeerde op de Whatsapp?
A: Ja.’
1.6
Belaging in de zin van art. 285 Sr vereist een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander vereist. De kern van het belagingsdelict zit in het stelselmatige karakter van de gedragingen.2. Blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn daarbij de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen, alsook de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, van belang.3. Het gaat hier om een totaalbeeld dat uit de (verschillende) gedragingen van de verdachte naar voren komt, zonder dat één van de hiervoor genoemde factoren doorslaggevend hoeft te zijn.4. Men kan zeggen dat deze beoordelingsfactoren zich als ‘communicerende vaten’ tot elkaar verhouden.5. Hoewel het voor het bewijs van belaging niet noodzakelijk is dat het slachtoffer voorafgaand aan een in art. 285b Sr omschreven gedraging aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt geen contact met hem of haar te willen, kan het wel van belang zijn bij beantwoording van de vraag of zich belaging voordoet.6. Het ‘inbreuk maken’ op de persoonlijke levenssfeer impliceert dat de betrokkene niet gediend is van het gedrag van de dader.7. Hiervoor is niet vereist dat sprake is van ernstige emotionele gevolgen of een enorme verstoring van het dagelijkse leven, althans van een zeer ingrijpende of diepgaande invloed op het persoonlijke leven en de vrijheid van het slachtoffer; de inbreuk hoeft in die zin dus niet substantieel of aanzienlijk te zijn (geweest) om tot het bewijs van belaging te kunnen komen.8.
1.7
Wat betreft (de uitleg van) de stelselmatigheid heeft de wetgever aansluiting willen zoeken bij het toenmalige wetsvoorstel Bijzondere opsporingsbevoegdheden.9. Hieruit volgt dat onder stelselmatigheid wordt verstaan: ‘met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie’. Als vuistregel kan gelden dat naarmate het gedrag vaker voorkomt er eerder van stelselmatigheid kan worden gesproken.10. Dat betekent evenwel niet dat een relatief korte duur en/of een beperkte frequentie van gedragingen het bestaan van ‘stelselmatigheid’ altijd uitsluit(en). Dat hoeft zeker niet het geval te zijn wanneer de inbreuk in de persoonlijke levenssfeer ‘compenserend’ als zeer indringend kan worden aangemerkt.11. Gesteld zou kunnen worden dat naarmate de aard en de intensiteit van de inbreuken indringender zijn, en de invloed op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer ingrijpender, aan de duur en de frequentie van de inbreuken minder hoge eisen behoeven te worden gesteld. Vanwege de brede casuïstiek is een vast omlijnde ondergrens niet te trekken. Of sprake is van stelselmatigheid zal aan de hand van het samenstel van de beoordelingsfactoren van geval tot geval beoordeeld moeten worden. De feitenrechter geniet in die beoordeling en de afweging van de factoren grote vrijheid.12.
1.8
Het ‘inbreuk maken’ op de persoonlijke levenssfeer van een ander kan bestaan uit dezelfde repeterende gedraging, maar ook uit een variëteit aan gedragingen. In dit delictsbestanddeel ligt reeds besloten dat de ander niet gediend is van het storende gedrag van de dader.13. Niet wordt verlangd dat sprake is van ernstige emotionele gevolgen of van een enorme verstoring van het dagelijkse leven, of van een zeer ingrijpende of diepgaande invloed op het persoonlijke leven en de vrijheid van het slachtoffer. De inbreuk hoeft in die zin niet substantieel of aanzienlijk te zijn (geweest) om tot het bewijs en de kwalificatie van belaging te kunnen komen.14. Dat zou namelijk niet in overeenstemming zijn met de gewijzigde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot strafbaarstelling van belaging. Daaruit volgt immers dat te dezen het effect van de gedragingen op het slachtoffer aan objectieve maatstaven wordt getoetst. Verder behoeven de gedragingen zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken: ook familieleden, de werkgever, collega's, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd, aldus de hiervoor genoemde memorie van toelichting.15.
1.9
Er moet sprake zijn van opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Opzet omvat ook het voorwaardelijk opzet. Voldoende in dit verband is dat de verdachte weet heeft gehad van de strekking van zijn handeling.16. De delictsbestanddelen ‘wederrechtelijk’ en ‘stelselmatig’ worden, zo laat de wettekst al zien, niet door het opzet bestreken.17. De belager hoeft er dus geen weet van te hebben dat wat hij doet strafbaar is en dat het slachtoffer zijn gedragingen als onrechtmatig ervaart. Voorts vereist de strafbepaling het oogmerk op het de ander dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Het moet gaan om een doelgerichte inbreuk (van een zekere indringendheid) op de persoonlijke levenssfeer van een bepaald persoon of een bepaalde groep personen die daartoe, als object van het handelen van de belager, door hem of haar is uitgekozen. Onder oogmerk is begrepen het zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn. Voor belaging betekent dit noodzakelijkheidsbewustzijn dat de belager moet hebben beseft dat het dwingen van het slachtoffer een noodzakelijk gevolg was van zijn gedragingen.18. Het oogmerk dient gericht te zijn geweest op het die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Niet nodig is dat de belaagde daadwerkelijk vrees is aangejaagd of dat hij door de belaging daadwerkelijk is gedwongen iets te dulden of iets (niet) te doen. Uit de parlementaire stukken bij (kort gezegd) het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van belaging kan worden opgemaakt dat voldoende is dat het gedrag van de belager ‘in het algemeen geschikt en geëigend [is] om een bepaalde opstelling teweeg te brengen’.19. In de literatuur wordt de opvatting gehuldigd dat het bewijs voor oogmerk gauw gegeven is, met name wanneer de variant ‘met het oogmerk om die ander te dwingen iets te dulden’ ten laste is gelegd. Het stelselmatig lastigvallen van een ander impliceert namelijk al snel dat de verdachte daarmee de bedoeling heeft gehad de ander te dwingen zijn gedrag te dulden, nu dat gevolg noodzakelijkerwijs voortkomt uit het telkens weer verrichten van bepaalde gedragingen jegens de ander. Het door de verdachte met zijn gedragingen beoogde resultaat zal voor de belaagde veelal het moeten dulden van dat gedrag impliceren.20. Van belaging was bijvoorbeeld sprake in een zaak waarin drie anoniem verzonden sms-berichten gaandeweg specifieker en indringender werden, refereerden aan de functionele betrokkenheid van [slachtoffer] bij een grootschalig opsporingsonderzoek naar wapenhandel, die tot angst voor haar eigen veiligheid en die van haar kinderen en tot ontwrichting van haar sociale leven leidden, en haar belemmerden in haar werk, en zelfs teweegbrachten dat zij tijdelijk in het buitenland is ondergebracht.21.
1.10
In het arrest heeft het hof een aantal in een beperkte periode (ongeveer 25 dagen) gepleegde handelingen als ‘belaging’ aangemerkt. Wat betreft de aard de duur en de intensiteit valt het volgende uit de bewijsvoering te distilleren dat in een periode van 25 dagen (slechts) een aantal berichten heeft gestuurd. Deze zijn niet dreigend van aard, geen tijdstippen midden in de nacht, waarbij kort na het laatste appje aangeefster het telefoonnummer heeft geblokkeerd. Voorts valt uit dit bewijsmiddel (4) op te maken dat op 8 april 2021 de aangeefster expliciet mededeelt dat ze geen contact wenst en dat de verdachte is zijn laatste app bericht van 10 april mededeelt het hierbij te laten, waarna kort hierna het nummer wordt geblokkeerd. Voorts is sprake van slechts één ansichtkaart en één brief, waarbij een deel van inhoud van de brief is opgenomen in bewijsmiddel 4, welke tekst neerkomt op het vragen van een uitleg. De toon is niet agressief. De tekst op de ansichtkaart verwijst naar de toegevoegde brief en is houdt verder alleen in ‘Groetjes’. Voorts is in de periode (slechts) éénmaal gebeld naar de huistelefoon van aangeefster, waarbij haar moeder heeft opgenomen en waarbij de verdachte heeft willen verifiëren of de brief is of werd gelezen. Voorts zijn twee korte berichten gestuurd naar de vriend van aangeefster op Instagram, waarbij vast is komen te staan dat deze vriend het vriendschapsverzoek niet heeft geaccepteerd. Uit de bewijsmiddelen volgt daarnaast dat verdachte éénmaal een bericht op zijn eigen Instagram account heeft geplaatst waarin de aangeefster voorkomt.
1.11
Het oordeel van het hof dat deze handelingen van de verdachte wat betreft de aard, de duur en met name de intensiteit dusdanig zijn dat daarmee sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b Sr getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan is dat oordeel onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof dat de verdachte in de periode van 26 maart 2021 tot en met 19 april 2021, op indringende en intensieve wijze contact heeft gezocht met aangeefster schiet te kort in het licht van hetgeen door de verdediging ten aanzien van de duur, frequentie en inhoud van de contacten heeft aangevoerd en hetgeen bewezen is verklaard en in de bewijsmiddelen is vastgesteld. De duur van de gedragingen is immers zeer beperkt; wat betreft de aard blijkt slechts van een paar whatssapp berichtjes en berichtjes op social media; éénmaal een ansichtkaartbrief in de brievenbus en nabellen. Qua intensiteit/frequentie derhalve bijzonder gering. Qua indringendheid is erop gewezen dat de inhoud niet bedreigend is geweest, maar pogingen zijn geweest om in contact te komen uit uitleg te krijg, dan wel duidelijkheid. De berichtjes zijn veelal kort en in één geval een gedicht. Van communicerende vaten, te weten dat als een van deze elementen niet of nauwelijks aanwezig is, maar een andere element juist prominent wel aanwezig is, is dan ook geen sprake.
1.12
Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 38v en 38w Sr alsmede 359 jo. 415 Sv, en wel omdat het gedragsvoorschrift, inhoudende dat verdachte voor de duur van 2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in het gebied [a-straat], [postcode] te [a-plaats], zijnde het woonadres van [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum]1995, te onbepaald is geformuleerd en het hof abusievelijk verzuimd heeft in het dictum te bepalen dat de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan één van die verplichtingen wordt voldaan zeven dagen bedraagt, waarbij op grond van artikel 38w lid 3 Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt, zodat de strafoplegging niet in stand kan blijven.
Toelichting
2.1
In het arrest heeft het hof bewezenverklaard, dat:
‘hij op tijdstippen in de periode van 26 maart 202 t tot en met 19 april 2021 te [a-plaats], althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster], door
- —
meerdere malen Whatsapp berichten te sturen en
- —
een brief en kaart te sturen aan die [aangeefster] en afte leveren aan het huisadres van die [aangeefster] en (vervolgens)
eenmaal naar het huisadres van die [aangeefster] te bellen met de kennelijke bedoeling om te verifiëren of een door verdachte aan die [aangeefster] verstuurde en/of afgegeven kaart is ontvangen en
- —
eenmaal een bericht op zijn, verdachtes, social media account (Instagram) te plaatsen waarin hij, verdachte, die [aangeefster] vermeldt en/of informatie over (zijn relatie met) die [aangeefster] deelt en
- —
meerdere malen de (toenmalige) vriend van die [aangeefster] (te weten [betrokkene 1]) te benaderen en/of berichten te sturen over die [aangeefster],
met het oogmerk die [aangeefster] te dwingen iets te doen en te dulden.’
2.2
In het arrest heeft het hof onder meer beslist:
‘Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
(…)
legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in het gebied [a-straat] 22., [postcode] te [a-plaats], zijnde het woonadres van [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum]1995);
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 6 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de toepassing van die vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren pp geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum]1995);
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 6 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij toepassing van die vervangende hechtenis de verplichtingen in gevolgde de opgelegde maatregel niet opheft;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het bewezenverklaarde tot een bedrag van (…)
(…)’
2.3
In het arrest heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende dat verdachte voor de duur van 2 (twee) jaren zich niet zal ophouden in het gebied [a-straat], [postcode] te [a-plaats], zijnde het woonadres van [aangeefster] (geboortedatum: [geboortedatum]1995). In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van art. 38v Sr is aangegeven dat een gebiedsverbod in de zin van art. 38v Sr de exacte omschrijving moet bevatten van het gebied waarbinnen de veroordeelde niet mag komen.23. Het moet — net zoals bij bijzondere voorwaarden in geval van een voorwaardelijke veroordeling — duidelijk zijn wat het gedragsvoorschrift precies inhoudt, zodat de verdachte zich aan dit voorschrift kan houden en toezichthoudende instanties hun werk kunnen doen.24. Uit het arrest zou kunnen volgen dat het gebied dat bedoeld is slechts de woning aan de [a-straat 1] betreft. Nu uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat dit de woning van aangeefster is en aangeefster het zelf in haar macht heeft verdachte al dan niet toe te laten tot haar woning ligt deze lezing/uitleg niet voor de hand. Daar komt nog bij dat verdachte op dat moment al het contactverbod zou overtreden. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat kennelijk het gebied rondom de woning is bedoeld. Bij het ontbreken van een straal of een aanduiding van een binnen bepaalde straten ingesloten gebied, is het gedragsvoorschrift evenwel te onbepaald geformuleerd zodat de strafoplegging niet in stand kan blijven. Terzijde wordt opgemerkt dat de postcode van de woning gelegen aan de [a-straat 1] [postcode] is en niet [postcode].
2.4
In het arrest is voorts gesteld dat het hof zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel(en) wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 6 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden. Dat is evenwel (kennelijk abusievelijk) niet in het dictum vermeld zodat ook hierom het arrest niet in stand kan blijven.
2.5
Indien het arrest niet vanwege het hier bovenstaande Middel I wordt vernietigd zal de Hoge Raad de strafoplegging zelf kunnen aanpassen door alsnog het gebied nader te bepalen25. en te bepalen dat de sanctietoemetingsbeslissing van het hof wat betreft de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, zo moet worden verstaan dat aan de verdachte één vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd waarbij de verdachte wordt bevolen zich niet op te houden in een bepaald gebied en tevens wordt bevolen zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon, en dat de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan één van die verplichtingen wordt voldaan zeven dagen bedraagt, waarbij op grond van artikel 38w lid 3 Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.26.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 31 januari 2025
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑01‑2025
Stellers: gelet op het vonnis betreft dit een bericht op Instagram van 19 april.
CAG Hofstee 20 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:402 (voorafgaand aan HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:841).
HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394, m.nt. Reijntjes. Herhaald in o.a. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1949, NJ 2018/427, HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:418 en HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:174, NJ 2022/97.
CAG Hofstee 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1025 (voorafgaand aan HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2577, NJ 2017/403) en 2 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:537 (voorafgaand aan HR 25 augustus 2020, ECLI:NL:HR:2020:1318). Zie voorts de conclusie van de huidige PG Bleichrodt van 30 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:65.
CAG Wortel vóór HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7081 (niet gepubliceerd) en door A-G Hofstee aangehaald in zijn conclusie van 29 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1025. Zie ook S.A.A. van ‘t Klooster, ‘Belagingsslachtoffers achtergesteld. Een analyse van het stelselmatigheids-bestanddeel en de bewijsvergaring door slachtoffers in belagingszaken’, DD 2022/13, p. 11.
HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1447, NJ 2015/280 (r.o. 3.5).
Zie ook Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5 (gewijzigde MvT), p. 16.
HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3495. Zie ook S. van der Aa, Stalking in the Netherlands: nature and prevalence of the problem and the effectiveness of anti-stalking measures (diss.), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu Uitgevers 2010, p. 90–91.
Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5 (gewijzigde MvT), p. 17 in verbinding met Kamerstukken II 1996/97, 25403, nr. 3 (MvT), p. 27. Zie ook Van der Aa, a.w., p. 82.
Aldus ook Van 't Klooster in haar reeds genoemde artikel in DD 2022/13, p. 10.
Zie HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/393, m.nt. Reijntjes en CAG Hofstee vóór HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2577, NJ 2017/403 (ECLI:NL:PHR:2017:1025).
CAG Hofstee 21 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1008.
Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5 (gewijzigde MvT), p. 16. Zie ook Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 285b, aant. 1 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; actueel t/m 4 februari 2023).
Zie HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3495, en voorts S. van der Aa, Stalking in the Netherlands: nature and prevalence of the problem and the effectiveness of anti-stalking measures (diss.), Apeldoorn/Antwerpen: Maklu Uitgevers 2010, p. 90–91.
Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest; zie de gewijzigde MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5, p. 14.
CAG Hofstee 1 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1006. In dezelfde zin A.B. van der Velde, ‘Over het oogmerkbestanddeel in artikel 285b Sr, dwang en heimelijke belaging’, NTS 2020, nr. 5, p. 341.
Zie in zoveel woorden de gewijzigde MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 768, nr. 5, p. 16.
Zie Van der Velde, t.a.p., p. 345, de noot van T. Kooijmans onder HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:673, NJ 2020/228 en de noot van D.H. de Jong onder HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710, NJ 2004/426.
HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625, NJ 2013/393 m.nt. Reijntjes.
Zoals gewijzigd in het herstelarrest d.d. 12 juni 2023.
Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 3, p. 5. Zie voorts HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338.
Vgl. CAG Harteveld 18 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:586.
Zie in dit verband HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1147, NJ 2024/278.
Vgl. HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:61.