Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/V.3.3.3
V.3.3.3. De eenzijdige of meerzijdige erfovereenkomst, mede in het licht van de ‘Wechselbezüglichkeit’
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS581537:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. § 2298 Abs. 2 BGB.
MünchKomm – Musielak, vor § 2274, Rn. 24.
Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 718.
§ 2298 BGB ziet niet op eenzijdige beschikkingen. Het lot van deze beschikkingen wordt bepaald door §§ 2085, 2279 en 2299 Abs. 3 BGB. Zie Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, § 2298, Rn. 4 en 11 en § 2299, Rn. 7 e.v. Palandt-Edenhofer, BGB, § 2298, Rn. 1 e.v.
Vóóroverlijden: § 1923 BGB en § 2160 BGB; verwerping: § 1953 BGB, § 2180 Abs. 2 BGB. Andere gronden waarop de beoogde verkrijger ‘wegvalt’: ‘Erbverzicht’, § 2352 BGB; vervulling voorwaarde, § 158 BGB en § 2075 e.v. BGB en onwaardigheid, § 2339 e.v. BGB.
Nieder,Testamentsgestaltung, Rn. 719. Zie ook Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, § 2298, Rn. 8 en 9.
§ 2085 BGB: ‘Die Unwirksamkeit einer von mehreren in einem Testament enthaltenen Verfügungen hat die Unwirksamkeit der übrigen Verfügungen nur zur Folge, wenn anzunehmen ist, dass der Erblasser diese ohne die unwirksame Verfügung nicht getroffen haben würde.’
Nieder, Testamentsgestaltung, Rn. 719. Zie ook Mayer in Dietman-Reimann-Bengel, Kommentarteil Teil C, § 2298, Rn. 8 en 9.
De erfovereenkomsten worden in Duitsland in bepaalde categorieën ingedeeld. In het bijzonder wordt de volgende indeling gemaakt:
De eenzijdige erfovereenkomst versus de twee- of meerzijdige erfovereenkomst;
De erfovereenkomst ‘om baat’ versus de erfovereenkomst ‘om niet’.
De erfovereenkomst om baat en de erfovereenkomst om niet zullen in par. 3.3.4 van dit hoofdstuk aan de orde komen. Thans aandacht voor de eenzijdige erfovereenkomst en de twee- of meerzijdige erfovereenkomst.
In een eenzijdige erfovereenkomst (‘einseitiger Erbvertrag’) treft slechts één partij bindende beschikkingen, terwijl in de twee- of meerzijdige erfovereenkomst twee of meer partijen bindend beschikken. In een erfovereenkomst hoeft niet per se beschikt te worden ten gunste van de partij(en) bij de overeenkomst. Ook een beschikking ten gunste van een derde is mogelijk. Bij de eenzijdige erfovereenkomst aanvaardt de ene partij de bindende beschikking van de ander. Met de aanvaarding is overigens niet gezegd dat de beschikking niet meer verworpen zou kunnen worden.1 Degene die niet bindend beschikt, zou wel eenzijdig (en dus herroepelijk) in het betreffende stuk kunnen beschikken.
De tweezijdige erfovereenkomst (‘zweiseitiger/gemeinschaftlicher Erbvertrag’) bevat bindende beschikkingen van beide partijen. Zoals gezegd hoeven partijen niet per se ten gunste van elkaar te beschikken. Is dit wel het geval dan wordt van een ‘gegenseitiger Erbvertrag’ gesproken.2
In het geval van tweezijdige erfovereenkomsten zijn de beschikkingen in beginsel ‘wechselbezüglich’, dat wil zeggen van elkaar afhankelijk (§ 2298 BGB).3 Hierin is het belang van een indeling gegeven. Voor de tweezijdige erfovereenkomsten geldt min of meer: ‘do ut des’. Het ‘wechselbezügliche karakter’ geldt als uitgangspunt, tenzij van een andere wil van partijen, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, uitgegaan moet worden, aldus § 2298 Abs. 3 BGB.
Als sprake is van ‘Wechselbezüglichkeit’, dan heeft dit tot gevolg dat in geval van nietigheid van een bindende beschikking alle bindende beschikkingen van beide partijen niet werken. Indien een ‘terugtreedrecht’ is overeengekomen, waarover hierna in par. 3.5 van dit hoofdstuk meer, dan heeft het terugtreden tot gevolg dat ook de bindende beschikkingen van de ander vervallen (§ 2298 Abs. 1 en 2 BGB).4 Een en ander tenzij het verval zou indruisen tegen de vermoedelijke wil van de partijen, aldus § 2298 Abs. 3 BGB. Het Erbvertrag wordt in deze zin behandeld als een kaartenhuis.
Ook indien een bindende beschikking geen gevolg heeft – anders dan op grond van nietigheid of op grond van terugtreding – omdat bijvoorbeeld de beoogde verkrijger, die niet contractspartij is, is vóóroverleden of onwaardig is,5 kan dit consequenties hebben voor andere beschikkingen. Volgens de heersende leer6 zou dit op grond van § 2279 BGB juncto § 2085 BGB7 tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld de beschikkingen van de één vervallen omdat de beschikking van de ander ten behoeve van een derde geen gevolg heeft. Een en ander voor zover de één de beschikkingen niet getroffen zou hebben zonder de beschikking van de ander ten behoeve van de derde. Ook hier een afhankelijkheid van beschikkingen van elkaar. Een en ander doet denken aan dwaling in de beweegreden van art. 4:43 lid 2 BW. § 2085 BGB speelt bij het Erbvertrag omdat sprake is van een einheitliches Rechtsgeschäft, zodat voldaan wordt aan ‘mehreren in einem Testament enthaltenen Verfügungen’, zoals § 2085 BGB verlangt.
De vraag doemt daarbij op of het bij ons, zonder wetswijziging, mogelijk is eenzijdige beschikkingen te koppelen en te laten vervallen indien de ander niet zoals verwacht testeert. Ik verwijs naar par. 7 van hoofdstuk VI. Bij het gemeinschaftliches Testament wordt in § 2270 Abs. 2 BGB in minder ruime mate uitgegaan van de ‘Wechselbezüglichkeit’ van de beschikkingen dan in § 2298 BGB. De ene beschikking vervalt slechts met de andere indien sprake is van nietigheid of een herroeping, aldus § 2270 Abs. 1 BGB. Anders dan bij het Erbvertrag komt § 2085 BGB niet in beeld. Het betreft immers twee afzonderlijke uiterste willen. Dit leidt tot de conclusie dat indien een beschikking zonder gevolg is op andere gronden dan de in § 2270 Abs. 1 BGB vermelde, geen sprake is van verval van de beschikkingen opgenomen in het testament van de ander. Met een Erbvertrag kan men beschikkingen derhalve in beginsel in ruimere mate van elkaar afhankelijk maken.8 Ik verwijs naar par. 4.3.3 van dit hoofdstuk.
Ik denk dat het bovenstaande voldoende aantoont dat ook hier uitleg een belangrijke rol speelt. Ik wijs nog op § 2298 Abs. 3 BGB:
‘Die Vorschriften des Absatzes 1 und des Absatzes 2 Sätze 1 und 2 finden keine Anwendung, wenn ein anderer Wille der Vertragschließenden anzunehmen ist’,
en de passage:
‘wenn anzunehmen ist, dass der Erblasser diese ohne die unwirksame Verfügung nicht getroffen haben würde’
uit § 2085 BGB.
Uitleg moet mijns inziens zoveel mogelijk vermeden worden. Ook wettelijke regels van uitleg als § 2298 BGB verdienen in dezen geen aanbeveling, zij het dat ze in de huidige regeling de pijn verzachten. Een regeling zou niet alleen, zoals hiervoor aangegeven, in zich moeten dragen dat uitdrukkelijk in de beschikking aangeven moet worden welke beschikkingen erfrechtelijk bindend zijn, maar ook welke beschikkingen afhankelijk zijn – en in hoeverre afhankelijk – van de werking van andere beschikkingen. Dit alles op straffe van ‘herroepelijkheid’ en ‘onafhankelijkheid’. Dat het opmaken van dergelijke beschikkingen slechts mogelijk is door tussenkomst van een specialist staat mijns inziens buiten kijf.
Voor de goede orde merk ik op dat het ‘wechselbezüglich-zijn’ van de beschikkingen slechts van belang is voor het geschetste ‘kaartenhuis-gevolg’, en als zodanig los staat van de erfrechtelijke gebondenheid van de erflater. Bij het gemeinschaftliches testament daarentegen is de ‘Wechselbezuglichkeit’ de voorwaarde voor het intreden van de typisch aan het gemeinschaftliches testament gekoppelde rechtsgevolgen, waaronder begrepen de erfrechtelijke binding. Ik verwijs naar par. 4.3 van dit hoofdstuk.