Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.3.4.5:7.3.4.5 Derdelanden
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.3.4.5
7.3.4.5 Derdelanden
Documentgegevens:
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS299553:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Had de eerste prejudiciële vraag betrekking op de situatie waarin de lening aan de Britse debiteur werd verstrekt door een moedermaatschappij die was gevestigd in een andere lidstaat, de tweede prejudiciële vraag onderscheidde een aantal gevallen waarin de lening afkomstig was van een zustermaatschappij van de debiteur. Het hof oordeelde dat de vrijheid van vestiging dan alleen van toepassing kon zijn als de gezamenlijke moedervennootschap van de debiteur en de crediteur in de EU was gevestigd.
Was de gezamenlijke moedervennootschap in de EU gevestigd dan deed het er niet toe of de vestigingsplaats van de crediteur zich in een andere lidstaat of in een derdeland bevond. In de woorden van het Hof van Justitie EG was de vrijheid van vestiging van toepassing: ‘wanneer de kredietnemer een lening krijgt van een andere niet-ingezeten vennootschap die, ongeacht haar plaats van vestiging, zelf wordt gecontroleerd door een in een andere lidstaat gevestigde vennootschap die direct of indirect een dergelijke deelneming in het kapitaal van de kredietnemer heeft.’1
Wanneer de gezamenlijke moedervennootschap van de debiteur en de crediteur evenwel niet in de EU was gevestigd, kon de vrijheid van vestiging niet van toepassing zijn, zelfs niet wanneer de vestigingsplaats van de crediteur zich wel binnen de EU bevond. Het Hof oordeelde namelijk dat:
‘artikel 43 EG juncto artikel 48 EG voor de vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, het recht meebrengt om in de betrokken lidstaat hun bedrijfsactiviteit uit te oefenen door middel van een dochteronderneming, een filiaal of een agentschap.
98 De toepassing van een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding aan de orde is op een situatie waarin een ingezeten vennootschap een lening krijgt van een niet-ingezeten vennootschap die zelf geen zeggenschapsdeelneming in de kredietnemer heeft en die beide vennootschappen direct of indirect worden gecontroleerd door een gemeenschappelijke moedermaatschappij die op haar beurt in een derde land is gevestigd, kan dus niet onder artikel 43 EG vallen.’2
In dat geval waren het vrije verrichten van diensten en het vrije verkeer van kapitaal evenmin van toepassing. Het Hof van Justitie EG herhaalde namelijk dat de Britse regeling tegen onderkapitalisatie hoofdzakelijk in de vrijheid van vestiging ingreep: ‘Zo deze wettelijke regeling het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van kapitaal beperkt, zijn deze beperkingen een onvermijdelijk gevolg van een eventuele belemmering van de vrijheid van vestiging en rechtvaardigen zij niet dat die wettelijke regeling wordt getoetst aan de artikelen 49 EG en 56 EG.’3