De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.6.1:1.6.1 Wetenschappelijke relevantie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/1.6.1
1.6.1 Wetenschappelijke relevantie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949300:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Onderwijsraad, Een ander perspectief op professionele ruimte in het onderwijs, Den Haag 2016, p. 9, Buer 1990, Luthe 2003, Fauser 1986 en Rux 2003 en Noorlander 2005 p. 95-103.
Stb. 2017, 85, artikel 31a van de Wpo, artikel 7.8 van de Wvo 2020, artikel 4.1a.1 van de Web en artikel 31a van de Wec.
Zie bijvoorbeeld Huisman en Vermeulen 2007.
Zie bijvoorbeeld Brekelmans en van Es 2019.
Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1243.
Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5125.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met dit onderzoek naar de autonomie van de leraar wordt beoogd bij te dragen aan het vergroten van de kennis over de juridische positie van de leraar bij het geven van onderwijs en het afnemen van examens. Hierover is tot op heden weinig bekend. Het is in de eerste plaats van belang te onderzoeken wat de autonomie van de leraar precies inhoudt en wat de ratio hiervan is. Hierover bestaan in de literatuur namelijk uiteenlopende opvattingen (zie ook § 2.4).1 Er wordt bijvoorbeeld gesteld dat autonomie noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van leraar, het beroep aantrekkelijk maakt, in het belang van de leerling is en regeldruk in het onderwijs tegengaat. Om de autonomie van de leraar nader te duiden is van belang vast te stellen wat verstaan wordt onder deze autonomie en wat hier de ratio van is.
In de afgelopen jaren zijn er een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd in de positie van de leraar die nog weinig bestudeerd zijn. Zo is in 2017 de Wet beroep leraar in werking getreden waarmee onder meer het lerarenregister werd ingevoerd en waarmee in de Wpo, Wvo 2020 en Web werd vastgelegd dat de leraar binnen de kaders van het onderwijskundig beleid van de school moet beschikken over voldoende zeggenschap over onder meer de inhoud van de lesstof.2 Die bepaling is een vreemde eend in de bijt. Vanuit het perspectief van artikel 23 van de Grondwet komt de taak om het onderwijs in te richten toe aan het bevoegd gezag; de zeggenschap van de leraar blijft met dit artikel beperkt tot de ruimte die bestaat in het bestaande beleid van de school. Om de positie van de leraar bij het geven van onderwijs in de huidige tijd te begrijpen, is het van belang zijn autonomie te onderzoeken en daarbij deze nieuwe bepalingen over het beroep van de leraar te betrekken.
Daarnaast is naar de verhouding tussen het bevoegd gezag en de leraar bij het geven van onderwijs nog weinig onderzoek gedaan, terwijl deze van grote invloed kan zijn op de autonomie van de leraar.3 Wel zijn er studies gedaan naar de arbeidsrechtelijke situatie van de leraar en naar zijn bevoegdheids- en bekwaamheidseisen.4 De verhouding tussen de leraar en het bevoegd gezag bij het geven van onderwijs is van belang omdat dit mede bepalend is voor de autonomie die de leraar als professional heeft bij het geven van onderwijs. In hoeverre hier ruimte voor is, zal afhangen van het beleid, de regels en de instructies van het bevoegd gezag. Het is dan ook van belang te onderzoeken hoever de bevoegdheid van het bevoegd gezag reikt om hiermee de autonomie van de leraar te beïnvloeden.
Ook is het de vraag hoe de autonomie van de leraar en de rechtsbescherming van de leerling zich tot elkaar verhouden als het de beoordeling van een examen betreft. Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2019 blijkt dat de bevoegdheidsverdeling tussen de burgerlijke rechter en bestuursrechter vragen op kan roepen.5 In casu werd tot de Hoge Raad geprocedeerd om de vraag te beantwoorden welke rechter bevoegd is een oordeel te vellen over de beoordeling van een centraal examen Frans. Die vraag wordt gecompliceerd door artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb waaruit voortvloeit dat geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter tegen een beoordeling van een leerling die ter zake is geëxamineerd. In de praktijk zijn er evenwel situaties waar de bestuursrechter alsnog (indirect) oordeelt over dergelijke beslissingen. Daarnaast toetst ook de burgerlijke rechter beslissingen inzake examens zeer terughoudend.6 In het kader van de rechtsbescherming van de leerling is het dan ook van belang te onderzoeken in welke mate rechtsbescherming openstaat bij de beoordeling van examens en in het verlengde daarvan welke invloed dit heeft op (de autonomie van) de leraar.
Tussen de verschillende onderwijssectoren bestaan grote verschillen in de wijze waarop de student wordt geëxamineerd. Zo wordt het primair onderwijs afgesloten met een schooladvies en doorstroomtoets, die wordt opgesteld en beoordeeld door een externe toetsaanbieder, terwijl het examen in het hoger onderwijs bestaat uit verschillende tentamens die worden opgesteld en beoordeeld door de examinator. De verschillen tussen de onderwijssectoren beïnvloeden de autonomie van de betreffende leraren bij het nemen van examenbeslissingen. Waarom grote verschillen bestaan in de wijze van examineren tussen de verschillende onderwijssectoren is niet bekend; ook is niet duidelijk wat dit betekent voor de autonomie van de leraar. Het is dan ook van belang dit nader te onderzoeken.