Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.3.10
11.3.10 De latere heffing moet geheel zijn verzekerd
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491748:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook bijvoorbeeld Essers & Van Zadelhoff, TFO 1998/21, onderdeel 2.3.4.
Vgl. Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 12. De fiscale indeplaatstreding wordt onderzocht in onderdeel 11.3.11.
Zie ook het Beleidsbesluit V-N 2001/8.7, onderdeel 5. Dit is het voormalige beleidsbesluit over de bedrijfsfusieregeling van art. 14 Wet VPB 1969. Vgl. ook Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.4.1.3, p. 348-349.
Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 54. Zie ook onderdeel 12.5.9.
Zie hierover ook het Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 3.2 (afsplitsing) en het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 3.2 (zuivere splitsing).
Vgl. ook Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 12.
Zie hierover onderdeel 11.6.2.1.
Kamerstukken II 2004/05, 29 686, nr. 6, p. 8. Zie hierover ook de onderdelen 11.3.11.2 en 11.3.11.4.
De wettelijke doorschuifregeling van art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969 kan niet worden toegepast indien de latere heffing niet is verzekerd. Dit vereiste moet worden gezien als een extra slot op de deur of vangnet.1 In ongecompliceerde gevallen is de latere heffing namelijk doorgaans verzekerd omdat de verkrijger(s) op grond van art. 14a, lid 2, slotzin, Wet VPB 1969 fiscaal in de plaats treedt (treden) met betrekking tot al hetgeen dat zij in het kader van de splitsing verkrijgen.2
Ondanks de fiscale indeplaatstreding is het denkbaar dat de latere heffing van vennootschapsbelasting (volgens de wetgever) niet geheel is verzekerd.3 Ik geef een aantal voorbeelden:4
De afsplitsende rechtspersoon kan een lichaam zijn dat slechts subjectief belastingplichtig is voor zover hij een (materiële) onderneming drijft. Denk aan stichtingen en verenigingen. Indien de hele (materiële) onderneming als gevolg van de afsplitsing overgaat, eindigt de subjectieve belastingplicht van de afsplitser. Tussen deze afsplitser en de verkrijger(s) kan een onderlinge rechtsverhouding blijven bestaan (of na de afsplitsing ontstaan), bijvoorbeeld omdat een verkrijger geld leent, een pand huurt of een immaterieel activum gebruikt van de afsplitser. In die gevallen is de betaalde vergoeding in beginsel aftrekbaar bij de verkrijger(s) terwijl de daar tegenoverstaande bate onbelast is bij de niet langer subjectief belastingplichtige afsplitser.5
Een splitsing kan fiscaal begeleid tot stand worden gebracht zonder dat daarbij positieve fiscale winst wordt behaald.6 Is de actuele waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen die bij de splitsing overgaan lager dan de fiscale boekwaarde daarvan, dan wordt zelfs feitelijk een (latent) verlies doorgeschoven.7
Als gevolg van de splitsing kunnen onderlinge verhoudingen tussen de splitsingspartners tenietgaan, zoals onderlinge vordering-schuldrelaties en onderlinge participatieverhoudingen. Het is denkbaar dat op dergelijke onderlinge relaties een fiscale claim rust.8
Vermogensbestanddelen van de splitsende rechtspersoon kunnen als gevolg van de splitsing het bereik van de vennootschapsbelasting verlaten, bijvoorbeeld omdat zij overgaan naar het hoofdhuis van een in het buitenland gevestigde verkrijgende rechtspersoon.9 In dat geval dreigt claimverlies omdat Nederland na de splitsing niet heffingsbevoegd is over dat vermogen.
Als direct gevolg van een splitsing kan een vordering in waarde dalen terwijl de vordering-schuldrelatie intact blijft. De staatssecretaris wil voorkomen dat de schuldeiser een afwaarderingsverlies op zo’n vordering in aanmerking kan nemen.
Bij een zuivere splitsing verdwijnt de splitsende rechtspersoon. Bij deze splitser kan direct vóór het splitsingstijdstip nog een opwaarderingsreserve ex art. 13ba, lid 1, Wet VPB 1969 aanwezig zijn. Zo’n reserve representeert een belastingclaim.10 In het geval van een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing is volgens de wetgever doorgaans niet vanzelfsprekend dat met betrekking tot de opwaarderingsreserve is voldaan aan de eis dat de latere heffing is verzekerd.11
Bij een of meer splitsingspartners is een latent liquidatieverlies in de zin van art. 13d of art. 13e Wet VPB 1969 aanwezig. Komt dit liquidatieverlies na het splitsingstijdstip tot uitdrukking, dan zou dit verlies zonder flankerende maatregelen kunnen worden verrekend met de hele nasplitsingswinst van de betreffende verkrijgende rechtspersoon.
In al deze situaties is een fiscaal gefaciliteerde splitsing slechts mogelijk op verzoek (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969). Daarbij worden standaardvoorwaarden aan de fiscale facilitering verbonden waarmee, kort gezegd, moet worden voorkomen dat belastingclaims verloren gaan of verrekeningsmogelijkheden worden uitgebreid.