Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.4.2:10.3.4.2 A., B., C. and D.
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.4.2
10.3.4.2 A., B., C. and D.
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197336:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze zaak betrof vier advocaten die ieder een partnership waren aangegaan met twee vennootschappen en een handelaar. Het doel was om kunstmatig fiscale verliezen te behalen met de “commodity futures” handel, die afgezet konden worden tegen de winsten van hun advocatenpraktijk. In augustus 1977 dienden de advocaten een verzoek in bij de belastinginspecteur om rekening te houden met de verliezen. Op 25 november 1977 maakte de Britse regering haar voornemen bekend om de aftrek van dit soort kunstmatige verliezen te bestrijden. Op 11 april 1978 werd aangekondigd dat dit met terugwerkende kracht zou geschieden tot 6 april 1976.
De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens oordeelde dat de terugwerkende kracht niet in strijd was met artikel 1 Eerste Protocol:
“The applicants have complained that the general interest did not require Section 31 to have a retrospective effect. However the Commission notes that Section 31 was enacted to counteract a specific form of tax avoidance, the effectiveness of which was already at doubt. It also notes that the applicants’ tax liabilities for the relevant year had not been settled before Section 31 was applied to them and especially that the applicants’ claim relates to their entitlement to have an artificial loss, incurred in a non-commercial venture, taken into account in reducing their existing tax liabilities which in themselves they did not dispute.
Taking these factors into account, together with the explanation which the United Kingdom Government provided when Section 31 was enacted to the effect that retrospection was necessary if this form of avoidance was to be effectively prevented, the Commission concludes that the application of Section 31 to the applicants was not excessive having regard to the provisions of Article 1 of the First Protocol of the Convention.”
Een belangrijk gegeven is dat een specifieke vorm van belastingontwijking werd bestreden waarvan de effectiviteit al eerder in twijfel was getrokken. Het was dus onduidelijk of de fiscale planning van de advocaten überhaupt wel zou werken. Terugwerkende kracht was dus mogelijk niet eens nodig geweest om de belastingontwijking effectief te bestrijden. De zaken hadden ook voor de rechter gebracht kunnen worden. In dat geval zou echter wel een risico hebben bestaan dat de belanghebbenden toch in het gelijk zouden zijn gesteld zodat ze de kunstmatige verliezen wel in aftrek konden brengen.
De terugwerkende kracht diende echter nog een nevendoel. Zij werd nodig geacht om een signaal af te geven aan de “tax industry” dat de regering het gebruik van kunstmatige opzetjes om belasting te ontwijken actief en desnoods met terugwerkende kracht zou bestrijden. Dit beoogde preventieve effect van de terugwerkende kracht werd door de Commissie ook genoemd bij de omstandigheden die de terugwerkende kracht aanvaardbaar maakten. Het door de Commissie genoemde argument dat “the applicants’ tax liabilities for the relevant year had not been settled before Section 31 was applied (…)” begrijp ik echter niet. Sector 31 is de met terugwerkende kracht ingevoerde bepaling waardoor de verliezen uit handel in commodity futures niet meer afgezet konden worden tegen ander inkomen. Dat de “tax liabilities for the relevant year had not been settled” begrijp ik aldus, dat de belastingaanslagen van de advocaten nog niet vaststonden toen section 31 van toepassing werd. Dit suggereert dat het voor de aanvaardbaarheid van terugwerkende kracht relevant is of de fiscus al dan niet al een aanslag heeft opgelegd over het belastingjaar waarnaar de later pas ingevoerde wetgeving terugwerkt. Dit lijkt me onjuist, want het zou de wetgever een onaanvaardbare vrijheid geven om met terugwerkende kracht fiscale maatregelen ten nadele van belastingplichtigen te nemen zolang hun belastingaanslagen over de periode in het verleden nog maar niet definitief zijn geregeld, hetgeen de overheid zelf in de hand heeft. Aangezien dit argument in latere rechtspraak van het EHRM niet meer terugkomt, ga ik ervan uit dat het inzag dat het ongeldig is.