Vgl. HR 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5166, rechtsoverweging 3.3.
HR, 07-03-2025, nr. 23/03651
23/03651
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-03-2025
- Zaaknummer
23/03651
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:360, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑03‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:3779
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑03‑2025
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/432
Viditax (FutD) 2025030715
FutD 2025-0493
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/289
NTFR 2025/448 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
V-N 2025/12.12 met annotatie van Redactie
NLF 2025/0590 met annotatie van Fleur Kossen
FED 2025/51 met annotatie van M.H.W.N. Lammers
BNB 2025/68 met annotatie van A.J.H. van Suilen
Uitspraak 07‑03‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/03651
Datum 7 maart 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2023, nr. 21/01744, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/4184) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, alsmede een verzoek om ambtshalve vermindering van deze aanslag en beschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door L.M. Lalji, advocaat te Amsterdam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door L.M. Lalji voornoemd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 8 februari 2019 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 opgelegd (hierna: de aanslag). Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het door belanghebbende voor dat jaar aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd van € 20.487 tot € 495.355 en heeft hij bij beschikking verliezen van de jaren 2008, 2009, 2012 en 2013 tot een totaalbedrag van € 14.407 verrekend (hierna tezamen: de verliesverrekening). Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 120.972 opgelegd en € 15.833 aan belastingrente in rekening gebracht (hierna tezamen ook: de beschikkingen).Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt.
2.2
Met dagtekening 13 april 2019 is aan belanghebbende over het jaar 2015 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd. Daarbij is de verliesverrekening teruggenomen.Bij brief van 24 september 2019, door de Inspecteur ontvangen op 25 september 2019, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.
2.3
Bij uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2019 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag en de beschikkingen ongegrond verklaard.
2.4
Bij brief van 2 december 2019 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ingediend. Bij brief van 2 maart 2020 heeft hij die gronden aangevuld.
2.5
Bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2020 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag en dat verzoek in hetzelfde geschrift afgewezen. Met betrekking tot de door belanghebbende – in zijn hiervoor in 2.4 vermelde brieven – aangevoerde inhoudelijke bezwaren tegen het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning, heeft de Inspecteur vermeld dat, indien belanghebbende van mening is dat de aanslag te hoog is vastgesteld, hij een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag kan doen.
2.6
Belanghebbende heeft op 16 juli 2020 beroep ingesteld bij de Rechtbank.Voor zover het beroep ziet op de aanslag en de beschikkingen, heeft de Rechtbank het beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.Voor zover het beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.De Rechtbank heeft het rechtstreekse beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag eveneens ongegrond verklaard, op de grond dat de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning terecht heeft vastgesteld op € 495.355.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Het Hof heeft, voor zover in cassatie van belang, vastgesteld dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft ingetrokken zijn beroepsgronden gericht tegen (i) de niet-ontvankelijkverklaring door de Rechtbank van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag, en (ii) de niet-ontvankelijkverklaring door de Inspecteur van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag. Het Hof heeft verder vastgesteld dat als geschilpunt in hoger beroep resteert of de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag terecht heeft afgewezen.
3.2.1
Bij zijn beoordeling van het geschil heeft het Hof vooropgesteld dat in de beslissing van de Rechtbank over de ontvankelijkheid van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag, de beslissing ligt besloten dat het beroep betreffende de op hetzelfde aanslagbiljet bekendgemaakte vergrijpboete niet-ontvankelijk is. Het Hof heeft die beslissing overgenomen.
3.2.2
Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat het verzoek om ambtshalve vermindering (zie hiervoor in 2.5), gelet op zijn bewoordingen, uitsluitend betrekking heeft op de navorderingsaanslag en niet tevens op de aanslag en de beschikkingen. De navorderingsaanslag behelst, aldus het Hof, uitdrukkelijk niet de vaststelling van het (verzamel)inkomen uit werk en woning over 2015 van € 495.355 en de in dit kader door de Inspecteur toegepaste redelijke schatting. Bedoeld inkomen uit werk en woning is namelijk al vastgesteld bij de aanslag. Gelijktijdig met de aanslag is ook de vergrijpboete opgelegd.Dit een en ander brengt volgens het Hof mee dat bezwaren tegen de hoogte van het inkomen uit werk en woning en tegen de vergrijpboete niet in de bezwaar- en/of beroepsprocedure tegen de navorderingsaanslag aan de orde hebben kunnen komen.
3.3
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur in de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag – ondanks dat het bezwaarschrift zich hier niet tegen richtte – de beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag terecht alleen heeft toegespitst op de terugname van de verliesverrekening. Belanghebbende kon de afwijzing van dat verzoek redelijkerwijs niet opvatten als behelzende een beslissing met betrekking tot de hoogte van het in de aanslag opgenomen inkomen uit werk en woning en de daarbij opgelegde vergrijpboete, aldus het Hof.
3.4
De hiervoor in 3.2 en 3.3 weergegeven oordelen hebben het Hof tot de conclusie geleid dat in de beroepsprocedure bij de Rechtbank alleen de terugname van de verliesverrekening bij de navorderingsaanslag aan de orde kon komen. Hieruit volgt, aldus het Hof, dat het rechtstreeks ingestelde beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag terecht ongegrond is verklaard.Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
Middel 2 betoogt onder meer dat het Hof ten onrechte niet de hiervoor in 2.1 vermelde, bij het vaststellen van de aanslag aangebrachte correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning heeft beoordeeld. De Hoge Raad vat dit betoog aldus op dat wordt opgekomen tegen het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof dat het verzoek om ambtshalve vermindering niet is te beschouwen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen, en dat het Hof daarom ten onrechte het beroep niet heeft aangemerkt als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de Inspecteur op dat verzoek.
4.2.1
Het gestelde in de hiervoor in 2.4 vermelde brieven ter motivering van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag, zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 2.5.1 (vanaf het kopje “In het navolgende wordt ingegaan op de wijze waarop deze aanslag tot stand is gekomen en worden daartegen inhoudelijke bezwaren aangevoerd”) en 2.5.2 van de uitspraak van het Hof, laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende daarmee te kennen gaf bezwaar te hebben tegen de aanslag en de beschikkingen. Daarom had de Inspecteur, in het licht van de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven feiten, de desbetreffende brieven mede moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen (als bedoeld in artikel 9.6 Wet IB 2001).1.
4.2.2
De hiervoor in 3.2.2 weergeven oordelen van het Hof zijn dan ook onbegrijpelijk, evenals de daarop voortbouwende, hiervoor in 3.3 en 3.4 weergegeven oordelen.Middel 2 slaagt daarom in zoverre.
4.2.3
Een verzoek om ambtshalve vermindering is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb. Op grond van het tweede lid van artikel 4:13 Awb moet daarop worden beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. Indien het gaat om een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, moet die beslissing op grond van artikel 9.6, lid 5 (in het onderhavige jaar: lid 3), Wet IB 2001 worden genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. In het geval de inspecteur niet binnen acht weken beslist op het verzoek, bestaat met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:12 Awb de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het uitblijven van de beschikking.2.
4.2.4
Op het moment van het instellen van het hiervoor in 2.6 vermelde beroep was de hiervoor bedoelde termijn van acht weken ruimschoots verstreken. De Rechtbank had naar aanleiding van de klachten van belanghebbende over de door de Inspecteur toegepaste correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning en over de boete dan ook moeten onderzoeken of het beroep van belanghebbende op de voet van artikel 6:12 Awb, mede gelet op het bepaalde in lid 3 van dat artikel, in behandeling moet worden genomen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen. Dat heeft de Rechtbank ten onrechte niet gedaan. Het Hof had niet voorbij mogen gaan aan de door belanghebbende in hoger beroep daarover aangevoerde klachten. Middel 2 slaagt daarom ook in zoverre.
4.3
De Hoge Raad heeft ook de middelen voor het overige beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen voor het overige niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.4
Hetgeen hiervoor in 4.2.2 en 4.2.4 is overwogen, brengt mee dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarin een beslissing ontbreekt over het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 136 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.628 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑03‑2025
Vgl. HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, rechtsoverweging 3.2.
Beroepschrift 07‑03‑2025
Motivering van beroep in cassatie namens [X] tegen uitspraak Gerechtshof d.d. 8 augustus 2023
Inzake : [X] / Staatssecretaris van Financiën
Betreft : gronden van Cassatie Beroep
Zaaknummer : 23/03651
[…], 6 november 2023
Edelhoogachtbaar College,
Namens belanghebbende, [X], motiveer ik het beroep in cassatie als volgt. De cassatiemiddelen moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld.
Cassatiemiddel 1
Met betrekking tot het geschil over de niet-ontvankelijkheid van de definitieve aanslag verwijs ik o.a. naar blz. 7 t/m 14 van de gronden van hoger beroep ingediend bij het Hof d.d. 30.12.2021., zie bijgevoegd.
Ook bijgevoegd, Productie 20, bij Hof, zittingsdatum dinsdag 15 oktober 2019, wat daarin opvalt is dat de definitieve aanslag 2015 ontbreekt hetgeen ook een bewijs is dat deze aanslag niet is verzonden en al nooit ontvangen. De definitieve aanslag IB 2015 is blijkens pagina 2 van het verweerschrift van de inspecteur opgelegd op 8 februari 2019, zie bijgevoegd. Ook dient als bezwaar tegen de definitieve aanslag IB 2015 te gelden de brief van gemachtigde van 14 januari 2019, die de inspecteur als bijlage 4 bij diens verweerschrift bij de rechtbank heeft ingediend, bijgevoegd. Ook uit de tekst van deze brief blijkt dat het bezwaar voldoende is gemotiveerd. Citaten uit deze brief:
‘Met betrekking tot het controlerapport inzake onze cliënt [X] (Bsn […]) gedateerd 2 november 2018 hebben wij onderstaande opmerkingen, welke wij zien als zijnde een bezwaar. ’
‘In dit schrijven beperken wij ons tot hetjaar 2015. ’
‘Dit schrijven handelt enkel en alleen over hetjaar 2015. Indien niet uitdrukkelijk vermeld kunnen er geen conclusies over andere jaren uitgetrokken worden. ’
‘Punt 8.2 het resultaat overige werkzaamheden over 2015 wordt door u vastgesteld op € 490.495. Een en ander gebaseerd op de veronderstelling dat cliënt gedurende 2015 een in werking zijnde hennepkwekerij in zijn bezit heeft gehad. Deze veronderstelling is zeer voorbarig, zo niet volledig onjuist. De vordering loopt vooruit op een strafzaak welke het openbaar ministerie denkt te hebben. Deze strafzaak wordt betwist door cliënt. De zitting in deze strafzaak is nog niet gepland. Hierdoor staat de vordering ook in het geheel niet vast. Cliënt heeft inmiddels wel hetgeen in beslag genomen is doorjustitie teruggevraagd. En hij heeft e.e.a. ook al gedeeltelijk terug ontvangen. Wij maken dan ook uitdrukkelijk bezwaar tegen deze stellingname. ’
‘Punt 9.1.1 Hier wordt het inkomen uit werk en woning vastgesteld op €510.982. Dit door een correctie groot € 490.495. Zoals hierboven reeds vermeld maken wij bezwaar tegen de correctie. ’
‘Punt 10.1.4 Wij maken bezwaar tegen de voorgenomen vergrijpboete van 50%. Dit op basis van het gestelde in de punten 8.2 en 9.1.1.’
‘Gezien de substantiële invloed van de vermeende hennepkwekerij van cliënt, lijkt het ons praktisch de aanslagen over 2015, 2016 en 2017 eerst pas op te leggen zodra de rechter zijn oordeel heeft geveld in deze. Daarna zou cliënt graag met de Belastingdienst in overleg treden over de dan nog resterende zaken.’
Uit deze aangehaalde citaten blijkt dat deze brief als volwaardig prematuur bezwaar dient te worden aangemerkt tegen de definitieve aanslag IB 2015. Ik verwijs hiervoor naar de uitspraak ECLI:NL:GHARL:2018:8473, V-N 2018/67.1.6. In deze zaak heeft het Gerechtshof als volgt geoordeeld: ‘Het hof acht het niet aannemelijk dat belanghebbende niet in staat was uiterlijk 10 februari 2016 de bezwaren met enige grond aan te vullen en acht de termijnsoverschrijding niet verschoonbaar.’
Het Hof stelt dan ook dat als een bezwaarschrift kan worden aangemerkt een brief waarin reeds enige grond voldoende is althans een summier gemotiveerd bezwaarschrift, kan reeds als een bezwaarschrift worden aangemerkt. In de brief van de gemachtigde zijn meerdere gronden aangevoerd tegen de definitieve aanslag/primitieve aanslag IB 2015 en is er dan ook sprake van een volwaardig bezwaarschrift. De inspecteur, de rechtbank en het hof hebben dit miskend. Dit is onbegrijpelijk, ongemotiveerd en belanghebbende verzoekt dan ook om cassatie.
Tevens bijgevoegd Productie 21 brief gemachtigde d.d. 25 februari 2019, citaat:
‘Echter in verband met de verjaring van de aanslagtermijn heeft [G] een definitieve aanslag opgelegd nog voor het oplopen van de reactietermijn, 31 december 2018. Een aanslag die noch wij, noch cliënt hebben ontvangen. ’
De inspecteur heeft bij de aanbieding van zijn verweerschrift IB 2015 aan de rechtbank, bijgevoegd op pagina 2 een bijlage 3 overgelegd, hieruit blijkt dat de definitieve aanslag IB 2015 onjuist wegens dreigende verjaring is opgelegd, citaat:
‘Nog voor het definitiefworden van het Controlerapport heeft de controleambtenaar, wegens de door hem veronderstelde dreigende verjaring (zie onderdeel 1.1.1.2 van bijlage 3 (in werkelijkheid verjaarde de aanslagregeling nog lang niet door het verleende uitstel)), een definitieve aanslag 1B/PVV 2015 opgelegd aan belanghebbende. ’
Voorts is gemotiveerd een beroep gedaan op voor zo ver mogelijk verschoonbare termijnoverschrijding ex art. 6:11 Awb.
Indertijd is de definitieve aanslag IB 2015 nooit verzonden en al nooit ontvangen en is dit eveneens onmiddellijk kenbaar gemaakt. Uit geen enkel stuk blijkt naar welk adres de aanslag zou zijn verzonden. Hoe kan een bezwaar en/of beroep tegen een nooit ontvangen aanslag niet ontvankelijk zijn?
Verzocht wordt om cassatie en om herbeoordeling en verwijzing naar een ander Hof om deze vraagstukken bij de definitieve aanslag 2015 spelen omtrent het achterwege laten van de niet ontvankelijkheid en verschoonbare termijnoverschrijding.
Cassatiemiddel 2
De rechtsoverwegingen 3.1 en 3.2 van het Hof zijn onjuist en in strijd met het recht, althans er is sprake van een fataal vormverzuim. Ik heb ter zitting wel de beroepsgronden tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de navorderingsaanslag IB 2015 omdat het Hof aangaf deze ambtshalve te beoordelen. Ik heb niet ingetrokken de bezwaren tegen de niet-ontvankelijkheid bij de definitieve aanslag IB 2015. Deze zou immers niet ambtshalve behandeld worden. Een en ander staat ook onjuist in het Proces-verbaal, zie bijgevoegd, van de zitting dat ik tegelijkertijd met de uitspraak ontving. Het Hof heeft derhalve ten onrechte de niet-ontvankelijkverklaring bij de definitieve aanslag IB 2015 niet beoordeeld en ook ten onrechte niet de inhoudelijke correcties. Voor wat er speelt bij de niet-ontvankelijkverklaring van de definitieve aanslag IB 2015 verwijs ik in casu o.a. naar pagina's 7 t/m 14 van de gronden van beroep die bij het Hof zijn ingediend d.d. 30 december 2021, zie bijgevoegd. Verzocht wordt om cassatie en om de herbeoordeling te verwijzen naar een ander Hof ook voor dit vraagstuk bij de definitieve aanslag IB 2015.
Conclusie
Met het verzoek de uitspraak van het Hof te vernietigen en om een ander Hof de zaak inhoudelijk te laten behandelen met het oog op vernietiging van de onderliggende primitieve aanslag IB 2015 en de daarin opgenomen boete.
Verzocht wordt om een vergoeding van de proceskosten van de bezwaar-, beroep-, hoger beroep- en cassatie procedure op basis van het forfait.
Hoogachtend,