Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht
Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/4.3.6:4.3.6 Prijsvaststelling
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/4.3.6
4.3.6 Prijsvaststelling
Documentgegevens:
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS615718:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Waarbij ook als toelichting werd gegeven dat dit afhankelijk is van de complexiteit en/of subjectiviteit van de uitleg van de formule (bijvoorbeeld of al dan niet bepaalde normalisaties moeten worden berekend met betrekking tot de kas en/of werkkapitaalpositie).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot is gebleken (zie paragraaf 13.1.1) dat het voor de waarderingsdeskundigen een dilemma is om op grond van hun waarderingsmodel (hetgeen resulteert in een waarderingsrange van verschillende waarden) tot de prijsvaststelling komen.
Uitkomsten: prijsvaststelling
Ook voor de prijsvaststelling bestaat onder de waarderingsdeskundigen aanzienlijke verdeeldheid: 25% van de waarderingsdeskundigen kiest simpelweg voor het midden van de berekende waarderingsrange, 35% past een bepaald gewogen gemiddelde toe op grond van de methoden en scenario’s die zijn toegepast en 40% stelt de prijs vast op grond van een andere methode.
Door 25% van de deskundigen wordt dus willekeurig het midden van de bandbreedte gekozen. Dit acht ik arbitrair en onjuist. Ik denk dat waarderingsdeskundigen onderbouwd moeten aangeven aan welke methode (en uitkomst) zij in het betreffende geval de meeste waarde hechten. In aanvulling daarop kunnen zij weergeven welke methode zij als correctie of controlemiddel hebben gehanteerd. De methoden waaraan zij (onderbouwd) minder belang hechten, kunnen namelijk wel dienen om hun (onderbouwde) oordeel te staven.
Hiernaast vind ik het opmerkelijk dat, ondanks dat de blokkeringsregeling voorschrijft dat de deskundigen de prijs (gelijk aan de waarde) dienen vast te stellen, veel deskundigen het nalaten de prijsvaststelling uit te voeren. In plaats daarvan presenteren de deskundigen een waarderingsrange en laten de prijsvaststelling vervolgens over aan de opdrachtgevers zelf, zo luidde veelal de toelichting op deze vraag. Dit acht ik niet conform de wet en ik vind dan ook dat waarderingsdeskundigen stelling moeten nemen ten aanzien van de prijs. Als zij daarvoor bepaalde veronderstellingen moeten maken of het rapport anderszins moeten onderbouwen dan is daar naar mijn idee ook ruimte voor. In elk geval dient te worden voorkomen dat partijen, nadat zij een deskundige de opdracht hebben gegeven om een antwoord te formuleren op een vraag waar zij zelf niet uitkomen, alsnog met elkaar in discussie moeten over de betekenis en de uitkomst van het waarderingsrapport. Voor advocaten is een belangrijke rol weggelegd bij de ondersteuning voor het opstellen van de opdrachtbrief.
Prijsbepalingsregels
Voor de prijsbepalingsregels geldt dat 88% van de waarderingsdeskundigen stelt dat prijsbepalingsregels bepaalde voordelen hebben, namelijk (a) efficiency (met betrekking tot tijd en kosten) (32%); (b) transparantie (16%); (c) preventie van discussies tussen verschillende aandeelhouders over de waardering en de aangeleverde informatie (36%); en (d) zekerheid over de waarderingsuitkomst (4%). Ook wordt vermeld dat een prijsbepalingsregel nadelen kent, te weten (a) de uitkomst van de prijsbepalingsformule zal veelal afwijken van de waarde van het aandelenpakket (20%); (b) de prijsbepalingsformule laat altijd ruimte voor discussie (12%); (c) er doen zich altijd omstandigheden voor die niet worden meegewogen in de berekening (52%); en (d) anders (16%). Als toelichting op deze laatste categorie gaf 1 deskundige bijvoorbeeld weer:
“Risico dat er weer zo iets wordt geformuleerd als ‘2x intrinsieke waarde + 3x rentabiliteitswaarde -/- 6x EBIT’.”
Tot slot is gevraagd naar de toepasbaarheid van prijsbepalingsregels, namelijk of de aandeelhouders de prijsbepalingsregel zelfstandig kunnen toepassen of dat de prijsvaststelling alsnog door een waarderingsdeskundige dient te worden uitgevoerd. Bijna twee derde van de deskundigen stelt dat voor de prijsvaststelling altijd een deskundige moet worden ingeschakeld.1 Als kanttekening geldt hierbij uiteraard dat waarderingsdeskundigen biased zijn ten aanzien van deze vraag. Zij hebben immers direct belang bij de uitkomst van deze vraag.
Ik denk dat per situatie moet worden beoordeeld of het praktisch en kostenefficiënt kan zijn om een prijsbepalingsregel in een aandeelhoudersovereenkomst of statuten op te nemen. Als daarover direct twijfel bestaat, lijkt het mij meer opportuun om de bepaling te (blijven) hanteren om bij eventuele verkoop een deskundige te laten beoordelen wat de waarde van de aandelen is. Het opnemen van een prijsbepalingsregeling kan de situatie onnodig complex maken (of vanwege advieskosten: onnodig duur), of de transactie vertragen. Als partijen echter wel wensen over te gaan tot het opnemen van een prijsbepalingsregeling dan ben ik het met de waarderingsdeskundigen eens dat voor de formulering daarvan (ook) hun advies moet worden gevraagd. Het zijn immers de deskundigen die de betreffende regel in de toekomst moeten interpreteren en toepassen.