Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/2.5.2
2.5.2 De betekenis van het risicobeginsel voor het daadscriterium
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713191:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Klaassen 1991, p. 231 e.v.; On 2020, p. 353. On betoogt dat schuldaansprakelijkheid een ‘directe’ of ‘onmiddellijke’ aansprakelijkheid is, waarbij laedens en gelaedeerde in een directe, causale relatie staan tot elkaar. Strict liability geeft aanspraak op schadevergoeding via een zogenaamd ‘nexuspunt’, zoals de ‘gedraging’ van een zaak of de gedraging van een derde.
Enige uitzondering vormt de (schuld)aansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast van de ouder voor schadeveroorzakende gedragingen van kinderen tussen de 14 en 16 jaar (art. 6:169 lid 2 BW). Hier wordt ook de ouder een verwijt gemaakt: die had zijn ouderlijke zorg beter op orde moeten hebben. Dit artikel blijft hier verder buiten beschouwing.
HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6095, NJ 2011/465, m.nt. T. Hartlief (Hangmat), r.o. 4.3.3.
HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:412, NJ 2019/388, m.nt. J.L. Smeehuijzen (Zandvoortse parkeergarage), r.o. 3.3.3.
Loth 1988, p. 3, 40. Volgens Loth is in de klassieke benadering de handeling een ‘‘lichaamsbeweging plus een wilsactie’’; Bruins 1906, p. 13; Schut 1963, p. 50: “Er kan sprake zijn van wil zonder handeling, maar niet van handeling zonder wil.” Zie hierover ook: Franke 2021, p. 362. Zie voor een strafrechtelijk perspectief: Rense, DD 2005, p. 275.
Schut 1963, p. 51.
Sieburgh 2000, p. 114.
Hoofdstuk 3. Zie ook: Hoekzema 2000, p. 171-172; Sieburgh, ERPL 2016, p. 647.
Een dergelijk ‘objectieve benadering’ van het daderschapscriterium (Schut 1963, p. 47 e.v.) is verwant aan de betekenis van ‘causaal schuldbegrip’, waaronder wordt verstaan dat iemand schuldig is als hij ‘de oorzaak is van een afkeurenswaardig feit’. Zie over deze term: Franke 2021, p. 360 e.v.
Hoofdstuk 3.
In de literatuur wordt risicoaansprakelijkheid ten eerste omschreven als aansprakelijkheid waarvoor een gedraging van de verantwoordelijke partij niet is vereist.1 Illustratief zijn de kwalitatieve aansprakelijkheden voor zaken uit afdeling 6.3.2 BW. Bij deze aansprakelijkheden is een schending van een gedragsnorm van de aangesproken partij niet vereist, maar wordt de aansprakelijkheid gekoppeld aan een schadeveroorzakende ‘toestand’.2 Zo heeft de Hoge Raad in Hangmat vastgesteld dat voor de aansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen ex art. 6:174 BW niet is vereist dat een gedragsnorm is overschreden.3 In Zandvoortse parkeergarage heeft hij dit nogmaals onder de aandacht gebracht:
“De bezitter van een opstal die gevaar oplevert voor personen of zaken doordat deze niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, is op grond van art. 6:174 lid 1 BW aansprakelijk indien dat gevaar zich verwezenlijkt. Het aannemen van deze aansprakelijkheid is dus niet verbonden aan een schadeveroorzakende gedraging, maar aan de schadeveroorzakende toestand waarop art. 6:174 BW ziet. Het doet niet ter zake of die toestand is veroorzaakt door enige gedraging.”4
In het onrechtmatigedaadsrecht is, anders dan in het kwalitatieve aansprakelijkheidsrecht, een daad wel vereist voor aansprakelijkheid. Toch leidt ook hier de invloed van de risicogedachte onder omstandigheden tot een zekere relativering van het daadscriterium. Een synoniem voor de ‘daad’ is de ‘handeling’. In oudere literatuur wordt de handeling omschreven als een gewilde spierbeweging.5 Dit betekent dat een reflex, zoals een schrikbeweging, geen handeling is in deze zin.6 In deze definitie van ‘handeling’ is de negentiende-eeuwse schuldgedachte te herkennen. Deze gedachte gaat immers uit van de idee van de mens als ‘redelijk-zedelijk’ wezen met een eigen vrije wil.7 Tegenwoordig moet niet meer worden uitgegaan van een fysiek handelingsbegrip, maar van een juridisch-normatief handelingsbegrip.8 Ook indien de handeling als zodanig niet gewild is, kan de handeling wel in juridische zin als ‘daad’ worden aangemerkt en de (fysiek) handelende als ‘dader’.9 In mijn ogen is een dergelijke benadering te zien in art. 6:162 BW.10 Ik kom hier nog op terug in het volgende hoofdstuk. Met dit juridisch-normatief daadscriterium wordt tot op zekere hoogte afstand gedaan van de schuldgedachte.